De hatelijke steunbeer van het kapitalisme

Willem en Benno Barnard in 1956.
foto © BB
Aangeboden door de abonnees van Doorbraak
Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Neem zelf ook een abonnement en lees alle plus-artikelen én ons driemaandelijks magazine.
Ik neem ook een abonnementZondag 22 februari
Poppy wil dat we de dienst bijwonen in Holy Trinity, de anglicaanse kathedraal in Brussel. Maar daar worden de gezangen op een scherm geprojecteerd, daar mist de ouwehoerende geestelijke steevast het punt van de snipper oeroude literatuur die zijn onderwerp vormt, daar is de atmosfeer dik van welgesteld emigrantendom.
‘Anna was er gelukkig’, zegt ze. ‘Ze had er zoveel vrienden. Weet je nog dat ze een weekend uit kamperen gingen? Ga voor Anna …’
Dinsdag
Een columniste in De Morgen spreekt haar bewondering uit voor een jonge vrouw die tegen de kapitalistische schoonheidsidealen in haar haar blauw heeft geverfd. Dat zal het patriarchaat leren!
Donderdag
In onze dwaze tijd is het narcisme wel de grootste dwaasheid. Als in het verleden een individu zich wilde verbergen, probeerde hij op te gaan in de massa, loste zij op in de conventie. De massa die zich vandaag wil verbergen probeert op te gaan in het individu.
Vrijdag
Terug in Brede (Poppy is nog in Brussel). Het zestien uur vasten per etmaal werpt zijn vruchten af. Ik weeg vanmorgen schoon aan de haak 88,1 kilo. Ik verorber rond de middag een ontbijt van kefir en bosbessen. Weldra verander ik in een pilaarheilige.
Zondag 1 maart
Amerika en Israël bombarderen Iran. De Hogepriester van de islamitische terreur is gedood. Er schijnt uit sommige flatgebouwen in Teheran gejuich te zijn opgestegen: ‘Het monster is dood!’
Is deze oorlog moreel gerechtvaardigd? Ethiek heeft net als de god van begin, einde, poorten, transities, deuropeningen, passages en dubbelzinnigheden twee gezichten en keert me bij beide mogelijke antwoorden het andere toe.
Dinsdag
Marguerite Yourcenar vertelt in haar Souvenirs pieux (Dierbare nagedachtenis) over de ‘duizend dagen durende huwelijksreis’ van haar ouders in de kuuroorden en luxehotels van het oude Europa. Je leest die pagina’s in het besef van de toekomstige ondergang: door een lens tuur je naar dat verzonken continent, dat voortbestaat in glazen plaatjes waarop ongebombardeerde middeleeuwse steden onderdak bieden aan dames in te lange jurken, heren in drie delen civilisatie en proletariërs in lompen; door een imaginaire oortrompet hoor je vanuit de openstaande ramen van burgerlijke salons de cadensen, ontlokt aan het in deze kringen verplichte klavier, in razend tempo op het plaveisel stuiteren als welluidende hagelbuien.
Yourcenar schreef die indirecte herinnering op in het jaar 1974, 60 jaar nadat de leugenachtige pleintjes met lindebomen in de stadjes van de Donaumonarchie en de bedrieglijke flonkerende lichtjes van het Duitse keizerrijk hun gespeelde onschuld aflegden. Maar in die hypocriete wereld van schunnige armoede, gekoppeld aan het profijt van keurig gehuwde hoerenlopers met een hoge zijden en een vestzakhorloge, was het landschap nog grotendeels intact en stonden de oude steden nog overeind.
’s Avonds
‘Octave houdt niet van het Zijn; hij houdt van de zijnden’, schrijft Yourcenar over haar 19de-eeuwse familielid Octave Pirmez, eertijds een bekend auteur. Onwetend van mijn maatschappelijke observaties een halve eeuw later formuleert ze hier de reden van mijn afkeer van blauw haar, van dogmatisch haar.
Vrijdag
Mijn ouders deden nooit een boek weg en zo was het een voorrecht van mijn kindertijd dat ik vooroorlogse boeken las, in een afgeschafte spelling, die bijdroeg aan de magie van het verhaal: ik decodeerde een tekst voor ingewijden, waarover de sprookjesstof van de ouderwetsheid was neergedaald. Maar ouderwetsheid is gewoon een ander woord voor geschiedenis. Je mist een opvoedkundige kans als je kinderen enkel contemporaine boeken geeft.
Hedendaagse boeken las ik natuurlijk ook wel. Mijn vader en ik trokken De brief voor de koning zowat uit elkaars handen, wat als volgt in zijn werk ging: ik werd wakker en wilde verder lezen, maar het boek was verdwenen. Zo compenseerde mijn vader, die als zoveel briljante mensen de nodige kinderlijke trekken had bewaard, een kindertijd waarin geen geld was om boeken te kopen.
Weggekropen in de bubbel onder mijn deken, las ik alles door elkaar en schiep op die wijze de samenhangende chaos van mijn denken, want u moet zich mijn hoofd voorstellen als een neurotische zwijnenstal waar ik alles terug kan vinden, vooral datgene wat ik niet zoek.
Zaterdag
Vandaag geen bosbessen maar lunchen met Liz. Ze heeft online een nieuwe minnaar gevonden, gescheiden, kinderen, net als zij dus, uit de buurt van Chichester, bij wie ze volgende maand hoopt in te trekken.
Ik wens haar geluk. ‘Hoe lang ken je hem?’
‘O, een maand alweer.’
Vier uur
Wanneer Sammie in de velden van Pat tussen de braamstruiken van Pat haar tennisbal zoekt, zie ik in de verte Tony en Lizzy Dyson, ik herken de jassen, niet de dragers, een rode en een gele jas. Zij zien mij ook, want Tony steekt zijn hand op. We beschrijven een wiskundige figuur om elkaar te bereiken: ik volg de grote en zij de kleine basis van het trapezium dat ons scheidt (geen zuiver trapezium, het is tenslotte een veld) en vangen ons praatje op de hoek aan, waar een eik staat te kreunen, waar de oostenwind van over het Kanaal mijn pet op de grond gooit.
Praatje – nee, geen praatje. ‘Jane is ziek’, zegt Lizzy. Jane is hun dochter, die in Melbourne woont. ‘Ze heeft borstkanker. Net nu ze een nieuwe baan aan de universiteit heeft.’
Jane is antropologe. Jane heeft een man, twee kinderen en borstkanker. Tony geeft als gepensioneerd arts sombere details. Het smerigste type. Ablatie. De oorlog maakt vliegen naar Australië ingewikkeld, maar hopelijk kunnen ze volgende week, via …
Lizzy heeft haar handen voor haar gezicht geslagen. Door de voor haar gezicht geslagen handen heen zegt ze: ‘Ik begon te huilen toen ik Judy tegenkwam in Sainsbury’s … Ik schaamde me zo.’ Haar bovenlip dient in de traditionele Engelse cultuur nimmer te trillen, maar Australië is verdomd ver weg.
Sammie is naast me komen zitten zonder tennisbal: haar bal is braamstruikkleurig en de struiken zijn tennisbalkleurig.
Dinsdag 10 maart
In Christ Church in Hastings spelen de violist Max Baillie en een pianist met radde vingers, die Alasdair Beatson heet, modernistische composities uit Midden-Europa: Bohuslav Martinu, Georges Enescu, György Kurtag … maar erdoorheen begint iets anders te klinken, iets ouders, achter mijn oogleden fiedelt een zigeunerorkestje erop los, het is een zomeravond, de binnenplaats in Pest weerkaatst de dominante cimbaal; in een verlaten dorp in de Banat registreert Béla Bartók volksmuziek op een wasplaat, terwijl een hond meejankt op een erf; in een en dezelfde akoestisch-visuele duizeling zit de keizer in Wenen op zijn troon een melodietje van Haydn te neuriën; en al die dingen heb ik wel en niet meegemaakt.
Pauze. Ik ontwaak. Daarna volgt Beethovens Kreutzersonate. Mijn blik dwaalt af naar de niet-brandende kaarsen, de in de schemering vervagende italianiserende mozaïeken, de heiligen die meewiegen in hun nissen … pompompom … Ze waren voortreffelijk, die modernisten, maar de melodielijnen en harmonieën van de romantiek maken ons gelukkiger, terwijl het modernisme ons ongeluk uitdrukt.
Dinsdag
Opnieuw preekt iemand in een krant dat het gezin een hatelijke steunbeer van het kapitalisme is (maar dan minder goed geformuleerd). Omringd worden door stompzinnigheid en fanatisme – gezichten aan weerszijden van hetzelfde lege hoofd – is bovenal vermoeiend.
Luister naar oompje, kinderen! Het niet-gezin is veel dienstbaarder aan het verfoeide kapitalisme dan het wel-gezin: er is veel meer huisvesting nodig en in afwachting daarvan belanden veel meer mensen in piepkleine flatjes; het niet-gezin vermenigvuldigt het aantal auto’s, wasmachines enzovoorts; de notie van het delen der dingen gaat reddeloos verloren … Het is veel ‘linkser’ om in gezinsverband te leven, domoortjes!
Maandag 23 maart
De intelligentie is weliswaar een bron van vreugde, maar laten we voorzichtig zijn met haar zuivere vorm – verkies de grap boven de these, mors koffie op je rekenblad. De zuivere Rede is een koude, harde plank, waarop het ascetische brein zich met welbehagen uitstrekt: het bedrijft de liefde met niemand in een bed zonder matras …

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.
Zondag 12 april Het is de sterfdag van mijn moeder. Ze ging op bed liggen – ‘Ik ben een beetje moe’, zei ze tegen mijn zus – en haar ogen braken. Dat is 31 jaar geleden. Ik was op bezoek bij Peter, die even buiten Lausanne in een zonnige kliniek lag te herstellen van zijn eerste hartoperatie. Het Meer van Genève …
Doorbraak is op zoek naar een creatieve en gemotiveerde marketingmedewerker.











