Parijse bordelen

Au Salon de la rue des Moulins, Henri de Toulouse-Lautrec (1894).
foto © Wikimedia
Aangeboden door de abonnees van Doorbraak
Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Neem zelf ook een abonnement en lees alle plus-artikelen én ons driemaandelijks magazine.
Ik neem ook een abonnementWoensdag (nog steeds in Lecce)
In het eerste supermarktje, waar we ingrediënten bij elkaar zoeken voor ons avondmaal, staat een Indische man achter de toonbank. ‘Hebt u gehakt?’ vraagt Poppy in het Italiaans.
‘Wat is dat?’ vraagt de Indiër in het Italiaans.
‘Gehakt rundsvlees. Minced beef. Have you got minced beef?’
‘What is it for?’
‘Spaghetti bolognese.’
‘I don’t know that.’
Na dit wonderbaarlijke geval van cultureel onbegrip, deze concieze weerspiegeling van de gesprekken tussen grootmachten, vonden we ons rundsvlees uiteindelijk in een andere kleine supermarkt. De vriendelijke cassière verliet haar post – er waren geen andere klanten – en verdween om het verlangde uit een koelkast te gaan halen. Dat wil zeggen: als een vis zwom ze weg achter haar dikke positieve brillenglazen, die gevat waren in een zwaar, zwart montuur, en de bril bleef bij de kassa trouw op haar wachten.
Donderdag 29 januari
We brengen de huurauto terug en een charmante jongeman biedt aan ons naar het treinstation te brengen. We worden verzocht achterin plaats te nemen. Hij kruipt achter het stuur, maar nu komt ook een vriend vanuit het niets naast hem zitten, en vervolgens kruipt een jonge vrouw vanuit hetzelfde niets op zijn schoot – en in deze formatie rijden we naar het station.
Een dolle boel! Niemand voorin heeft een gordel om. Het liefje, van wie een bepaalde welving tussen de dijen van haar vriend wegzakt, wil per se daar zitten en niet achterin, maar als we zinspelen op hun amoureuze connectie blijkt dat ze geen liefje is, niet van hem tenminste … en ze strekt haar bevallige hand naar ons uit: ‘I am the married’, zegt ze, en inderdaad, in het bleke licht dat het hol van de auto vult blinkt een trouwring: we zien een slanke, getrouwde hand.
Maandag 2 februari
Mijn bloedsuikerspiegel vertoont een curve richting diabetes en mijn aardige dokter heeft periodiek vasten aanbevolen, wat erop neerkomt dat ik zestien opeenvolgende uren alleen maar water mag drinken. Een dubbele marteling: vier uur na het avondeten, vier uur voor het ontbijt. Daartussen vlucht ik in de slaap.
O hand die bij de emotionerende film tevergeefs naar de zak met pistaches tast! O leeg wijnglas naast het laatste, zo traag mogelijk gelezen hoofdstuk! Wat een irritante manier om in leven te blijven.
Dinsdag
Gary’s vader wordt begraven, beter gezegd zijn kist verdwijnt achter een rood geplisseerd gordijn in het crematorium van Hastings, bijgenaamd The Crem. De kapel waar het afscheid plaatsvindt heeft iets vaag gotisch en lijkt inderdaad op een kapel.
De dienst is hybridisch: door de seculiere elementen wordt wat godsdienst gevlochten. Gary rangschikt om zo te zeggen herinneringen rond de enige snik die uit zijn keel ontsnapt; er volgt een gezang; Philip, aan Moskou ontsnapte Philip, die al sinds het begin van de Oekraïense oorlog op zijn Russin zit te wachten, maar helaas vindt Galina haar door de staat verwarmde flatje veel te behaaglijk, Philip dus, leest het slot van The Pickwick Papers voor; het geheel wordt afgerond met een foto waarop een jonge John Marriott naast zijn knappe jonge vrouw staat te leven. De jonge vrouw zit in een tehuis en heeft geen idee dat haar man is overleden.
Ik omhels Gary en Philip. We drinken koffie en kauwen op sandwiches in de Red Lion.
Zaterdag
Toen Edward VII zich als kroonprins onnoemelijk zat te vervelen, vermaakte hij zich buitengewoon. In Le Chabanais, een poepchic bordeel in Parijs, had hij zijn eigen kamer, welke twee opmerkelijke objecten bevatte: een koperen badkuip die hij geregeld met champagne liet vullen en een chaise d’amour die zo ontworpen was dat er drie mensen tegelijk op konden zitten. (Dit lees ik in het oneerbiedige periodiek The Spectator.)
Er was ook een bordeel in dezelfde stad waar een van de kamers was ontworpen als een treinwagon, die via een ingewikkeld mechaniek van katrollen en drijfstangen de schokkerige beweging van een echte trein kon nabootsen, een genoegen dat gepaard ging met de bijbehorende geluidseffecten, en een conducteur die na zijn klop op de deur het betreden van de wagon niet uitstelde. Dit alles raakte pas in de jaren 30 uit de mode.
Ik verplaats me in gedachten naar het Parijs van de jaren 20, waar ik me heb losgemaakt van het gezelschap en een goedkope landwijn in La Rotonde. Bye Ernest, ciao Amedeo. Ik wandel door Montparnasse en nu snuif ik al de prehistorische lucht van de liefde op, niet de huwelijkse geur maar de oorspronkelijke lucht, de dierlijke damp die boven het onrustige bed hangt, die vermengd is met parfum en alcoholadem, ziekmakend, bedwelmend …
De volgende avond leiden goedgemutste schikgodinnen mijn levensdraad naar Le Select, waar ik berouwvol een puriteins glas limonade bestel bij een nieuwe serveerster, een ovaal met een elementaire rode mond en een Amerikaanse tongval …
Donderdag 12 februari
Cees is dood, meldt de krant. Cees is 92 geworden.
Cees. Joviaal, gereserveerd op een open manier, de erudiet die zijn eigen leraar was, een levensgenieter, een dominante man, niet altijd even aardig voor zijn vrouw (de enige die ik gekend heb), jegens mij hartelijk en genereus. Ik denk dat hij me als een student aan het Nooteboom-college beschouwde. Hij zag kennelijk iets in mijn werk: voor een Engelse editie van mijn gedichten schreef hij de flaptekst.
Het is een paar jaar geleden dat ik hem voor het laatst heb meegemaakt, op een literair festival in Mexico, toen ik nog aan dat soort aangename geldverkwisting meedeed. Ik zie ons wandelen door een parkje in een provinciestad – om ons heen het Spaanse geroezemoes, Mariachi met een trompet en een gitaar, uitbundig gekwetter van veelkleurige vogels boven ons hoofd …
‘Een van mijn voornamen is Maria,’ hoor ik hem zeggen. ‘Zij en ik gaan ver terug …’
Zoals iedere ware, respectabele afvallige bleef hij levenslang van zijn geduldige moeder weglopen – of om haar heen cirkelen. Zijn werk is van een soort wereldse mystiek en in de kern onverklaarbaar. Het mijne beval hij bij Suhrkamp aan.
Was hij ijdel? Je zou ook kunnen vragen of Cees katholiek was. Namens het Nieuw Wereldtijdschrift vroeg ik aan Julian Barnes of hij niet een paar weken in Antwerpen wilde komen zitten, in ruil voor een artikel over de stad. Julian antwoordde dat hij geen tijd kon vrijmaken, maar hij suggereerde een paar alternatieven, onder wie Cees Nooteboom. ‘Address: Mount Olympus, Greece.’
Cees was een Cees. De Cees is een bepaald soort schrijver, de enige ware soort in mijn ogen: een alchemist, altijd weer koortsig op zoek naar de formule die de dingen niet zozeer vastlegt als wel verandert, van loden werkelijkheid in gouden kunst namelijk.
Hij vertelde mij ooit dezelfde anekdote die ik vandaag in de krant terugvind: als jongen hoorde hij Anton van Duinkerken na afloop van een lezing in beschonken toestand zeggen: ‘De bisschop van Roermond is een lul op purperen pantoffels.’ Van die zin was hij schrijver geworden.
| Tags |
|---|

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.
Zondag 12 april Het is de sterfdag van mijn moeder. Ze ging op bed liggen – ‘Ik ben een beetje moe’, zei ze tegen mijn zus – en haar ogen braken. Dat is 31 jaar geleden. Ik was op bezoek bij Peter, die even buiten Lausanne in een zonnige kliniek lag te herstellen van zijn eerste hartoperatie. Het Meer van Genève …
Doorbraak is op zoek naar een creatieve en gemotiveerde marketingmedewerker.











