Multicultuur & samenleven

Negen Nieuwe Vlamingen

Twee Afghanen, twee Tibetanen, twee Sri Lankanen, een Irakees, een Bosniër en een Syriër. Vier vrouwen en vijf mannen. Negen Nieuwe Vlamingen. Mijn eerste zomerklas ‘Babbel & Jog’ staat wat onwennig naar de grond te staren al zou daar snel verandering in komen. Ze hebben allemaal één ding gemeen: ze willen goed Nederlands leren praten. Dat is hun doel, dat is mijn opdracht. Terwijl ze een voor een binnendruppelen ontdek ik dat hun Nederlandse taalniveau onderling erg verschilt waardoor ik prompt beslis om al mijn ledematen in de strijd te gooien. IJdel zijn helpt niet bij het aanleren van een taal.

Het kennismakingsspel verloopt wat stroef. Ik ga luider praten, denk dat ze doof zijn omdat ze mij niet verstaan. Wat een klassieker. Dat ik dáár intuin?!#!:§! Wat hebben ze bij Atlas – de organisatie Integratie & Inburgering in Antwerpen – weer gezegd? ‘Gebruik internationale woorden. Praat in korte zinnen. Volzinnen. Geen Tarzantaal.’ Ik ben nooit fan geweest van Tarzantaal, zelfs kleuters vinden dat kinderachtig. ‘En communiceer direct, impliciete taal verstaan ze niet.’ Kijk eens aan, bij nieuwe Vlamingen zal ik niet in de hoek moeten staan voor mijn directe stijl. Driewerf hoera!

Taal-to-Run

Aangezien je een taal makkelijker leert terwijl je iets anders doet heb ik een soort ‘Taal-to-Run’ in elkaar gebokst, een looptraining voor beginners met tussendoor praatmomenten. Ik weet uit ervaring dat het werkt: sport ontspant zodat mensen zonder gêne fouten maken terwijl ze praten. Internationale profvoetballers zijn daar het meest ongegeneerde voorbeeld van. Na de opwarming vertrek ik met mijn internationale team richting Park Spoor Noord waar we ons eerste taalthema aansnijden: waar kom je vandaan? Mijn eigen voorbeeld met foto’s moet hen uit hun kot lokken ook al is mijn voorbeeld qua afstand nogal onnozel: ‘Ik kom uit Opwijk, wij hadden thuis kippen en koeien, mijn ouders waren boeren.’ Gelukkig valt er in de verste verten geen Crombez of Rutten te bespeuren die ons nu gaat komen uitleggen wat een scheldwoord is. Mijn leerlingen zouden trouwens van hun melk zijn.

Ze komen los, zoeken naar woorden die ergens opgeslagen zitten in hun brein. We leren elkaar kennen, ze beginnen ook onderling te babbelen. Hun enthousiasme werkt aanstekelijk. Toch kan niet iedereen alle klanken vormen. Ik zou wel met een zaklamp in Geshe’s(*) mond willen schijnen om te zien waar die t zit.

En dan is het nu tijd voor de plank. Jawel, De Plank. Nee, ik vind dat niet hardvochtig: de plank doen én een taal leren op dag één. Dat een plank van een boom komt die gezaagd is enzovoort daar kan je een beginner Nederlands niet mee lastig vallen maar gelukkig kan je de plank in één beweging gewoon uitbeelden. Een plank op pootjes wel te verstaan. Gruwelijk. Ik weet het. Nochtans zie ik enkel lachende, tellende nieuwe Vlamingen die zonder verpinken een Nintendo-niveautje hoger schakelen wanneer ik vol ongeloof hun vrolijkheid op de proef stel: de wándelende plank. Oké. Drie keer tot twintig tellen is genoeg. We moeten morgen wel nog kunnen stappen.

De verborgen schat

De Afghaanse Mehran die vijf jaar in Griekenland heeft gewoond zegt dat hij sindsdien weet hoe dat gaat met een nieuwe taal: ‘Het eerste jaar is moeilijk, echt moeilijk, je begrijpt niets van wat ze zeggen. Nadien gaat het beter en begin je zelf wat te praten. Ik begrijp veel van wat jij nu zegt. Ik kan het nog niet zelf zeggen.’ Een schat aan woorden. Die moet ik opspitten. Maar niet zoveel woorden ineens dat ze morgen thuis zitten met een burn-out.

‘Laten we de les afsluiten en “een terras doen”’, zo opper ik, ‘Vlaanderen is ook “een terras doen”’. Een terras? Wat is dat? Ik zie het al, met Antwerpse gezegdes ga ik niet in die zomerbar geraken. Ze willen wel met mij iets gaan drinken. Ik neem de bestelling op en ga met Mehran de drankjes halen. Zie ze daar zitten, mijn klas A. Overmorgen heb ik klas B met nieuwe leerlingen, al zijn er blijkbaar drie van klas A die vrijwillig tweede zit doen: ‘Ik heb mij twee keer ingeschreven, dat mag toch, of niet?’ Natuurlijk! Wat is het lang geleden dat ik zoveel gedrevenheid en passie op één plek zag.

De groep gaat uit elkaar. Ik keer met de Syriër Aland terug naar Atlas. De stille jongen van drie uur terug is getransformeerd in een zoetgevooisde spraakwaterval. Wat een cadeau! Ik leer dat ook hij een groter woord gebruikt om iets kleiner vergelijkbaars te benoemen waarvan hij het woord ontbeert. Zijn favoriete plek in Antwerpen is de zee, zegt hij. Ik pijnig toch even mijn hersenen. Mij kennende zou het zomaar kunnen dat ik hier al die tijd een detail als de zee over het hoofd gezien heb. Ik schrijf ‘rivier’ en ‘Schelde’ op mijn notebook. Hij neemt er een foto van met zijn smartphone. ‘Dan kan ik thuis oefenen’, zegt hij. Ze trekken hun plan, mijn leerlingen.

Vrijheid, wat is dat voor jou? Dat is het taalthema voor volgende week. Ik ben benieuwd.

(*) Alle namen zijn gewijzigd om privacy redenen.

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans