JavaScript is required for this website to work.
BUITENLAND

Forum

Ontwikkelingssamenwerking: kind, badwater en bad

Ignace Pollet: ‘De mondiale noord-zuidverhoudingen zijn te belangrijk om die alleen aan de ontwikkelingssector over te laten.’

Ignace Pollet werkte als arbeidssocioloog tot eind 2024 bij het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA KU Leuven). Hij voerde er o.m. studie- en evaluatieopdrachten uit voor ontwikkelingsactoren, alsook onderzoek rond het maatschappelijk draagvlak voor noord-zuidsamenwerking.

25/4/2025Leestijd 4 minuten

Ontwikkelingssamenwerking heeft het niet onder de markt. Het terugschroeven van de multilaterale hulp, de dreigende ontmanteling van USAID en de forse reductie van de budgetten in het Verenigd Koninkrijk, Nederland en ook België roepen voor deze sector existentiële vragen op.

In de plaats van dit te betreuren kunnen we dit ook als een kans zien om aan de solidariteit met het Mondiale Zuiden een andere invulling te geven. Maar het is te betwijfelen of de ontwikkelingssector zelf goed geplaatst is voor deze denkoefening.

Als je aan ontwikkelingswerkers de vraag stelt naar de relevantie van hun werk, verwijzen hun antwoorden steevast naar de armoede in het Zuiden, de noden van de bevolking, en de ongelijkheid waarvan ‘wij’ mee de oorzaak vormen. Die antwoorden omzeilen evenwel de vraag of het instituut ‘ontwikkelingssamenwerking’, een amalgaam van instellingen van klein tot groot, wel geschikt is om tegemoet te komen aan deze besognes.

Chouchou

Oorspronkelijk bestond dit instituut uit de erfenissen van missioneringswerk, links internationalisme en postkoloniale technische assistentie. Pas bij de opkomst van de nieuwe sociale bewegingen in de jaren ‘70 lijkt ontwikkelingswerk haar eigen ziel te vinden. ‘Charity’ moet plaats maken voor structurele hulp. Ngo’s doen hun intrede. Hun participatieve aanpak vindt gaandeweg ook ingang bij de bilaterale en multilaterale agentschappen.

Een tijdlang is ontwikkelingssamenwerking de chouchou van de internationale relaties. Maar vanuit de echo van de neoliberale Washington Consensus klinkt de vraag rond de effectiviteit alsmaar luider. In antwoord hierop komt de sector met een projectbenadering voor de dag die concrete doelstellingen vastlegt, deze tot voorwerp van evaluaties maakt en er condities rond onder meer mensenrechten aan koppelt. Tegelijk zien we de technische projecten al meer plaats maken voor institutionele ondersteuning en beleidsbeïnvloeding. Ontwikkelingsnoden krijgen een politieke duiding. Het streefcijfer van 0,7 procent van het bnp wordt een doel op zich, misschien wel een obsessie.

Draagvlak en kritiek

Vanaf de jaren 2000 doen bij de grote spelers de groeilanden hun intrede. Drijvend op zijn eigen economische boom benadert China het Mondiale Zuiden met grootschalige zakelijke deals gebaseerd op een win-winlogica: grondstoffen voor infrastructuur. Over condities en mensenrechten rept men niet. De resultaten komen snel en zijn zichtbaar. De westerse actoren weten niet meteen wat ze hiermee aan moeten.

Een andere uitdaging is het afbrokkelend maatschappelijk draagvlak. Barometeronderzoek bij de Belgische bevolking toont dat in 2003 52 procent van de Belgen vond dat er meer geld naar ontwikkelingssamenwerking moest, terwijl in 2012 nog slechts 10 procent dit vond. Ook tegenover de competentie van de actoren staat het publiek steeds sceptischer. Tegelijk zien we de private initiatieven van burgers en middenveld toenemen: de Vierde Pijler, niet gesubsidieerd en toch populair. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in krappe budgettaire tijden politieke leiders – of die nu Starmer heten, Rutte, of De Wever – niet aarzelen de knip te zetten in ontwikkelingssamenwerking.

Verontwaardigd

De sector reageert verontwaardigd: wil men het kind met het badwater weggooien? Maar sinds jaren opperen kenniswerkers dat vooral het bad zelf, het systeem dus, aan herziening toe is.

In 2006 publiceerde William Easterly ‘The white man’s burden: Why the West’s efforts to aid the rest have done so much ill and so little good’. De titel joeg ontwikkelingswerkers de gordijnen in. Maar de auteur was nog mild voor de mensen op het terrein. Hij nam vooral de megalomane geldverslindende planners op de korrel, en het ontbreken van zelfs maar een minimale rekenschap: mislukking wordt niet afgestraft.

Vanuit een obstinate maakbaarheidsgedachte probeert men bovendien een samenleving naar het beeld van het Westen te importeren, gecentreerd rond democratie, markt en middenveld

Vanuit een obstinate maakbaarheidsgedachte probeert men bovendien een samenleving naar het beeld van het Westen te importeren, gecentreerd rond democratie, markt en middenveld. Easterly pleitte voor het inzetten van de profitsector voor economische activiteiten, het uitwerken van een ratingsysteem voor ontwikkelingsorganisaties, en een meer lokale aansturing.

Van crisis naar kans

De huidige politieke beslissingen rond budgetreductie wekken wrevel op, maar vormen ook een kans voor een grondige update van het systeem. De bestaande kritieken en alternatieven reiken zelf al een aantal verbeterpunten aan.

Zo zou men komaf kunnen maken met de versnipperde en dure projectbenadering, en consequenties vastknopen aan de evaluaties van de actoren. Deze evaluaties haalt men best ook uit de handen van de sector zelf. Door het huidig mechanisme van oproepen evalueert de evaluator in feite zijn eigen klant, wat in het grote schemergebied van impactmeting doorgaans het voordeel van de twijfel oplevert.

Anders dan bij noodhulp en medische programma’s is de duurzame impact van institutionele ondersteuning hoogst twijfelachtig. Het nut van onderwijs en beurzen hangt dan weer samen met het meegeven aan afgestudeerden van een aanloop in hun eigen land, zodat het niet tot braindrain maar tot een hefboomeffect leidt.

Ook voor kleine niet-gesubsidieerde projecten is er een plaats, zonder dat er een structuur van coördinatoren en begeleiders rond gebouwd moet worden. De vermaatschappelijking van de hulp geeft voldoening aan de betrokkenen en voorkomt zelfgenoegzaamheid en isolationisme.

Cultuur is traditioneel de blinde vlek van ontwikkelingswerk

Cultuur is traditioneel de blinde vlek van ontwikkelingswerk. Aandacht voor verschillende waardeopvattingen inzake hiërarchie, genderrollen, collectiviteit en tijdsoriëntatie verhoogt nochtans danig de effectiviteit. Het toont ook dat universalisme, de opvatting van algemeen geldende mensenrechten bij het minste akkefietje alleen maar los zand is, niet geschikt om op te bouwen.

Reset

De voorbeelden hierboven zijn strikt genomen interne verbetermaatregelen. Een grondige reset van de architectuur van ontwikkelingssamenwerking laat men best niet aan de sector zelf over.

Instituties zijn in wezen conservatief en zullen nooit uit zichzelf hun bestaansreden in vraag stellen. Dat zou immers ook gevolgen hebben voor de werknemers. Er is een spreuk die zegt dat cultuur te belangrijk is om aan cultuurpausen over te laten. Welnu, de Noord-Zuidverhoudingen zijn te belangrijk om deze alleen aan de ontwikkelingssector over te laten. De beleidsmakers zullen daarom ook zelf aan de bak moeten.

Ignace Pollet werkte als arbeidssocioloog tot eind 2024 bij het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA KU Leuven). Hij voerde er o.m. studie- en evaluatieopdrachten uit voor ontwikkelingsactoren, alsook onderzoek rond het maatschappelijk draagvlak voor noord-zuidsamenwerking.

Commentaren en reacties