JavaScript is required for this website to work.
radio

Op de thee bij de sheik Ali

foto © Pixabay

Waarin Alain in Kashmir op de thee mag bij een heuse sheik.

‘U wordt uitgenodigd in het huis van mijn vader, Sheik Ali’, komt zijn zoon ons melden terwijl we op het achterplecht van de woonboot naar het wonderbaarlijke Nigeen-meer turen, een kopje Kashmiri-thee in de hand. De zoon van Sheik Ali is zelf al een eind in de zestig, maar het is zijn vader die nog altijd de lakens uitdeelt.

Nigeen-meer

Sheik Ali is de eigenaar van de houseboat waarop we logeren op het Nigeen-meer in Srinagar, Kashmir. Dat ligt in het noordwesten van India, aan de grens met Pakistan. Srinagar wordt door de Kashmiri vaak omschreven als het paradijs op aarde, dus u begrijpt dat ik dat even met eigen ogen wilde bekijken. Vermits sommige mensen me al hebben gemeld dat ik in een volgend leven zeker niet naar de hemel ga, dacht ik dat ik nu alvast best even kon kijken, zodat ik weet wat ik allemaal ga missen in een volgend leven.

Dat Srinagar het paradijs op aarde is, mag een dichterlijke overdrijving genoemd worden. Pas op: dat zal ooit vast en zeker zo geweest zijn, want de stad is prachtig gelegen op 1500 meter hoogte, omringd door bergen, bossen en fruitgaarden en voorzien van twee meren die gevoed worden door glinsterende bergstroompjes. Ik kon me goed voorstellen dat in vroegere tijden de herten er door het groene lover huppelden en dat de appelbomen er zoveel vruchten droegen dat Adam er zich ongans in kon eten.

De modernisering sloeg echter ook in Srinagar ongenadig toe en de stad die rond de twee meren, het Dal-meer en het kleinere Nigeen-meer, groeide verschilt in niets van elke andere grote Indiase stad. Druk, drukker, drukst, stoffig, onaf en overbevolkt.

Vogelparadijs

Het contrast met de rust op het Nigeen meer kon niet groter zijn, want vanop de kamer in de klassiek ingerichte houseboat hebben we zicht op het meer waar alleen af en toe een eend kwaakt. Als Srinagar al een paradijs is, dan toch vooral een vogelparadijs. Bont gekleurde ijsvogels – de emblematische King Fishers – komen postvatten op het achterplecht van de boot terwijl ze geconcentreerd in het water turen tot ze plots in het meer plonzen en seconden later opduiken met een visje in de bek.

Tientallen arenden cirkelen boven het meer op zoek naar prooi in de graskanten en ganse eendenfamilies dobberen rustig door het kroos. De houseboat waar we logeren heet ‘Canada’. Een vreemde naam zo midden in een Indiase stad in de Himalaya, maar Sheik Ali verklaart meteen waarom hij zijn boot zo heeft genoemd.

Houten schip

Ali is inmiddels al 92 jaar oud, maar beweegt zich nog fluks doorheen zijn houten schip en toont trots foto’s van de oude Engelse film The Jewel in the Crown die zich voor een deel afspeelde op deze boot. ‘Het was de eerste woonboot die ik bouwde en hij had eerst een andere naam. Tot er twee Canadese jonge vrouwen kwamen logeren die voor de Canadese ambassade in Delhi werkten, ergens eind jaren zestig.’

‘Ze hadden geboekt voor drie dagen, maar werden verliefd op de streek en bleven uiteindelijk drie weken. Ze schreven al hun collega’s van de ambassades en hun vrienden in Canada aan, en ineens kregen we hier de crème de la crème van Delhi over de vloer: ambassadeurs, consuls en hun families. Ze huurden vaak gewoon de hele boot af voor een maand.’

Op bezoek

De dag voor ons vertrek zijn we uitgenodigd in het huis van Sheik Ali. Zijn zoon en kleinzoon pikken ons op bij de woonboot en we lopen door het park achter het meer naar het huis waar de Sheik met zijn familie woont. We worden naar het salon geleid waar we een vijftal minuten mogen antichambreren vooraleer Ali ons komt begroeten. We keuvelen over zijn gezondheid – ‘prima, geen klachten’- en over de geschiedenis van Srinagar.

Hij heeft de partition – de verdeling van India, Pakistan en Bangladesh in 1947 – en dus ook de splitsing van Kashmir nog meegemaakt. Over politiek praat Ali niet, wel over de gevolgen ervan: aanslagen en covid zijn namelijk slecht voor zijn toeristische business. Na vijf minuten brengt een vrouw thee en koekjes. ‘Dit is mijn nichtje’, stelt hij haar voor. ‘Ze is ook getrouwd met mijn zoon, maar ze is voor mij in de eerste plaats de dochter van mijn broer. Het zijn dingen die we doen: trouwen onder neven en nichten. Ik weet dat dat in het westen zeldzaam is, maar bij ons is dat normaal.’

Als de thee en het koekje op is, komt de kleinzoon – die ook al vooraan de dertig is – ons groeten. Ik vraag aan de Sheik – omdat het vrijdag is – of hij straks naar het vrijdaggebed in de moskee zal gaan. ‘Uiteraard’, glimlacht hij. ‘Maar mijn kleinzoon hier niet. Die bidt niet.’ Het lijkt de Sheik niet te deren. Ik vraag hem of hij dat erg vindt. ‘Helemaal niet’, lacht hij minzaam terwijl de kleinzoon afruimt en Sheik Ali langzaam uit zijn zetel opstaat. Het is ook voor ons het sein om recht te staan. ‘Ik weet dat hij zal bidden als hij wat ouder is. Dan bidt iedereen namelijk’, geeft hij ons nog mee. En ook: ‘Stuur maar veel van je vrienden naar hier. We kunnen het gebruiken’.

Alain Grootaers (1964) was achtereenvolgens profvoetballer (1 jaar), journalist (altijd al), hoofdredacteur, uitgever, radio- en tv maker, auteur, olijfboer, reisorganisator en documentairemaker. Sommigen zouden zeggen: twaalf stielen en dertien ongelukken maar zelf houdt hij het op: uomo universalis. Hij woont op een boerderij in Andalucía.

Commentaren en reacties