Cultuur

Ironie als wapen tegen mei ’68

mei '68
Titel
Van elk waarheen bevrijd
Auteur
Thierry Baudet
Uitgever
Prometheus
ISBN
9789044637359
Onze beoordeling
Aantal bladzijden
136
Prijs
€ 18.99
Koop dit boek online

Hoe is verzet mogelijk tegen een tijdperk dat zich nooit anders liet kennen dan als verzet? Hoe start je een opstand tegen mensen die alles tot opstand herleiden? Met ironie misschien? Dat lijkt Thierry Baudet gedacht te hebben tijdens het schrijven van zijn tweede roman ‘Van elk waarheen bevrijd’, een ironische beschouwing van de banaliteit van mei ’68.

Een wandeling door Parijs

De roman gaat over Philippe Gautier, een oude celloleraar die wandelend door Parijs over zijn verleden tobt en tracht te begrijpen waar het allemaal fout is gegaan. Zijn affaire, hoe hij zijn vrouw en kinderen verloor, hoe zijn generatie hun samenleving kapot maakte, alles loopt doorheen. Wie echter een woedende kritiek op de mei ‘68ers verwacht kan dit boek beter links laten liggen. Hier en daar verschijnen er wel enkele rechtse ideeën, wanneer Philippe over immigranten klaagt, met hun schotelantennes en uitkeringen, maar dat wordt dadelijk gevolgd door een ironisch ‘Laat de gedachtenpolitie me niet betrappen’. Philippe is en blijft een mei ‘68er. Hij kan zich dan wel prima in de diagnose van de Ondergang van het Avondland vinden, maar weigert elk verzet, dat laat hij met plezier aan enkele potsierlijke populisten over, voor wat het waard is. Philippe verzet zich niet tegen de grote vervanging, net zoals hij zich niet verzet wanneer hij zijn gezin kwijtraakt…

Philippe Gautier is letterlijk een ‘cuck’, een oud woord voor iemand wiens echtgenote vreemdgaat, maar in de taal van alt-rechts een zelfhatende westerling die meewerkt aan de vernietiging van het oude continent.

De Afrekening?

De tweede roman van Thierry Baudet is geen woedende afrekening met mei ’68. Daarvoor zijn de beschrijvingen van Philippe te liefdevol. Dat toont zich vooral wanneer hij zich – veilig achter het schild van zijn cello verborgen – uitleeft in zijn muziek. In hoeveel linkse (zijn er andere?) romans vind je zo’n tedere beschrijvingen van rechtse mensen? Is dat uit mededogen? Belazert Baudet hier niet zijn rechtse achterban door zo’n sympathiek beeld te schetsen van de vijand? Of is het net andersom?

De rechtse passages zijn eerder zeldzaam en duiken pas op vanaf de helft van het boek, hier en daar verspreid, als kruimels, of als aas voor de linkse lezer. Het grootste deel van het boek bestaat echter uit beschrijvingen van het hoofdpersonage. Daarbij hanteert Baudet zowel een oppervlakkige, duidelijk herkenbare ironie als een meer subtielere vorm. Er is de mei ’68er die ontdekt dat hij op zijn vader lijkt, de rebel die vrijheid plots verstikkend en ondragelijk vindt, ernaar verlangt vastgebonden te worden… Maar er is ook de veel subtielere ironische ondertoon waarmee het personage Philippe en uiteindelijk heel mei ’68 wordt beschreven. De vele cursiveringen, de uitroeptekens, de bij tijden bijzonder gevoelige en poëtische beschrijvingen die verspild lijken te zijn aan het grijze hoofdpersonage en dit clichéverhaal dragen allemaal bij aan het voortdurende gevoel dat je als lezer belazerd wordt, zonder goed te weten hoe of waar.

Eigen wapens

Die ironische houding is meer dan alleen maar een karaktertrek van de schrijver. Baudet begrijpt dat je mei’ 68ers niet kunt bestrijden met hun eigen wapens. Je kunt ze geen racist of xenofoob noemen, (of ‘oikofoob’, wat ze toch niet begrijpen). Meer nog: je kunt ze überhaupt niet bestrijden. Een generatie die zich in haar diepste wezen gekenmerkt weet door opstand valt niet te bekampen. Elk verzet botst immers op de glimlach van de trotse ouder die vaststelt dat zijn kinderen uiteindelijk toch zoveel op hem lijken… Verzet is overgave. Wat rest ons dan? Het verzet dat er geen is, ofwel: de ironie.

En daarin schuilt het effect van deze roman. Eerder dan Mei ’68 te bestrijden, door het ervan te beschuldigen dat het de oorzaak is van alle kwaad op aarde, de protagonisten te verheffen tot te duchten vijanden, transformeert het boek hen net tot banale figuren. Mei’68ers blijken uiteindelijk zielige mannetjes te zijn, die gewoon hun lul niet in hun broek konden houden, hun gezin niet konden samenhouden, hun samenleving niet konden verdedigen. Zielige mannetjes die dat nu beseffen en er spijt van hebben, maar het tegelijk nog steeds goedpraten met allerlei filosofische bla-bla over het einde van de geschiedenis. Uiteindelijk blijkt mei ’68 niet de oorsprong van alle kwaad te zijn, noch het ultieme bevrijdingsmoment, maar gewoon een banaal cliché.

David Dessin

David Dessin is de auteur van het boek 'God is een vluchteling' en werkt op de studiedienst van de N-VA.

Dit artikel delen of afdrukken




Commentaren en reacties


Kijk vooraf even op onze Spelregels en technische problemen
Reacties - klik hier

Voeg een reactie toe

https-doorbraak-be

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans