JavaScript is required for this website to work.
Multicultuur & Samenleven

Forum

Van de vrije meningsuiting beroofd

Mark Elchardus: ‘De anti-discriminatiewetgeving dient te worden herzien.’

Mark Elchardus is socioloog, auteur en emeritus hoogleraar aan de VUB.

21/12/2025Leestijd 5 minuten

foto © An Clapdorp/Ertsberg

Over vrije meningsuiting had John Stuart Mill gelijk: ‘Het is bijzonder kwalijk de vrije meningsuiting te beperken omdat men op die manier de mensheid berooft, de toekomstige zowel als de huidige generaties.’ We worden inderdaad beroofd.

Onder de paarse regering-Verhofstadt II, met Laurette Onkelinx op Justitie, werd de antiracismewet van 1981 herzien en werden de antidiscriminatiewet en de zogeheten genderwet ingevoerd. Die gaan veel verder dan het bestrijden van discriminatie. Zij stellen ook het aanzetten tot discriminatie, haat, geweld of segregatie strafbaar.

De vage notie ‘haat’ speelt niet enkel een rol in verband met ‘haatboodschappen’, maar ook in zogeheten ‘haatmisdrijven’. Misdrijven worden harder bestraft als de rechter meent dat zij zijn ingegeven door haat. ‘Haat’, ‘aanzetten tot’ en ‘ingegeven door’, het zijn vage begrippen en daarom gemakkelijk te gebruiken, niet om discriminatie te bestrijden, maar om de vrije meningsuiting te beknotten.

Wat is haat?

In 2015 vroeg de Belgische regering een evaluatie van de antidiscriminatiewetgeving. Zij wilde weten of die effectief bijdraagt tot het uitbannen van discriminatie. De evaluatiecommissie legde een tussentijds verslag neer in 2017 en haar eindverslag in augustus 2022. Daarin staat dat ze momenteel over onvoldoende gegevens beschikken om de doeltreffendheid van de huidige wetgeving te beoordelen.

De commissie had haar werkzaamheden dan kunnen stopzetten of opschorten tot die gegevens beschikbaar zijn. Waartoe dient een evaluatiecommissie die niet kan evalueren? Zij had ook een reeks andere pertinente vragen kunnen beantwoorden. Ik beperk me hier tot die over haatboodschappen en haatmisdrijven en laat het bestrijden van discriminatie buiten beschouwing. Niet omdat daar geen vragen bij te stellen zijn, maar omdat de commissie zelf de aandacht richt op haat.

‘De schade die wordt veroorzaakt door haatboodschappen (…)’, zo meent zij te weten, ‘is nog groter dan die welke door discriminatie veroorzaakt wordt’. Die nogal straffe uitspraak wordt op geen enkele manier onderbouwd.

Oordeelt de rechter dat ‘boem’ roepen hetzelfde is als een explosie veroorzaken?

Wat is haat? Is elke brutale, schokkende uitspraak over een bevolkingsgroep een blijk van haat? Hebben mensen overigens niet het recht om te haten, zolang dat niet leidt tot discriminatie of geweld? ‘Jullie zijn niet groot genoeg om geen haat en nijd te kennen. Wees dan groot genoeg je er niet voor te schamen’, schreef Nietzsche.

Hoe oordeelt een rechter of iemand ‘aanzet tot’ discriminatie, haat, geweld of segregatie? Wordt daarbij nagegaan hoe waarschijnlijk de band is tussen een uitspraak en die mogelijke gevolgen? Op welk onderzoek steunt de rechter daarvoor? Hoe wordt nagegaan of de persoon die spreekt of schrijft, een redelijke kans heeft de gevreesde gevolgen te veroorzaken? Of oordeelt de rechter dat ‘boem’ roepen hetzelfde is als een explosie veroorzaken? Ik vrees dat het daar zowat op neerkomt.

Peilen naar gevoelens

Over hoe de rechter dient te oordelen over de motieven van een misdaad, geeft de commissie advies. De rechter moet peilen naar de gevoelens van de vermeende dader: ‘De haat, het misprijzen of de vijandigheid die de dader voelt’. Worden op die manier ook misprijzen en vijandigheid meteen strafbaar? Waarom dan niet woede en afkeer … en alle andere gevaarlijk geachte emoties? Misschien meteen alle hevige emoties?

Maar het opmerkelijke in de stelling is dat de rechter moet bepalen wat iemand voelt. Psychologen die daarvoor zijn opgeleid, hebben daar vaak de grootste moeite mee. Geuite woorden of lichaamstaal zijn niet zo gemakkelijk in verband te brengen met gevoelens, behalve dan blijkbaar door rechters.

De evaluatiecommissie had ook kunnen nagaan wie op basis van de bestaande wetgeving wordt veroordeeld? Zijn dat mensen in posities invloedrijk genoeg om via ‘haatboodschappen’ discriminatie en geweld te veroorzaken, of zijn dat sociaal zwakke mensen die zich onhandig uitdrukken en weinig verweer hebben eens ze in een rechtszaak belanden? Wie dient klacht in? Zijn dat benadeelde individuen of eerder politiek gemotiveerde militanten? Wordt de wet eerlijk toegepast?

Een ideologische missie

Meer dan genoeg vragen dus, waarop de commissie via een analyse van rechtszaken had kunnen antwoorden. Zij ondernam daartoe geen enkele poging. Het is duidelijk dat zij geenszins wilde evalueren. Zij had een ideologische missie: het beperken van grondrechten als vrije meningsuiting en eigendomsrecht. Dat werd al snel aan de kaak gesteld in een dissenting opinion van de adjunct-rapporteur Matthias Storme, die gevoegd was bij het tussentijdse verslag van 2017. Dat had, spijtig genoeg, geen enkel effect op de verdere werking van de commissie.

Die wil zoveel mogelijk klachten, zoveel mogelijk rechtszaken, zoveel mogelijk erkende slachtoffers en zoveel mogelijk gestrafte daders. Zij pleit voor de benoeming van meer ambtenaren en magistraten om dat mogelijk te maken. Tal van instanties, zoals de arbeidsinspectie, de sociale inspectie, de economische inspectie en de ombudsdiensten moeten worden gemobiliseerd om actief klachten en rechtszaken te genereren.

De politie moet contact nemen met ‘groepen’ die vaak het slachtoffer zijn van discriminatie of haat

Gespecialiseerde instanties moeten zoeken naar ‘alarmsignalen’ die op mogelijkheden tot klacht en rechtszaak kunnen wijzen. Het indienen van klachten moet gemakkelijker worden, moet online kunnen, zonder veel vormvereisten. De bewijslast mag niet bij de vermeende slachtoffers liggen. De politie moet contact nemen met ‘groepen’ die vaak het slachtoffer zijn van discriminatie of haat, blijkbaar om meer klachten te solliciteren. Zij moet een speciale dienst inrichten om te speuren naar ‘cyberhaat’.

De repressie bemoeilijkt

De commissie wil dat ook kan worden geprocedeerd als er geen klacht van een slachtoffer is. Collectieve vorderingen, niet van slachtsoffers, maar van actiegroepen, dienen mogelijk te worden. Unia en het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouw en Man moeten rechtszaken kunnen aanspannen, ook als er geen slachtoffer is. Dat drukpersmisdrijven onder de huidige wetgeving voor assisen dienen te worden behandeld, bemoeilijkt de repressie.

Daarom pleit de commissie ervoor om alle zaken in verband met de discriminatiewetten voor de correctionele rechtbank te behandelen. Sinds 1999 worden drukpersmisdrijven ingegeven door racisme overigens niet meer met een jury behandeld. De commissie was ook onder de indruk van het woke-denken, met name van het begrip ‘intersectionaliteit’, het woke-idee dat verschillende, uiteenlopende minderheden toch allemaal verdrukt worden door de boze, witte, kapitalistische, hetero-normerende man en dat mensen die verschillende kenmerken van minderheden combineren (‘vrouw van kleur’ bijvoorbeeld) dus extra verdrukt worden. De commissie was van oordeel dat met intersectionaliteit rekening diende te worden gehouden.

‘Intersectionele discriminatie’

De Kamer besprak het verslag op 22 maart 2023. De groene fractie kondigde toen al triomfantelijk aan dat staatssecretaris Sarah Schlitz (Ecolo) de aanbevelingen al vlijtig implementeerde. De wetgeving werd in 2023 door de regering-De Croo (Open Vld) met als minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open Vld) herzien om rekening te houden met de aanbevelingen van de commissie. Zo krijgt onder meer Unia een nog belangrijker rol toebedeeld en doet het begrip ‘intersectionaliteit’ zijn intrede in onze wetgeving. Voor de slachtoffers van ‘intersectionele discriminatie’ moet de forfaitaire vergoeding gestapeld worden, een voor elk kenmerk van het slachtoffer.

Een wet werd aangepast, hoewel niet kon worden nagegaan of ze haar doel bereikt. Dat wekt het vermoeden dat het vermelde doel niet het werkelijke doel is. Wetgeving zogezegd gericht op het bestrijden van discriminatie en geweld – een doel dat brede steun geniet bij de bevolking – wordt misbruikt voor een ideologisch, repressief project, gericht op het beperken van de vrije meningsuiting. Dat is een van de vele voorbeelden van hoe de rechtsstaat wordt misbruikt voor politieke doeleinden. We moeten het klagen daarover achter ons laten en beginnen werken aan herstel.

Herzie de antidiscriminatiewetgeving

De antidiscriminatie-wetgeving is aan herevaluatie toe. Begrippen als ‘haat’, ‘haatboodschap’ en ‘haatmisdrijf’ moeten uit de wetgeving verdwijnen. De wet moet specificeren onder welke omstandigheden kan worden besloten dat een uitspraak ‘aanzet tot’ discriminatie of geweld. Er moet degelijke evidentie te zijn: een aangetoond statistisch verband tussen dezelfde of gelijkaardige uitspraken en de gevreesde gevolgen, redelijke aanwijzingen dat de persoon die de woorden zegt of schrijft voldoende invloed heeft om de gevolgen te veroorzaken.

In de geest van onze grondwet dient de notie pers uitgebreid tot de sociale media, en persmisdrijven zijn, ongeacht het vermeende motief, een zaak voor assisen. Toekomstige evaluaties van de wet dienen gericht op de wezenlijke vragen: vermindert ze discriminatie, voorkomt ze geweld, wordt ze eerlijk toegepast, wordt ze niet misbruikt voor het beperken van de vrije meningsuiting en het implementeren van een bepaald, daarenboven niet breed gedragen ideologisch project?

Mark Elchardus is socioloog, auteur en emeritus hoogleraar aan de VUB.

Commentaren en reacties