JavaScript is required for this website to work.
ANALYSE

Vlaams Mensenrechteninstituut: Vlaams activisme, beter activisme?

NieuwsRoan Asselman4/4/2026Leestijd 4 minuten

foto © Vlaams Mensenrechteninstituut via Belga

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Neem zelf ook een abonnement en lees alle plus-artikelen én ons driemaandelijks magazine.

Ik neem ook een abonnement

Een nieuwe dag, een nieuwe controverse over de rol van de mensenrechten in Europa. Met drie beslissingen hoopt het Vlaams mensenrechteninstituut (VMRI) de bewegingsruimte van politiek en privé terug te schroeven. Dat doet het in naam van de gelijkheid, in casu van moslims en transgenders. Ontpopt het Vlaams Mensenrechteninstituut zich zo tot weinig meer dan een ééntalig Unia?  

Op 31 maart velde de Geschillenkamer van het Vlaams Mensenrechteninstituut twee opmerkelijke oordelen. In een eerste beslissing oordeelde het Instituut dat moslima’s ‘indirect gediscrimineerd’ werden door een verbod op loszittende zwemkledij, opgelegd door Waregem Sport. In een tweede zaak kwam het Instituut tot dezelfde conclusie ten voordele van een transman (een biologische vrouw) zonder kunstpenis. Een spannende Speedo toont immers snel dat een transman geen ‘echte’ man is, waarmee Sportoase Montaignehof in Lanaken volgens het Instituut indirect discrimineert tussen transmannen en (andere) mannen.

Over die indirecte discriminatie zo meteen meer.

Bart Somers

Het Vlaams Mensenrechteninstituut (VMRI) is een spin-off van het federale (en meer bekende) Unia. Het heeft als algemene opdracht de bevordering van de mensenrechten in Vlaanderen. De oprichting ervan was het resultaat van een politiek compromis: in ruil voor de Vlaamse terugtrekking uit het door de N-VA verfoeide Unia, creëerde de Vlaamse regering in 2022 een eigen Unia. Voortrekker was Bart Somers (Open Vld), die als minister van Gelijke Kansen dit punt van het regeerakkoord tussen N-VA, cd&v en Open Vld uitvoerde.

De oprichting van het VMRI was het resultaat van een politiek compromis.

Veruit het belangrijkste orgaan van het Mensenrechteninstituut is de Geschillenkamer. Hierbij kunnen mensen (en niet alleen Vlamingen) klacht indienen wanneer zij denken het slachtoffer te zijn van discriminatie in een domein dat tot de Vlaamse bevoegdheden behoort (onderwijs, welzijn, sport etc.). Wie gaat zwemmen, en zijn verkozen zwemoutfit niet kan dragen, bijvoorbeeld. De Geschillenkamer is uitsluitend bevoegd voor discriminatiekwesties en niet voor andere mensenrechtenschendingen, zoals inbreuken op de vrije meningsuiting.

Indirect discrimineren   

De uitspraken van de Geschillenkamer zijn niet-bindend. Dat betekent evenwel niet dat ze geen impact hebben. Wie negatief beoordeeld wordt, komt onder publieke en politieke druk om zijn handelen te veranderen. Zo bestaat het mandaat van Mensenrechteninstituut onder meer uit het doen van ‘aanbevelingen’ aan organisaties die door de Geschillenkamer negatief beoordeeld werden. Verder zijn de beslissingen van de Geschillenkamer een vorm van soft law voor (echte) rechters. Een magistraat die een zwemmende moslima of transman een schadevergoeding wil toekennen, zal zich gesterkt voelen door het oordeel van het Instituut.

Een belangrijk begrip in de rechtspraak (rechtbanken en hoven) en quasi-rechtspraak (VMRI, Unia) is de ‘indirecte discriminatie’. Indirecte discriminatie vindt plaats wanneer een ‘ogenschijnlijk neutrale’ maatregel sommige mensen ‘bijzonder kan benadelen’. Noteer dat daarbij niet aangetoond moet worden dat de maatregel een discriminerende intentie heeft, noch dat een werkelijke benadeling plaatsvond; het volstaat dat de regel een negatieve impact kan hebben op personen die tot een beschermde categorie behoren.

Zwemmen in Vlaanderen

De beslissingen van Waregem Sport en Sportoase Montaignehof om loszittende zwemkledij te verbieden, zijn volgens het Mensenrechteninstituut voorbeelden van maatregelen die slechts ogenschijnlijk neutraal zijn. Ja, het verbod geldt voor iedereen (en discrimineert dus niet ‘direct’), maar is in de praktijk alleen een obstakel voor zwemmers die enkel loszittende kledij ‘kunnen’ dragen, zoals moslima’s en penisloze transmannen. Dus besloot de Geschillenkamer dat Waregem Sport indirect discrimineerde op basis van religie, Sportoase Montaignehof op basis van genderidentiteit en genderexpressie.

Dit soort beslissingen zijn koren op de molen voor critici van mensenrechteninstanties. Vlaamse politici, bedrijven en verenigingen verloren de voorbije decennia een belangrijk deel van hun beleidsmarge door een ruime, moderne invulling van oude mensenrechten. Zo oordeelde de Geschillenkamer dat het doel van beide zwembaden, met als voornaamste de zwemhygiëne op peil houden, wel ‘legitiem’ was, maar dat de verboden niet ‘passend en noodzakelijk’ waren om dit doel te realiseren. Lees: er zijn volgens het Instituut alternatieven denkbaar, dus moeten beide organisaties dat ook doen.

En dan: de hoofddoek

Beide zwembadzaken vlogen de voorbije dagen wat onder de radar, toch in vergelijking met het oordeel dat de Geschillenkamer twee dagen later velde. Daarin oordeelde hij dat het kentekenverbod in het Gemeenschapsonderwijs (GO!), het verbod om religieuze accessoires te dragen, moslimmeisjes, jawel, indirect discrimineert.

De Geschillenkamer oordeelde dat het kentekenverbod moslimmeisjes indirect discrimineert.

Volgens de Geschillenkamer heeft het GO! legitieme voornemens, maar streeft het deze op de verkeerde manier na. Ja, het aanbod van neutraal onderwijs en de voorkoming van druk op leerlingen om een bepaald kenteken (lees: de hoofddoek) te dragen zijn belangrijk, maar een algemeen verbod is, opnieuw, niet ‘gepast’. Daarmee bedoelt de Geschillenkamer in feite dat de maatregel niet proportioneel is. Wat de voorkoming van druk op leerlingen betreft, stelt de Kamer bovendien dat het GO! niet bewijst dat een verbod ‘noodzakelijk’ is om dit soort druk te verminderen. ‘Deze adviezen waren al geklasseerd voor ze geschreven waren’, reageerde Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) misnoegd.

Het mensenrechtencontentieux is omstreden. De toepassing van 20ste-eeuwse beginselen in een 21ste-eeuwse context, is een klus die almaar opnieuw de grenzen van ‘evolutieve interpretatie’ aantoont. Bovendien trekken instanties met als statutaire opdracht de promotie van mensenrechten meestal mensen aan die positief staan ten aanzien van diezelfde mensenrechten, wat een interventionistische opstelling in de hand werkt. Een probleem zonder eenvoudige oplossing.

Roan Asselman (1996) is journalist, analist en redacteur van Doorbraak. Hij concentreert zich op de impact van massamigratie op Europese natiestaten, de invulling van politieke rechten in het digitaal tijdperk en de ethische vraagstukken binnen de (bio)medische wetenschap. Roan is jurist en bio-ethicus (beide KUL) en behaalde een postgraduaat in het vermogensbeheer (EMS).

Commentaren en reacties