JavaScript is required for this website to work.
Binnenland

1,2 of 1,5 of 2 miljard… wat is het nu?

De transfers via de financieringswet

Pieter Bauwens6/2/2012Leestijd 8 minuten

Onlangs ontstond er nogal wat verwarring over de hoogte van de transfers via de financieringswet. De oorzaak was een publicatie door het CRISP. La Libre Belgique had gelezen dat de transfer 1,3 miljard bedroeg. La Dernière Heure had beter gelezen en 1,5 miljard gevonden. Terwijl in de tekst van het CRISP een bedrag stond van 2 miljard. Knack had de cijfers afgerond naar 1,2 miljard. Wat is het nu? Herman Deweerdt heeft het rapport geanalyseerd en komt tot onderstaande bevindingen. 

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

We geven eerst de besluiten.

1. De publicatie van het CRISP is zeer verdienstelijk omdat ze probeert een overzicht te bieden van de transfers via de financieringswet vanaf het begin (1990) tot 2010. Hoewel in de inleiding en het besluit sprake is van een uit Vlaanderen wegstromende transfer van 2 miljard in 2010, is het slechts met zoek- en puzzelwerk mogelijk om aan een bedrag te komen van 1,5 miljard in dat jaar.
2. Een juiste berekening op basis van de feitelijke dotaties en de door de auteurs gebruikte verdeelsleutels geeft ruim 1,6 miljard of zelfs ruim 1,7 miljard naargelang in Brussel rekening wordt gehouden met een verdeling van de bijdragen op basis van 10 % of 20 % voor het Nederlandstalig onderwijs.
3. Als ook rekening wordt gehouden met enkele verwaarloosde transfers komt hier nog 30 of 80 miljoen bij zodat we op bijna 1,7 of ruim 1,8 miljard komen.
4. Hier staat tegenover dat naar onze mening het aandeel van Vlaanderen in de financiering van de dotaties zou kunnen overschat zijn. Dat zou de transfers dan kunnen terugbrengen tot 1,5 of 1,6 miljard.
5. Het is duidelijk dat de transfers in Wallonië niet meer gerelativeerd, geminimaliseerd of ontkend worden. Wat in Vlaanderen hier en daar wel nog het geval is.
6. Het is ook merkwaardig dat Vives in 2007 slechts op een bedrag kwam van 1 miljard.

Lees meer …

Een onderzoeksrapport waar in de inleiding staat dat de transfers meer dan twee miljard bedragen, waar verder geen enkel cijfer staat dat er bij benadering op lijkt, en waar in het besluit staat dat ze in orde van grootte twee miljard bedragen, ongeveer gelijk verdeeld over Gewesten en Gemeenschappen, wat ook niet uit de cijfers af te leiden is, kan moeilijk beschouwd worden als het resultaat van een ernstig wetenschappelijk onderzoek. Dit is wat Prof. Giuseppe Pagano (lid van de Hoge Raad voor Financiën), en twee leden van zijn wetenschappelijk team van de universiteit van Mons, (Julien Vandernoot en Thomas Tyrant), presteren in een brochure van het CRISP (Centre de recherche et d’information socio-politiques): ‘Vingt ans de solidarité entre les entités fédérées (1989-2009)’ Vrij vertaald: de transfers via de bestaande financieringswet vanaf het begin tot 2010.

Het is al acht jaar geleden dat er nog transferstudies over een langere periode verschenen zijn. KBC, ABAFIM en In de Warande behandelden de periode 1990 – 2003. Ze hadden het over de transfers in de sociale zekerheid, in de financiering van Gewesten en Gemeenschappen, in de andere federale uitgaven en (alleen In de Warande) ook de interesten op de overheidsschuld. Volgens In de Warande bedroegen de uit Vlaanderen wegvloeiende geldstromen via de financiering van Gewesten en Gemeenschappen, (waar het CRISP-rapport dus over gaat), 1,3 miljard of 12,5 % van de totale transfers in 2003.
Niettemin is de studie van het CRISP interessant. Bepaalde hoofdstukken zijn zeer degelijk en waardevol. Andere veel minder. Hierna volgen wij de indeling van de brochure en we beperken onze commentaar tot de meest markante punten, vooral m.b.t. de transfers in 2010.

BBP per inwoner en personenbelasting per inwoner in de periode 1989-2009

T.o.v. het Belgisch bbp per inwoner:
• is in Vlaanderen het bbp per inwoner trendmatig geëvolueerd van 4 procent eronder tot 1 % eronder.
• is in Wallonië het bbp per inwoner ongeveer constant gebleven; namelijk van 25 % eronder tot 27 % eronder.
• is in Brussel het bbp per inwoner trendmatig geëvolueerd van 109 % erboven tot 92 % erboven.
T.o.v. de Belgische personenbelasting per inwoner:
• is in Vlaanderen de personenbelasting per inwoner trendmatig gestegen van 2,4 % erboven tot 9,8 % erboven.
• is in Wallonië de personenbelasting per inwoner trendmatig gedaald van 8,5 % eronder tot 13 % eronder.
• is in Brussel de personenbelasting per inwoner trendmatig gedaald van 13,8 % erboven tot 14,7 % eronder.

De auteurs zien in deze toenemende verschillen tussen de Gewesten, zowel in de welvaart die op hun grondgebied wordt voortgebracht als in de fiscale capaciteit van hun inwoners, de bestaansreden voor de solidariteit en voor het toekennen, in alle objectiviteit, van bijkomende middelen aan Brussel. Wij zien hierin de dringende noodzaak om in Wallonië en Brussel de handen uit de mouwen te steken en de transfers af te bouwen.

Transfers via de financiering van de Gewesten (2010 in miljoen €)
Transfers in Vlaanderen, Wallonië en Brussel, respectievelijk: 709 / – 518 / – 191
Hierbij is geen rekening gehouden met de transfers in de bijkomende middelen, in de trekkingsrechten en de verborgen transfer via de negatieve term. Vooral deze laatste transfer is voor Brussel en Wallonië relatief belangrijk.

Transfers via de financiering van de Gemeenschappen (2010 in miljoen €)
Hier gaan de auteurs de mist in. De benadering is onvolledig, inconsistent, voor sommige elementen fout en voor andere op zijn zachtst zeer betwistbaar.
Transfers in de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, respectievelijk: 785 / -785
Deze transferbedragen zijn beïnvloed door drie belangrijke factoren.

1. De demografische factor of nataliteitsfactor (de evolutie van het aantal personen onder de 18 jaar). Volgens de financieringswet wordt het basisbedrag van de BTW-dotatie jaarlijks aangepast met (o.a.) de hoogste nataliteitsfactor van de twee Gemeenschappen. Dit was gedurende heel de beschouwde periode deze van de Franse Gemeenschap. De auteurs zijn van mening dat op die manier de Vlaamse Gemeenschap genoten heeft van ‘een subsidie voor leerlingen die niet bestaan of op een voordelige manier gesubsidieerd werd voor de bestaande leerlingen’. In 2010 zou deze subsidie 337 miljoen bedragen. Een vorm van solidariteit t.l.v. de federale overheid. Schrijven de auteurs. Het nettobedrag van deze solidariteit stemt voor de Vlaamse Gemeenschap overeen met 119,3 miljoen. Volgens een redenering die wij niet kunnen volgen wordt deze 119,3 miljoen in mindering gebracht van de uit Vlaanderen wegvloeiende geldstroom en ook in mindering gebracht van de naar de Franse Gemeenschap toevloeiende geldstroom.
a. Ofwel berekent men de transfer op de werkelijke dotaties (dit is de enige juiste methode). Dan bedraagt de transfer 902 miljoen. (Met de financieringssleutel die de auteurs gebruiken.)
b. Ofwel berekent men de transfer op de werkelijke dotaties maar voor de Vlaamse Gemeenschap tendentieus gesplitst in 337 (als een soort speciale solidariteitsbijdrage van de federale overheid) en de rest. Dan blijft de transfer 902 miljoen.
c. Ofwel vermindert men de dotatie aan de Vlaamse Gemeenschap met 337 miljoen (wegens onverantwoord of zoiets). Dan bedraagt de transfer 1,117 miljard. Men kan bezwaren hebben tegen de financieringswet. Wij ook. Maar een transferberekening moet het verschil bepalen tussen de werkelijke dotaties en de bijdragen hiervoor. Zo niet zijn de grootste zottigheden denkbaar.
d. De hersenkronkels die de auteurs tot aanzienlijk lagere transfers brengen zijn dus niet te volgen.

2. Voor de berekening van de fiscale bijdragen ter financiering van de dotaties stelt zich bij een transferberekening de vraag naar één of meerdere objectieve, realistische verdeelsleutels. Dit is de Achillespees van iedere transferberekening. We gaan hier niet dieper op in, behalve op één aspect. Voor de verdeelsleutel van de dotatie die voorafgenomen wordt van de personenbelasting bepaalt de financieringswet dat de bijdrage van Brussel aan de beide gemeenschappen gebeurt in de verhouding 20 NL/80 FR. Er is geen enkele reden om bij transferberekeningen deze verdeelsleutel ook te gebruiken voor de bepaling van de fiscale bijdragen van Brussel aan de twee Gemeenschapen. De auteurs doen dit nochtans wel aangezien zij geen transfers vermelden op de dotatie ‘uit’ de personenbelasting aan de Gemeenschappen. Voor de financiering van de dotatie ‘uit’ de BTW zijn zij echter van mening dat de verhouding 10/90 realistisch is. Hiervoor steunen zij zich op het aantal stemmen op Franstalige lijsten bij de regionale verkiezingen van 2009, namelijk 88,8 % en op het aantal documenten afgeleverd door de Brusselse administraties in het Frans of het Nederlands.

Wij vinden deze 10/90 niet realistisch om de volgende redenen:
a. Transfers gaan niet over taal maar over de verschillen tussen geldstromen. In dit geval tussen de BTW- dotaties aan en de fiscale bijdragen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap vooral voor hun bevoegdheid betreffende onderwijs. De dotaties zijn wettelijk vastgelegd en nauwkeurig gekend. Blijft nog de vraag: welke Gemeenschap levert welke financiële bijdrage voor de financiering van deze BTW-dotatie? In Brussel geeft dit altijd problemen omdat de inwoners niet per Gemeenschap kunnen geïdentificeerd worden.
b. Het aantal personen dat voor hun kinderen beroep doet op Nederlandstalige en Franstalige scholen in Brussel zou een sleutel kunnen zijn. Eenvoudig is dit echter niet.
i. Als we het geografisch gebied beperken tot BHG, Waals-Brabant, de zes faciliteitengemeenten en de rest van Vlaams-Brabant, dan heeft iedere school in deze gebieden leerlingen uit één of meerdere van de andere gebieden. Bovendien hebben vooral de scholen in Brussel veel leerlingen van vreemde afkomst. (Ongeveer 60 % van de Brusselse bevolking is van vreemde afkomst.)
ii. Van alle kinderen in de Vlaamse scholen in Brussel woont 75 % in Brussel. 57 % woont in een gezin waar geen van beide ouders Nederlands spreekt. 44 % woont in een gezin met een ‘niet-westerse cultuur’. (Bron: VGC) Het zou dus kunnen dat de helft, of zelfs veel meer, van de ouders die hun kinderen naar Vlaamse scholen sturen niet voor Vlaamse lijsten stemmen. De 10/90 regel op basis van de stemmen die de Vlaamse lijsten halen is hiermee verworpen als helemaal niet realistisch.
iii. Op basis van wetenschappelijk onderzoek komt ‘Brussels Studies’ (19 januari 2009) tot de volgende cijfers over het aantal leerlingen in Brussel: Franstalig 80 %; Nederlandstalig 17 %; Europese en internationale scholen 3 %. Dit wil zeggen dat het Nederlandstalig onderwijs 17,5 % van het aantal leerlingen telt dat door de beide gemeenschappen gesubsidieerd wordt. In diverse kringen, ook Franstalige, worden deze cijfers als de meest betrouwbare aanzien.
iv. Hiermee zijn we nog niet aan het aantal ouders. Het geboortecijfer bij de vreemdelingen ligt beduidend hoger dan bij de Vlamingen en ook hoger dan bij de autochtone Franstalige Brusselaars. Het percentage ouders achter de Vlaamse scholen is dus hoger dan 17,5
v. Hiermee zijn we nog niet aan de fiscale capaciteit van de ouders. Per belastingsaangifte ligt de personenbelasting in Vlaanderen 28 % hoger dan in Brussel. Uiteraard zijn dit gemiddelden. Bij de vreemdelingen in Brussel is de tewerkstellingsgraad aanzienlijk lager en de werkloosheidsgraad aanzienlijk hoger dan bij de autochtone bevolking. Hun bijdrage in de belastingen is dus aanzienlijk lager. Aangezien de vreemdelingen een kleiner aandeel uitmaken in de groep ouders achter de Nederlandstalige scholen dan in de groep ouders achter de Franstalige scholen is dit ook een factor die de fiscale capaciteit achter de Vlaamse scholen verhoogt.
c. Het is onmogelijk om alle hiervoor genoemde effecten exact te kwantificeren. De uitkomst ligt echter zeker boven de 17,5 % Als de auteurs van het CRISP-rapport op basis van 11,2 % stemmen voor de Vlaamse lijsten beweren dat 10 % realistisch is, dan beweren wij dat 20 % met een marge van ± 2 % veel realistischer is. De auteurs hebben ook op basis van de 20/80 verdeelsleutel een berekening gemaakt. Zij komen dan op een transfer voor de BTW-dotatie die 100 miljoen groter is, namelijk 1.000 miljoen i.p.v. 902 miljoen volgens de verdeling 10/90.

3. De auteurs gebruiken als procentuele verdeelsleutel voor de personenbelasting in Vlaanderen, Wallonië en Brussel Hoofdstedelijk Gewest respectievelijk: 63,43 / 28,18 / 8,38 %. Dit is, in 2010, voor Vlaanderen vermoedelijk aan de hoge kant. Voor de BTW bestaat er geen verdeling waarover een algemene consensus bestaat. De auteurs gebruiken dezelfde sleutel als deze voor de personenbelasting, omgeslagen naar de Gemeenschappen, hetzij op basis 20/80 of 10/90 in Brussel. Als het beschikbaar inkomen als basis zou gebruikt worden voor de BTW dan zou de verdeling als volgt zijn: 61,17 / 29,17 / 9,66 %. We houden het bij de benadering van de auteurs, maar toch met de bedenking dat de bedragen in de tabel (lijn 2 en 3) mogelijkerwijze met 150 à 200 miljoen overschat zijn.

Transfers via de financieringswet (2010 in miljard)

  VLWABHGFr GeM
1Tabellen en tekst1,5-0,5-0,2-0,8
2EB Formule 10/901,6-0,5-0,2-0,9
3EB Formule 20/801,7-0,5-0,2-1

bron: CRISP en eigen berekeningen
1 Terug te vinden in de CRISP-brochure
2 Eigen Berekening op basis CRISP-gegevens en 10/90 in BHG
3 Eigen Berekening op basis CRISP-gegevens en 20/80 in BHG

Besluit
1. De publicatie van het CRISP is zeer verdienstelijk omdat ze probeert een overzicht te bieden van de transfers via de financieringswet vanaf het begin (1990) tot 2010. Hoewel in de inleiding en het besluit sprake is van een uit Vlaanderen wegstromende transfer van 2 miljard in 2010, is het slechts met zoek- en puzzelwerk mogelijk om aan een bedrag te komen van 1,5 miljard in dat jaar.
2. Een juiste berekening op basis van de feitelijke dotaties en de door de auteurs gebruikte verdeelsleutels geeft ruim 1,6 miljard of zelfs ruim 1,7 miljard naargelang in Brussel rekening wordt gehouden met een verdeling van de bijdragen op basis van 10 % of 20 % voor het Nederlandstalig onderwijs.
3. Als ook rekening wordt gehouden met enkele verwaarloosde transfers komt hier nog 30 of 80 miljoen bij zodat we op bijna 1,7 of ruim 1,8 miljard komen.
4. Hier staat tegenover dat naar onze mening het aandeel van Vlaanderen in de financiering van de dotaties zou kunnen overschat zijn. Dat zou de transfers dan kunnen terugbrengen tot 1,5 of 1,6 miljard.
5. Het is duidelijk dat de transfers in Wallonië niet meer gerelativeerd, geminimaliseerd of ontkend worden. Wat in Vlaanderen hier en daar wel nog het geval is.
6. Het is ook merkwaardig dat Vives in 2007 slechts op een bedrag kwam van 1 miljard.

Herman Deweerdt

Pieter Bauwens is sinds 2010 hoofdredacteur van Doorbraak. Journalistiek heeft hij oog voor communautaire politiek, Vlaamse beweging, vervolgde christenen en religie.

Commentaren en reacties