Filosofie, Politiek
conservatisme

Anton Jäger schrijft terug: brief 1

Van autocratie naar Audi-cratie

Deze brief is deel van het crowdfunding-project ‘links en rechts in dialoog’: lees hier de brief van Sid aan Anton Jäger. 16 augustus is er een evenement in Amsterdam. Video hier.

Beste Sid,

Dank voor je uitbundige brief. Zoals gewoonlijk bied je een berg stof om over na te denken, om op te kauwen, om dan misschien met wat moeite en indigestie te verwerken. Om het mee ‘oneens’ te zijn, tenslotte, zoals elke correspondentie betaamt. Maar waarom een debat houden zonder extreme meningsverschillen?

Zugzwang

Maar sta mij een korte omweg toe. Het Duits bezit een mooie term die vooral in het schaakjargon gebezigd wordt: Zugzwang  (je zou het wat inschikkelijk als ‘dwangzet’ kunnen vertalen, al verlies je daarmee de prachtig Germaanse alliteratie). De Zugzwang  verwijst naar de aan elke regelmatige schaker bekende situatie waarin één speler door de andere verplicht wordt een bepaalde zet uit te voeren, aangezien de koning schaak staat. Dat impliceert doorgaans een verlies aan arsenaal, aangezien het veld van de tegenstander openligt — een steek in het hart. Een goede speler probeert zulke zetten normaal te voorkomen.

Je brief heeft soms iets weg van die Zugzwang. Wat oogt als een uitnodiging tot debat is in feit een poging om bepaalde aannames vast te schroeven, om de lezer een labyrint in te lokken waarvan alleen jij de plattegrond bezit. Dat lijkt me niet bepaald fair.

Ik wil vooraf aangeven dat ik me niet echt terugvind in de schets van mijn gedachtegoed die je in de opening van de tekst biedt. Het klopt zeker dat het woord ‘cultuurmarxisme’ iets detecteert, iets dat de laatste dertig jaar is misgelopen ter linkerzijde (ter rechterzijde ook, al zijn die problemen niet per se dezelfde) en dat dat ‘iets’ ook slechte effecten heeft op onze samenleving in het geheel. Conservatieven hebben dat goed door, maar — zo betoog ik — ze ontberen instrumenten om die effecten volledig te peilen.

De conservatief vandaag

Ik vergelijk de hedendaagse conservatief graag met een terminale patiënt. Die ontwaakt uit verdoving, en beseft nu dat zijn toestand lamentabel is. Er is dus besef van een crisissituatie.

Maar besef is nog geen begrip. Een patiënt kan inzien dat zijn of haar toestand labiel is zonder tot een afdoende diagnose van zijn of haar ziekte te hebben (net daarom gaan we naar de dokter, maar dat is een andere kwestie).

De conservatief vandaag — of de slimme conservatief alleszins, aangezien er ook veel imaginaire zieken rondlopen — is een persoon met heel veel besef zonder begrip. De puinhoop van de globalisering en al haar onpersoonlijke dreigingen roept bij hem of haar een authentieke verontwaardigding op (ik geef het grif toe, ik lees bepaalde conservatieven graag, zoals Patrick Deneen en zijn Why Liberalism Failed). Maar het leidt zo zelden tot echte penetrante analyse of machtsanatomie. In de plaats blijft er — zoals bij elke hopeloze patiënt — kwakzalverij. Zoals de Vlaamse filosoof Frank Vande Veire het probleem samenvat:

‘Het conservatisme spot graag met de excessen van de linkse politieke correctheid, maar het is zelf nog stuurlozer dan links. Het is al lang dermate inhoudsloos geworden dat het de verdediging van “de westerse cultuur” overlaat aan trotse cultuurbarbaren als Silvio Berlusconi, Viktor Orbán en Donald Trump.’

Het concept ‘cultuurmarxisme’ is zo’n kwakzalversmiddel. Daarmee proberen conservatieven een onoverzichtelijke chaos aan fenomenen te verklaren aan de hand van het kwaadaardig werk van een paar overbetaalde professoren of voltijdsactivisten. Onze patiënt verdient beter.

Nieuwe analytische as

Dat leidt me naar de nieuwe analytische as die je voorstelt in je tekst — de tegenstelling ‘kosmopolitische voorrangspolitiek’ versus ‘populistisch protectionisme’. Daarmee doel je op een onverenigbaar belangenconflict tussen twee groepen vandaag: nationaal georiënteerde arbeiders versus internationale bobo’s, de kleine loodgieter versus de mobiele tech-werknemer, Macron tegen Le Pen.

Je hebt zeker gelijk dat een groot deel van de ‘oude’ arbeiders vandaag een veilige haven in hun natiestaat gevonden hebben. Dat tegenover de nieuwe middenklasse, die veel globaler geënt is. Die situatie is echter geen historische constante. In de twintigste eeuw lag die verhouding bijvoorbeeld andersom. De arbeidersklasse was toen internationaal georganiseerd in een reeks organisaties zoals de Komintern  (als je dieprood was), of in de ILO, terwijl de middenklasse net erg aan het nationale niveau gehecht was.

Akkoord, dat landschap oogt nu anders. Dat is mede doordat de twintigste-eeuwse arbeidersbeweging juist binnen het kader van de natiestaat een reeks sociale rechten wist te verwerven (rechten die nu overal in Europa onder druk staan, maar die sinds de jaren 1950 wel een bepaald strijdveld uitzetten). Die nationale verankering had zo zijn voordelen en nadelen, maar het was destijds de enige mogelijkheid tot machtsverovering.

Mussolini’s ‘proletarische natie’

Die internationale organisatie liep voor het eerst op de klippen in de jaren 1910, toen de Europese sociaaldemocratie zich uitsprak voor de wereldoorlog. Toen was er ook al een poging om de wereld op die nationalistisch-kosmopolitische as te herijken – om van een strijd ‘tussen klassen’ een strijd ‘tussen landen’ te maken, zoals Lenin ooit zei. Mussolini en zijn fascisten zijn daarvan een prachtig voorbeeld. Die hadden het idee van Italië als ‘proletarische natie’, een land van achterblijvers dat pas laat aan de imperialistische race begon en daarom nog net iets fanatieker moest moorden in Ethiopië. Zij stelden Italië tegenover ‘burgerlijke naties’ als Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, ‘naties van winkeliers’, gevuld met spaarders en boekhouders.

Mussolini’s manoeuvre verdoezelt niet alleen de klassenverschillen in de ‘proletarische natie’ zelf (in het Italië van de jaren dertig moest een deel van de bevolking nog steeds zijn handen verkopen aan een ander deel van de bevolking, wat het idee van een klasseloze samenleving onder het fascisme nogal loochende). Het maakt het ook onmogelijk om na te denken over welke andere klassen er in die andere ‘naties van winkeliers’ actief zijn en of die klassen soms dezelfde belangen hebben. Zoals Engelse historicus E.H. Carr ooit mooi aangaf:

‘De suprematie van de geprivilegieerden in een samenleving kan soms zo overweldigend zijn dat hun belangen voor die van de samenleving in haar geheel komen te staan, aangezien hun welvaart onvermijdelijk ook een deel welvaart voor de andere leden van die samenleving oplevert, en hun neergang de neergang van de samenleving zelf zou impliceren.’

‘Weinig plaats voor barmhartigheid’

Oswald Spengler reflecteerde op eenzelfde kwestie in de vroege jaren 1920 — de schrijver die zowel ‘Hitlers boekenwurm’ (Ishay Landa) als ‘groot cultuurcriticus’ (Adorno) genoemd werd. Spengler hield natuurlijk niet van een wereld waarin mensen tot ‘accessoires van hun economische toestand werden gereduceerd’ en waar de ‘menselijke geschiedenis “verklaard” werd aan de hand van noties als prijs, markt en handelswaar.’

Tegelijk dacht Spengler dat er in de toekomstige strijd tussen nationalisten en kosmopolieten weinig plaats was voor barmhartigheid. Ook niet tussen volksgenoten. Na de oorlog waren de Duitse ondernemers en jonkheren immers ‘opgeofferd aan de dictatuur van de partijpolitiek’ (die van de sociaaldemocraten, bovenal, want de andere partijen stelden electoraal weinig voor).

Die dictatuur zou moeten worden afgeschaft worden met een verbod op stakingen, aangezien die ‘anti-Pruisisch’ waren en toch een ‘private aangelegenheid’. Ook voor andere socialistische hebbedingetjes, zoals de zondagsrust en hogere belastingen op kapitaal, had Spengler weinig tijd — sowieso was de zondagsrust een christelijk idee. Als het over belastingen ging, stelde hij, ‘heeft de economie het eerste woord, niet de jurist, de professionele politicus, of de ambtenaar’. Spengler maakte zich zorgen over culturele ellende. Hij wilde een verenigde, sterke Duitse natie. Maar hij was erg duidelijk over de sociale prijs die daarvoor aan de onderkant zou worden betaald — een ‘poolnacht van ijs en duisternis’, zoals Max Weber ooit zei.

Politieke kantelingen

Je hebt zeker gelijk dat er vandaag heel wat politieke kantelingen op til zijn. De wereld verandert snel, zo snel dat sommigen er wat duizelig van worden. Zo nu en dan verliest iemand zijn politieke zenuwen. Zowel neoliberalen als nationalisten zoeken hun nieuwe as, aangezien daarmee hun respectievelijk kiespubliek gemobiliseerd wordt om oude linkse en rechtse krachten buitenspel te zetten. Macron doet dat met zijn Parijse burgerij, Le Pen met haar agrarische achterban.

Maar ik betwijfel of die strijd een wereld zal voortbrengen waarin een echte conservatief zich thuis voelt. Vroeger zei men tegen de communist vaak: ‘Als het u niet zint vertrek dan naar Rusland.’ Waarom zou de nationalist van vandaag dan niet naar Hongarije verhuizen? Het Hongarije van Orbán heeft de pers gemuilkorfd en beoefent stevige loondrukkingen. Terwijl het de grenzen sluit voor vluchtelingen opent het de grenzen voor het grootkapitaal, met name de Duitse exportindustrie. Die krijgen in Boedapest ‘Europese werknemers met Chinese lonen’, een ‘autocratie’ die verwordt tot een ‘Audi-cratie’.

Een meelijwekkend beeld

Zo ziet het leven op die nieuwe as er dus uit. De nationalisten blijven fabeltjes verkopen over de natie: Wilders over de Efteling, Francken op Twitter, naakte Instagram-kiekjes bij Baudet. Het hedendaagse conservatisme zet het nieuwlinkse feest van de slechte smaak lustig verder. Het mag jou misschien ‘hip’ lijken, dat rechts een punk-image heeft. Maar ik vind het een meelijwekkend beeld. Dan blijf ik als oubollige sociaaldemocraat toch aan wat burgerlijke standaarden vasthouden: ik lees liever een pagina Spengler dan een bibliotheek Baudet. Die had nog verzorgde taal, beheerste zijn vakjargon, had tafelmanieren en ging niet uit de kleren op zijn portretten.

En Orbán bewijst het: onder de nieuwe as zet de klassenstrijd zich nog altijd gezellig voort — zowel tussen landen, binnen landen, en over landen heen. Dat er de laatste dertig jaar fouten zijn gemaakt ter linkerzijde verplicht mij niet tot een kader dat uiteindelijk garant staat voor meer Verelendung. Voor het begin van een schaakspel bestaat er één voorwaarde: dat de regels duidelijk moeten zijn. Hopelijk is dat nu het geval.

Tot schrijfs,

Anton


Vond u deze brief de moeite waard? Bezoek dan ook het event in Amsterdam en steun hier de bijbehorende crowdfunding, zodat dit ook in boekvorm verschijnt.

Anton Jäger

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans