fbpx


Binnenland

April, dat is 30 dagen wachten op mei

De perscommentaren van de voorbije maand



‘Ik ben niet onder de indruk van deze veroordeling’. Vooraleer iemand deze woorden in de mond van een burgemeester zou leggen: het was Le Soir die deze uitspraak van Frank Vandenbroucke als ‘choquerend’ beschreef op 2 april.

Bart Sturtewagen van De Standaard had de dag voordien al alle registers opengetrokken: ‘De Belgische staat kan niet zo lang en verregaand de bewegingsvrijheid van de burgers beperken zonder daarvoor een degelijke wettelijke basis te hebben. Dat is het weinig verbazende oordeel van de Brusselse rechter in kortgeding gisteren.’

30 dagen later, de laatste dag van april, constateerde Stavros Kelepouris in De Morgen’: ‘Pas toen het vooruitzicht op dwangsommen en het bijbehorende gezichtsverlies wel erg groot werd, stuurde minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) deze week haar pandemiewet eens naar het parlement. Waarna ze de Kamerleden tot enige spoed aanmaande en wees op “de dringende vraag van velen om snel een specifieke rechtsbasis te voorzien”. Sans gêne.’

Wachten op…

De stilstand rond de pandemiewet is illustratief voor de maand april. Ja, er werden beslissingen genomen rond terrassen en scholen die in mei effectief zullen worden, maar dat gebeurde niet zonder slag of persstoot. ‘Wanneer zouden de terrassen opengaan?’ ‘En waarom was het pas op 8 mei?’ Diezelfde Frank Vandenbroucke uit de eerste paragraaf dreigde alvast met meer dan pek en veren alleen voor al wie toch vroeger zijn stoeltjes wou buitenzetten.

Andere discussies werden geopend, zonder dat ze één meter dichter bij de oplossing kwamen. Patenten al dan niet vrijgeven bijvoorbeeld. Of dat dan wel in mei zal gebeuren? Wie leeft zal zien.

Solidariteit: het passe-partoutwoord

Ander blijvende discussie die niet opgelost werd? Privileges voor de gevaccineerden, ja of neen? Er werd veel over gepraat, weinig of niets over afgerond. Ook over de vraag of het wel privileges mag genoemd worden wanneer men terug naar het oude normaal wil, woedde het persdebat. Of wacht, er was eigenlijk weinig debat, want wie kan nu tegen ‘solidariteit’ zijn?

‘Het echte privilege van wie al een vaccin kreeg, is dat die persoon veilig is voor het coronavirus. In ruil voor dat privilege mag nog wat solidariteit gevraagd worden met zij die dat niet kunnen zeggen’, vatte Bart Haeck in De Tijd van 7 april zowat de mening van de perscommentatoren samen.

Naarmate de maand vorderde werd het begrip solidariteit steeds breder ingevuld. Het visje van Jan Jambon over verschillende snelheden binnen de gewesten naarmate de vaccinatiegraad werd, hoe zeggen we het diplomatisch, niet echt gesmaakt, tenminste toch niet in de pers. Cathy Galle (De Morgen 26 april) schreef: ‘Neen, we weten niet precies waarom Franstaligen meer vaccinscepsis lijken te hebben. Maar wat we wel weten, is dat het ons weinig vooruithelpt als gemeenschappen tegen elkaar opgezet worden. Want dat is wat de minister-president hier wel degelijk doet.’

Sud Presse gaf op 27 april wat zelfkritiek en zelfreflectie: ‘Maar het zou belachelijk zijn om “de barricades op te gaan”, achter een Waalse of Brusselse vlag. Jan Jambon, de Vlaams-nationalist, legt de vinger op de wonde en zijn mening is minder politiek gekleurd dan men wil doen geloven. De vaccinatiegraad ligt nu eenmaal lager in Wallonië en in Brussel.’

Dat Beatrice Delvaux in Le Soir een totaal andere toon aansloeg en opriep ‘tot nationale solidariteit tegen een virus dat geen taalgrens kent’, iemand die van zijn of haar stoel valt?

Naarmate de maand vorderde, werd ‘solidariteit’ mondialer. Het ging niet langer over generaties, over al dan niet gevaccineerden, over wie eerst gevaccineerd moest worden (gevangenen, cipiers, leerkrachten, sporters). Bart Sturtewagen waarschuwde in De Standaard van 29 april voor de gevolgen van de ‘eigen arm eerst’-strategie nu de pandemie verwoestend uithaalt in India. ‘De beloofde zomer van de verlossing staat onder druk. Om dan bekend te maken dat we misschien een deel van “onze vaccins” naar het andere eind van de ­wereld moeten sturen, daarvoor is politieke doodsverachting vereist. Maar die verantwoordelijkheid ontwijken kan over enkele weken of maanden even dodelijk blijken.’

De april-dossiers

Natuurlijk waren er ook typische aprildossiers die heel veel aandacht kregen. Zullen we het maar niet over El Kaouakibi hebben? Zij was, na eerste-minister De Croo de meest geciteerde naam. Erdoğan, de man die een stoel te weinig voorzien had, kreeg ook ruime aandacht, net zoals Joe Biden. De Amerikaanse president kreeg heel wat krediet met zijn plannen. Maar heel opvallend was 20 april. Bijna alle commentatoren hadden het over twaalf voetbalclubs die op zichzelf wilden beginnen. ‘Judas’ of ‘visionaire beslissing?’ Het werd ‘Judas’.

Wittebroodsweken voorbij?

Over de vlijmscherpe kritiek rond het uitblijven van de pandemiewet hadden we het al, maar opmerkelijk is ook dat de kritiek op de regering De Croo meer en meer de kop opstak naarmate de maand vorderde. Denk aan de tegenstellingen rond de loonnorm. Drie Vlaamse commentatoren scherpten op 30 april hun kritische pen rond de toekomst van de regering. Zijn de wittebroodsweken voorbij? Mei zal het zeggen…

‘Over begroting en sanering moet het eerste ernstige gesprek nog beginnen. Dat doet de vraag rijzen of de Vivaldicoalitie wel genoeg lef heeft voor dit tijdperk van tektonische verschuivingen. Zo haastig moest ze gevormd worden, ondanks de ellendige formatie, dat ze nu over cruciale kwesties nauwelijks meer kan doen dan wat schroeven aandraaien. Zodra de gezondheidscrisis bezworen is, ligt daar de echte test voor premier Alexander De Croo.’ (Karel Verhoeven, De Standaard).

‘35 miljard euro bedraagt de coronafactuur al. Geld pompen is het makkelijke deel. Nu weer productiviteit creëren en die factuur ook opvangen, is andere koek. Zeker voor een regering met zeven sociaaleconomische visies… Toch heeft de ­regering geen keuze. Ze moet doorpakken met hervormingen. Anders komt na het pompen het verzuipen’ (Isabelle Albers, De Tijd).

En Alexander De Croo moet uitkijken dat zijn eigen voorspelling niet uitkomt: ‘Wij zijn de zevende partij in het parlement. Als eerste minister zonder slagkracht ben je de dweil van je regering.’ (Isolde Van den Eynde, Het Laatste Nieuws).

Misschien zal april ‘onder de waterlijn’ dan toch belangrijker geweest zijn dan we nu denken?

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

[ARForms id=103]

Johan Van Duyse

Johan Van Duyse (1953) is erkend gids voor en in de Westhoek en gefascineerd door WO I. Hij publiceerde het boek '1919: Een jaar van (on)vrede'.