JavaScript is required for this website to work.
post

Beheersing van Frans en Duits ondergewaardeerd

Gemiste kansen in het Nederlands onderwijs

Pieter de Jonge30/10/2022Leestijd 4 minuten
Bedrijven die zakendoen met Frans- of Duitstalige landen staan te springen om
werknemers die klanten en zakenpartners in de eigen taal kunnen aanspreken.
(Beeld: La Défense in Parijs)

Bedrijven die zakendoen met Frans- of Duitstalige landen staan te springen om werknemers die klanten en zakenpartners in de eigen taal kunnen aanspreken. (Beeld: La Défense in Parijs)

foto © WikiMedia Commons

In de maatschappij worden de vakken Frans en Duits lager aangeslagen dan wiskunde. Voordelen van talenkennis blijken pas op latere leeftijd.

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

Een ingezonden stukje in Het Parool, de regionale krant van Amsterdam. Een veertienjarige die zich afvroeg waarom ze in 3 gymnasium les in Duits en Frans kreeg, in plaats van computerprogrammeren. ‘Welke talen heb ik nou écht nodig voor een universitaire studie? Alleen Engels en Nederlands.’

‘Gymnasium’ houdt in dat je ook les krijgt in klassieke talen. Dat is geen verplichting. Om naar de universiteit te mogen, heb je in Nederland een vwo-diploma nodig (‘voorbereidend wetenschappelijk onderwijs’). Gymnasium is een keuzemogelijkheid binnen het vwo. Als alleen Nederlands en Engels ertoe doen, waarom dan vrijwillig kiezen voor Latijn en Grieks?

Naast het zesjarige vwo kent Nederland ook het vijfjarige hoger algemeen vormend onderwijs (havo), dat toegang geeft tot de hogeschool. Wie na de havo toch naar de universiteit wil, kan instromen in 5 vwo en twee jaar later ook een vwo-diploma krijgen. Sinds enkele jaren bestaan er havo/vwo-scholen die ook technasium aanbieden, de Nederlandse evenknie van het Belgische STEM (‘science, technology, engineering, mathematics‘). Volgens de zoekmachine bieden meerdere Amsterdamse scholen dit aan.

Weinig jongeren volgen al op veertienjarige leeftijd het nieuws, laat staan dat ze brieven of opiniestukken naar kranten sturen. Was de brief een spontane actie van een puber of is het ingefluisterd door volwassenen die het onderwijsprogramma gedateerd vinden?

Praktisch nut

Amsterdam ligt in het westen van Nederland, ver van de landsgrens, ver van de kleine 300 kilometer die aan Duitsland grenst. In de grensstreek kopen Nederlanders en Duitsers wat over de grens goedkoper is, bezoeken horeca of werken er zelfs. Daar is het voor winkel- en horecamedewerkers praktisch om beide talen te beheersen.

Volgens het ingezonden stuk verwacht geen enkele Franse of Duitse ondernemer nog ‘dat je hem of haar in zijn of haar moedertaal aanspreekt.’ Economie is op havo en vwo verplicht vak, twee uur per week in het derde jaar. Een paar weken na aanvang is wellicht nog niet behandeld dat 60% van de Nederlandse export naar Duitsland gaat. Of dat bedrijven die zakendoen met Frans- of Duitstalige landen staan te springen om werknemers die klanten en zakenpartners in de eigen taal kunnen aanspreken.

In Duitsland worden jaarlijks twee grote boekenbeurzen gehouden, in Frankfurt en Leipzig. Menig uitgever zou graag een werknemer hebben die in het Duits kan onderhandelen. De Nederlandse uitgeverijen zijn gevestigd in Amsterdam.

Amsterdammers blinken niet uit in bescheidenheid. Misschien denken ze te internationaal om dit te weten. Nogal wat internationale instellingen zijn gevestigd in Brussel, Straatsburg, Luxemburg en Genève. Geen reden om Frans te leren?

Er zijn nogal wat praktische redenen om Duits en Frans te leren. Redenen die ik op veertienjarige leeftijd niet kende. Redenen die op school, en in het maatschappelijke debat, onderbelicht blijven.

Imagoprobleem

Het weekblad Knack lijkt bij Doorbraak-schrijvers, dus wellicht ook de lezers, niet meer in aanzien te staan. Bij een bezoek aan de Zuidelijke Nederlanden lag nummer 36 van dit jaar in de winkel. Op de voorpagina, rechts bovenaan, stond ‘Slecht in wiskunde? Studeer dan maar talen’.

Talen blijken in het Vlaamse onderwijs in lager aanzien te staan dan wiskunde en wetenschappen. De recente invoering van een afzonderlijke studierichting ‘moderne talen’ in de tweede graad, mogelijk ook in de derde graad, van het algemeen secundair onderwijs zou mede ingegeven zijn om dit imagoprobleem te verhelpen.

Aan de goede bedoelingen twijfel ik niet, wel aan het effect. Eind jaren negentig verving Nederland de vakkenpakketten (in de laatste twee jaar kregen leerlingen naast Nederlands en Engels vier tot vijf vrij gekozen vakken) door vier profielen c.q. studierichtingen. Twee profielen draaien om wiskunde en natuurwetenschap: Natuur en Techniek en Natuur en Gezondheid. Wie op vijftienjarige leeftijd nog niet kan kiezen tussen techniek of iets medisch, kiest het beste Natuur en Techniek met als keuzevak biologie. Het derde profiel heet Economie en Maatschappij. De naam verklaart de beoogde vervolgstudies. Dan blijft over Cultuur en Maatschappij.

Dit laatste profiel wordt ook wel ‘pretpakket’ genoemd. Het bevat namelijk het minimum aan wiskunde (extra wiskunde is overigens optioneel). Daar komt bij dat de vakken van dit profiel (geschiedenis, talen), voor geen enkele studie aan hogeschool of universiteit verplicht instapeisen zijn. De overige profielen bevatten zulke vakken wel.

‘Cultuur en Maatschappij’; geen verwijzing naar talen in de naam van de studierichting die daar de meeste ruimte voor heeft. Was de naam anders, dan bleef dit de richting voor wie te slecht is in wiskunde om een andere te kiezen. Al meer dan twintig jaar. Waarom zou het in Vlaanderen anders zijn?

‘Omdat hier twee studierichtingen zijn voor wie te slecht is in wiskunde, we hebben ook humane wetenschappen’.

Te jong kiezen?

Nederlandse scholieren kiezen aan het einde van het derde middelbaar een profiel. Veel scholen geven voor de profielkeuze alvast de eerste voorlichting omtrent studiekeus. Dan hoor je voor welke studies je meer nodig hebt dan het minimum, en voor welke je economie moet hebben, en voor welke natuurkunde en scheikunde. De hierboven genoemde voordelen van Frans of Duits blijken op latere leeftijd. Vlaamse ASO-leerlingen moeten al een jaar eerder een (eerste) studierichting kiezen.

Kunnen talige leerlingen ook belangstelling hebben voor economie of maatschappij? Economie, valt dat buiten de maatschappij? Kan het voor leerlingen met bovengemiddelde belangstelling voor maatschappij behulpzaam zijn iets van economie te weten? Kortom: waarom al in de tweede graad kiezen tussen economie, moderne talen óf humane wetenschappen?

Waarom wordt doorgaans verzwegen dat een hoop leerlingen met wiskundige aanleg geen talenknobbel hebben?

Maak eerst de voordelen van Frans en Duits (op het Europese vasteland vaker spreektaal dan Engels en Spaans, die eerder buiten Europa spreektaal zijn) duidelijk, ook voor vervolgstudie en beroep. Laat leerlingen daarna pas kiezen voor een richting met of zonder talen. In beide landen wordt nu te vroeg gekozen.

Pieter de Jonge is historicus. Hij publiceert regelmatig op www.historiek.net en is Nederland-correspondent voor Doorbraak.be.

Commentaren en reacties