JavaScript is required for this website to work.

Joodse koekjes

Benno Barnard2/11/2025Leestijd 4 minuten

foto © Wikimedia

Donderdag 18 september

Op de boot naar Duinkerken loopt een colporteur van Engelse boeken rond: een warrig hoofd met ongeschoren wangen, vuile kleren waar geen enkele machine de smakeloosheid van zou kunnen afwassen – hoe denkt deze zonderlinge tweebenige boekhandel rond te komen? Ik bekijk de thrillers en keukenmeidenromans en geef hem uiteindelijk twee pond voor een gebonden Patricia Highsmith. Niet het concept van Onze-Lieve-Heer is vreemd maar de werkelijkheid van zijn kostgangers.

Vijf uur later

In Amsterdam zit mijn uitgever Het leven van een vrouw van Guy de Maupassant te lezen. Na een kleine 40 jaar is er een gestaag vonkende geestelijke verbinding tussen Emile Brugman en mij ontstaan, een soort literaire telepathie. We praten bij, met zijn drieën, want als ik Emile zeg bedoel ik ook zijn vrouw Ellen, die de Duitse literatuur beter kent dan welke Teutoonse geleerde ook en met wie Emile in de jaren 90 uitgeverij Atlas heeft gesticht en tot bloei gebracht. ‘Wat vond jij van De Toverberg, Ellen?’

‘Die moet nog ergens in de hoek liggen waar ik hem in gegooid heb.’ Emile en ik nemen zijn redactionele kanttekeningen bij Het raadsel van de anderen door, het vervolg op Afscheid van de handkus. Tussen ‘vooruit met de geit’ en ‘klaar is Kees’ verstrijkt een uur. Ook hier werkt de literaire telepathie. Emile houdt er niet van dat ik mijn lezer apostrofeer, dus ik beloof hem dat niet meer te doen, het is maar dat u het weet.

’s Avonds

In de logeerkamer blader ik in de door mijn gastheer en gastvrouw uit Parijs meegebrachte catalogus met de honderden kleurige werken van David Hockney die onlangs in de Fondation Louis Vuitton zijn tentoongesteld. De met de duim gemaakte iPad-tekeningen van Normandische landschappen zijn van een meesterlijke soort zoetigheid – ik val er verrukt bij in slaap.

Vrijdag

Weerzien met Sander Blom, de opvolger van Emile, die op de koffie komt en Joodse koekjes meebrengt. ‘De rabbinaal goedgekeurde kon ik niet vinden.’

Sander, met zijn Sefardische kop die om een beeldhouwer smeekt, is niet religieus, maar de tijden dwingen hem tot het doorleven van de wetenschap dat hij Joods is.

‘Op de uitgeverij wordt actie gevoerd’, zegt hij.

‘De uitgeverij is nooit politiek geweest en moet dat ook niet zijn’, zegt Emile. ‘Op sommige dagen komen ze naar het werk in rooie hesjes van de vakbond om hun steun aan Palestina te betuigen. Ik weet dat ik me dan ongemakkelijk voel en dus blijf ik maar liever weg.’

‘En dan niet omdat je Netanyahu zo bewondert’, zeg ik.

‘Ik ben de voorbije weken op straat al een paar keer voor vuile kankerjood uitgemaakt …’

De Sanderkop verstrakt – het is alsof iemand hem al gebeeldhouwd heeft. Laat hem en zijn nageslacht zeven generaties met rust en hun Joodse bloed zou nooit meer koken. Dit gesprek vindt plaats in Mokum.

Zaterdag

Ze staat op me te wachten in de hal van station Antwerpen-Berchem, klein, blond, mollig, beeldschoon: ik kus haar mond, ik kus nogmaals haar mond … Helaas wandelen er wel reizigers rond maar is er geen bed. We eten in de Brasseurs met een paar vrienden, Filip, Max en Yannick, Andy en Reine; een prettige, met wijn vermengde loomheid pompt niets dan liefde voor deze mensen door mijn aderen, stuwt de liefde naar mijn mond, die opengaat en als ik het goed hoor namens mij zegt: ‘Ik ben ontzettend dankbaar voor jullie vriendschap …’

Onder een hoog plafond in het Antwerpse herenhuis van Andy en Reine zegt de kleine, blonde, mollige, beeldschone vrouw naast mij: ‘Niet nu, schat. Je hebt iets te veel op, lieverd.’

Zondag 21 september

Op Zuiderzinnen lees ik de bladzijden uit mijn dagboek over de dood van Roffel voor en mijn publiek pinkt een traan weg. Later kijken we in Poppy’s bed in Etterbeek naar Christopher, die ver weg in Virginia voetbalt, heen en weer rennend op het scherm van een laptop, tussen mijn blote rechterdij en haar blote linkerknie, in de deuk die ik in een kussen heb gemaakt – als hij scoort valt de laptop om.

Maandag

Ik bezoek Mark Coenen bij hem thuis in Keerbergen, zo’n tussen autowegen weggestopt, incoherent Vlaams dorp, waar de laatste baron en de laatste pastoor hand in hand vertrokken zijn en waar ik nog nooit geweest ben. We zitten in zijn tuin, een mooi, veilig groen hol, en we praten over de dood die ons verbindt, de dood die 60 of 70 jaar te vroeg verschijnt en een kind meeneemt: zijn zus, die zich op 5 juni 1988 voor een trein wierp, mijn dochter, die stierf in een auto.

In een metafysische vriendschap hebben Dominiek en Anna het zo geregeld dat het idee bij Mark opkwam mij te interviewen over Anna. Zo raakten wij bevriend, in de fysieke werkelijkheid van huwelijken, boeken, grappen, tranen, baksteen en geld.

Hij laat me de rekening zien die de Belgische Spoorwegen vijf weken na haar dood naar de ouders Coenen stuurde. Geen woord van rouwbeklag. Gelieve wegens vertragingen 56.878 frank te dokken. De bureaucraat van wiens bureau die brief vertrok, was door de NMBS speciaal geselecteerd op zijn Schutzstaffel-niveau van emotionele gestoordheid.

Bij mijn vertrek geeft Mark me een wel heel ongewoon cadeau, een zelfportret van Herman de Coninck, zwarte en rode balpen, ongedateerd, ingelijst. Stel u de lelijkste literator van Vlaanderen voor, getekend door de slechtste tekenaar. Wat een monument van zelfspot … gemaakt door mijn onvergetelijke vriend …

‘Hoe kom je daar nu aan?’

‘Ik zag het bij een antiquaar en jij was de enige mogelijke eigenaar.’

‘Jezus, Mark …’

In de auto realiseer ik me pas dat Hermans zelfportret een tweede zelfportret heeft voortgebracht, dat van Mark namelijk, want wat is zijn gebaar anders dan Mark zelf?

Zaterdag 4 oktober

Bij Manchester United wordt voor de wedstrijd tegen Sunderland een minuut stilte in acht genomen om de aanslag op de synagoge van afgelopen donderdag te herdenken. Het gepeupel klemt de kaken stijf op elkaar, de spelers verstarren, de wolken boven het stadion komen tot stilstand. En het volk begint luid te klappen als de scheidsrechter weer op zijn fluitje blaast: een onthutsend, onverklaarbaar, ontroerend applaus.

Zondag

Voor de 25ste keer op rij heeft de Arkprijs van het Vrije Woord zich belachelijk gemaakt. Het stuk verguld karton gaat dit keer naar Ramsey Nasr. De preoccupatie van Nasr met Palestina is begrijpelijk. Maar zijn visie is dominant in de pers. Opnieuw is de vrijmetselarij van de correcte mening aan het werk geweest.

Het vrije woord!

Haha. Als dat werd verdedigd, zou de prijs dit jaar naar Maarten Boudry zijn gegaan. De jury verafschuwt natuurlijk zijn mening over Israël, maar het punt is dat zij pretendeert de positie van Voltaire te bekleden. Nasr is eerlijker dan zijn jury wanneer hij verklaart dat hij eigenlijk tegen het vrije woord is.

Dinsdag 7 oktober

De pogrom van Hamas is nu twee jaar geleden, maar dat houdt de activisten er niet vanaf ook vandaag weer de straat op te stromen en antisemitische slogans te brullen. Ze protesteren niet tegen de Israëlische regering – dat zou gerechtvaardigd zijn – maar tegen de Joden. Wat een charmante dieren waren de leeuwen in het Colosseum in vergelijking met deze activisten!

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.

Meer van Benno Barnard

Zondag 12 april Het is de sterfdag van mijn moeder. Ze ging op bed liggen – ‘Ik ben een beetje moe’, zei ze tegen mijn zus – en haar ogen braken. Dat is 31 jaar geleden. Ik was op bezoek bij Peter, die even buiten Lausanne in een zonnige kliniek lag te herstellen van zijn eerste hartoperatie. Het Meer van Genève …

Commentaren en reacties