JavaScript is required for this website to work.

Mijn regenboogje

Benno Barnard31/8/2025Leestijd 5 minuten
Mount Rainier, vulkaan in de staat Washington.

Mount Rainier, vulkaan in de staat Washington.

foto © Unsplash

Vrijdag 4 juli

Waarom reis ik toch zoveel? Ik houd van mijn oude huis, mijn bibliotheek omspant de hele westerse geschiedenis en tijdens de reis rond mijn kamer voel ik hooguit weleens het verlangen een espresso te drinken op dat terras in Ascoli Piceno waar ‘Ti amo’ in een wulps lettertype tussen de restjes suiker op de bodem van mijn espressokopje verscheen, het caféterras waar renaissancistisch zonlicht mijn vrouw in een sexy Madonna veranderde: ziet u die roofvogelpuntjes in het azuur van haar ogen?

Maar Mary, een van haar favoriete nichten, verwacht ons op haar vierde bruiloft, een verkleedpartij die zich ergens op het platteland buiten Seattle afspeelt, tegen een met water, bergen, dennen beschilderde kartonnen achtergrond.

In Seattle logeren we een paar dagen bij een oude klasgenoot van Poppy, een eenzame dove homo, die Sterling heet en rouwt om zijn onlangs aan kanker gestorven hond – of beter gezegd, de hond is gestorven aan het gif dat de dierenarts in een ader spoot.

We drinken koffie in zijn woonkamer. Door een op het zuidoosten georiënteerd raam zien we Mount Rainier, de beroemdste berg in de staat Washington, een blauwige vulkaan met een witte kraag, een archetypische vulkaan, als geschilderd door een Japanse meester. Mijn blik zakt naar de plankenvloer met de lege mand, waaruit het stomme fluisteren van de hond iets dringends tegen mij zegt; rondom verspreid ligt zijn bedroefde speelgoed. Het is een huis in die kenmerkende Amerikaanse voorstedelijke stijl, waarvan er in de eerste helft van de twintigste eeuw miljoenen zijn neergezet, elk exemplaar een bescheiden eerbetoon aan de Amerikaanse pijnboom en het nationale arbeidsethos, met een tuintje waar het zomerse gras verdord is en de basketbalring lusteloos aan de garagedeur hangt, omringd door vergelijkbare huizen, telkens iets anders, telkens hetzelfde, bewoond door miljoenen Amerikanen, eveneens onderling verschillend, eveneens hetzelfde …

’s Middags

Mail van het Letterenhuis in Antwerpen. Of ze een kaart mogen tentoonstellen die ik – vrijwel op de dag af een half leven geleden – vanuit Sitges naar Geert van Istendael heb gestuurd. Afbeelding: een strand vol zonnebadende mensen. De tekst is een rijmpje:

Een heer ziet in Sitges

stuitende taferelen:

de naaktheid van Nietzsches

veel te velen.

Maar terwijl ik aan dat strand terugdenk, waar ik 35 jaar geleden begerig naar een nog prille Madonna in badpak keek, word ik afgeleid door onze dove vriend, die een anekdote vertelt over een homofobe ervaring in deze op het weekhartige af progressieve stad: hij was de hond aan het uitlaten toen een rolschaatser hem bij het passeren in zijn nek spuwde en over zijn schouder iets onwelvoeglijks riep.

‘Hoe wist die vent dat je gay was?’ vraagt Poppy.

‘Wat?’ Hij kromt zijn hand om zijn oorschelp en ik voel een onhandige deernis, die oudere vorm van medelijden.

‘HOE WIST IE DAT JE GAY WAS?’

‘Geen idee.’

Satan souffleert dat soort kropmens, Sterling.

’s Avonds

Vuurwerk kleurt de horizon: boven het stadscentrum aan de overkant van de baai zet een koude brand van veelkleurige fonteinen, wielende vonkenregens en andere kinderachtigheden Onafhankelijkheidsdag luister bij. Ik maak een nieuw rijm:

The Yankees are happy on the 4th of July.

Assessing their country, the Brits wonder why.

Zaterdag

Poppy koopt ‘data’ voor haar telefoon, zodat ze toegang heeft tot Google Maps. Om te weten hoe dat moet heeft een IT-autist een video tutorial opgenomen, waar ik op een meter afstand naar zit te luisteren, mij verbazend over het gegeven dat ik geen enkele zin begrijp, terwijl Poppy instemmend knikt en ‘Just a sec’ mompelt en dingen op haar telefoon intikt. Waarom doet iedereen alsof zoiets begrijpelijk is? ‘Ti amo’ lezen op de bodem van een vol kopje pikzwarte espresso is veel eenvoudiger.

Op tafel ligt een papieren kaart van de staat Washington, die nog van voor de zondvloed dateert: we rijden morgen in een huurauto naar Port Townsend, dat uitkijkt over de straat van Juan de Fuca, aan de overkant waarvan Vancouver Island ligt, dat bij Canada hoort. Op de kaart is het vlakbij, maar het is even ver als van Dover naar Calais. De oppervlakte van Washington is 66.000 vierkante mijl, ongeveer tweederde van het Verenigd Koninkrijk, en Vancouver Island is vast even groot als België. (Nu kijk ik het na – het blijkt zelfs nog iets groter te zijn. Maar land zonder meer is niets, tweedimensionaal, geesteloos).

Na de lunch

Laat me u vertellen over het vijfde evangelie. We drentelen wat rond op een markt in het stadscentrum. Van een juffrouw in een stalletje met regenboogvlaggetjes koop ik een regenboogvlaggetje. Ik speel de even innemende als ouderwetse Britse heer – ‘I just love your accent!’ – en verwar haar door te zeggen dat ik tot de gediscrimineerde minderheid behoor die zich naakt voelt zonder drie delen tweed.

Op het dak van een overheidsgebouw wappert een regenboogvlag naast de Stars and Stripes. Geen scheiding tussen seks en staat! In zowat iedere etalage ligt of hangt een regenboogvlag, zodat de winkelier die nog steeds geen vlag heeft als het ware langs mechanische weg in een homofoob of transfoob verandert.

GOD LOVES QUEERS, zo luidt de tekst van dit evangelie. Wij, een en al emancipatorische gezindheid, snakken naar adem bij zoveel orthodoxie. I don’t love queers. Ik houd niet van vrouwen. Ik houd van sommige vrouwen. Ik kus bevriende queers hartelijk op beide wangen. O abstracties die de mens overwoekeren!

Avondeten

Ik zwaai met mijn vlaggetje naar Sterling, die in een visrestaurant op ons zit te wachten. Hij schiet in de lach. Achter hem hangt een regenboogvlag. De regenboogvlag heeft het kruis vervangen. Intussen … dat aandoenlijke vlaggetje in mijn hand, vochtig iriserend met al zijn kleuren, die dik als olie neerdruipen in mijn geweten.

Zondag

We nemen de ferry naar Bainsbridge Island. We nemen een motel, dat in zijn enigszins vervallen toestand, te midden van water, bergen en ontelbare dennenbomen, aan films ontleende associaties met de jaren 50 bewaart, de machinaal gehaakte beddensprei, de op de rand van ineenstorting balancerende grenen meubels, het televisietoestel dat uitsluitend beverige, als foto’s uit mijn kindertijd verkleurde beelden voortbrengt – en de onontkoombare horror! Alle Amerikaanse motelkamers zijn ingericht als decor van een griezelfilm, en de eerste (maar ook laatste) indruk is de alomtegenwoordigheid van beige, maar zonder dat je enig welomlijnd beige voorwerp kunt aanwijzen, eerder is er sprake van een soort beige omfloerstheid …

Maandag

We bereiken het schattige stadje Port Townsend. Hier woont Daphne, een oude schoolvriendin, die in plaats van een dode hond een echtgenoot heeft, een econoom die John heet en grandioze plannen voor de mensheid schijnt te hebben. Hun huis dateert uit de jaren 20 en is van blauwgeschilderd hout – ongewoon genoeg hoort er een fraaie tuin vol bloemen bij. Bij het avondmaal in die fraaie bloementuin vertelt John over zijn familiegeschiedenis. Zijn grootvader aan vaderszijde is als paardendief in Montana opgehangen. Toen John elf was, verdween zijn vader – jaren later bleek hij onder de noorderzon al in Johns vroege kindertijd een parallel gezin te hebben gesticht. Mijn hand zweeft boven mijn mes, dat in een stompe hoek met de vork in mijn hand werkeloos op mijn bord ligt.

‘Daphne is mijn derde vrouw.’

‘Heb je kinderen uit die vorige relaties?’

‘Nah… I may have killed a few along the way.’ Bij de herinnering aan die abortussen grijnst hij opgeruimd.

Ter bevordering van de spijsvertering maken we een wandelingetje door de buurt, waar overal vergelijkbare charmante huizen staan, abrikooskleurig, mokkabruin, okergeel, blauw, allemaal anders en toch hetzelfde. Plotseling staat er een ree in een voortuin, verstard alsof een tuinkabouter zijn handje op haar flank laat rusten. Een ree, minder dan drie meter van mijn uitgestoken hand. Haar kop trilt, ze snuffelt aan mijn vingers met het plukje gras, draait zich dan om en loopt kalm weg door de straat, als een bruid die door het middenpad van de kerk naar het altaar schrijdt.

‘Het stik hier van de reeën’, zegt John – zo wordt het sprookje overgeheveld naar de biologische sfeer.

Dinsdag

Daphnes zoon Bryce belt, het kind uit haar eerste huwelijk (dit is haar tweede). Iets met een verkeersovertreding en te laat betalen.

‘Hij heeft ADHD’, zegt zijn moeder. ‘Hij zegt dat hij daardoor dingen vergeet … En zijn vriendin is door haar vader het huis uitgegooid omdat ze thee had gemorst op de sofa.’

Ze laat een foto op haar telefoon zien: een aardig stelletje, beiden hebben inkttekeningen op hun armen en benen. ‘Ze werkt als serveerster, maar haar geestelijke gezondheid laat te wensen over. Borderline, vermoed ik…’ Etc., etc.

Ik zit aan het ziekbed van de westerse beschaving en druk een vochtig washandje op haar voorhoofd.

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.

Meer van Benno Barnard

Zondag 12 april Het is de sterfdag van mijn moeder. Ze ging op bed liggen – ‘Ik ben een beetje moe’, zei ze tegen mijn zus – en haar ogen braken. Dat is 31 jaar geleden. Ik was op bezoek bij Peter, die even buiten Lausanne in een zonnige kliniek lag te herstellen van zijn eerste hartoperatie. Het Meer van Genève …

Commentaren en reacties