JavaScript is required for this website to work.

Normandische dagen

Benno Barnard26/10/2025Leestijd 5 minuten
De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Rouen.

De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Rouen.

foto © Wikimedia

Vrijdag 5 september

We zijn terug uit Normandië, waar de robijn van Poppy fonkelde in de zon; waar we een paar dagen hebben doorgebracht met tien vrienden uit Brede: Gary en Duncan, Vivien, Mary, Darryl, John, Steve en Judy, Tony en Lizzy Dyson … tien vrienden, die wij, gezegende kosmopolieten, in een dorp van niks hebben gemaakt!

We hadden een substantieel deel van een middeleeuwse herberg afgehuurd, Le Clos de Normandie, waar ik geneigd was met paarden te zijn gekomen om ze te kunnen verversen, alleen waren we met de auto. Pleisterwerk, balken, een grote tuin waar een riviertje doorheen snelde – ik kan het aanbevelen, het ligt op een kwartier van de haven van Dieppe, waar de ferry vanuit Newhaven ons afleverde.

Er was een door ons aangeboden bruiloftsdiner van zeven fijnzinnige, ietwat gemaniëreerde gangen, die ik beleefd doorslikte, terwijl mijn tanden hunkerden biefstuk en aardappelen. Voor het hoofdgerecht door twee nimfen werd opgediend, hield ik een toespraak, die begon met deze definitie: ‘Het huwelijk is een uitwisseling van onaangename opmerkingen overdag en onaangename luchtjes ’s nachts. Dat zei Guy de Maupassant, maar die stierf aan syfilis zonder ooit getrouwd te zijn geweest …’ Geestig, nietwaar?

Daags nadien bezochten we Varengeville, waar Monet kwam schilderen en wij eerbiedig de glasramen van George Braque in de kerk bekeken, waarna thee – er ontbrak maar een kinderwagen aan of het was allemaal tuttig en kleinburgerlijk genoeg om door Flaubert te worden bespot. Kortom, het was een heerlijke dag.

En op de derde dag bezochten we in Rouen de geboortekamer van Flaubert in het ziekenhuis waarvan zijn vader directeur was. Volgens Julian Barnes (in Flaubert’s Parrot) bewaren ze er drie opgezette papegaaien op zolder, maar Barnes schrijft fictie. In een glazen kast in de geboortekamer stond het exemplaar dat Flaubert volgens de curator van het museum had geïnspireerd bij het schrijven van Un coeur simple – u kent het verhaal, in zo’n kletsende veelkleurige vogel ziet het dienstmeisje Félicité de Heilige Geest.

Elders in de stad moet de op en neer wippende spectrale koets van de overspelige Emma Bovary beslist een paar leden van ons gezelschap overreden hebben.

Flaubert kreeg een proces aan zijn broek omdat die in haar koets neukende Madame Bovary de goede zeden ondermijnde, maar hij werd vrijgesproken. De rechter begreep dat je wel stukjes uit een roman kon snijden, maar niet de onkuise gedachten uit de hersens van het Franse volk.

’s Avonds (bij een glas calvados)

In bed las ik overigens geen Flaubert, maar proza van zijn vriend en protégé Guy de Maupassant. Wat me bijzonder trof was een kort verhaal over de ontmoeting tussen een Pruisische officier en een kleine Franse burgerman met een dikke buik, aan boord van een trein. De Maupassant was een ooggetuige van de oorlog van 1870, die ertoe leidde dat de Pruisen Frankrijk een paar jaar bezet hielden, namelijk tot de dag in september 1873 waarop het een enorme herstelbetaling had afgelost, een scenario dat zich 50 jaar later zou herhalen, dit keer met Duitsland in de rol van de vernederde schuldenaar.

De bourgeois weigert voor de arrogante militair pijptabak te kopen op het station; de mof dreigt zijn snor af te snijden en die op te roken; in het embonpoint borrelen zoveel vaderlandsliefde en woede op dat Monsieur Dubuis, geheel in strijd met zijn stille karakter, de Pruis neerslaat; er volgt een duel op het pistool in het volgende station en Dubuis schiet zijn vijand dood: diens naam moet in de kogel gegraveerd zijn geweest, want Dubuis had nog nooit in zijn leven een vuurwapen gehanteerd.

Ziehier het verhaal ‘Een duel’. Ik vertel dat omdat ik, in de schaduw van de sombere kathedraal, ongeveer daar waar de heilige Jeanne d’Arc in vlammen is opgegaan, dankzij die geschiedenis plotseling begreep waarom het met Europa gedaan is. Geen hond die zijn leven geeft voor de comfortabele mand die de naam draagt van enig West-Europees land. Er gaat veel geld naar het leger, maar wie wil er nu sterven voor de verzorgingsmaatschappij, die geen enkele hogere waarheid vertegenwoordigt, enkel de sociale zekerheid en morele platitudes?

Monsieur Dubuis, daartoe bewogen door iets zo groots dat het niet in zijn hoofd past maar wel in zijn buik, is zonder een seconde na te denken – anders had hij wel tabak gekocht – bereid te sterven voor wat hij liefheeft: het hogere idee geheten vaderland …

Zaterdag

Naar aanleiding van Monsieur Dubois overweeg ik een duizelingwekkende gedachte: er moet meer zijn in het leven dan alles … Maar wat dan? En waar houdt dat meer zich schuil?

In kunst en religie, zou ik zeggen. In ‘het hogere’, in de wereld van de nobele ideeën, de waarheid en de schoonheid – kortom in dingen die aan het postmodernisme voorafgaan. Misschien zijn we wel zo geobsedeerd door ons eigen tijdsgewricht omdat oorlog – of liever gezegd de dreiging van oorlog – ons aan die dingen herinnert, aangezien ze immers de enige goede motivatie vormen om onszelf te verdedigen.

Voor dat hogere hoef je niet de hele tijd te zitten lezen of devote gedachten te hebben – het hogere percoleert namelijk voortdurend naar het lagere, het druppelt op ons neer als we tafelen met vrienden, een mooie gevel bewonderen, drie seconden verliefd zijn op een passante, zoals Rilke in die kastanjeallee, of gewoon als je een burgerlijke vreugde ervaart over het feit dat je Fransman bent, zoals de brave Monsieur Dubuis, die iemand op zijn smoel slaat uit liefde voor alles wat hem Frans maakt. Cartesiaans geformuleerd: ik ben Frans dus ik ben niet alleen. Dat is het hoogste hogere.

Maar wat weet ik ervan?

‘Als man van de wereld in de ruimste zin van het woord, begiftigd met veel esprit maar zonder grote diepgang, met kennis van allerlei zaken maar zonder ware eruditie, snel van begrip zonder ooit tot de kern door te dringen, maakte hij van al zijn observaties en belevenissen even grappige als filosofische verhalen, waarmee hij in de hele stad een reputatie als intellectueel had verworven.’
Zo definieert De Maupassant het hoofdpersonage van een ander verhaal. Met andere woorden: een columnist. Een schrijver! Ik dus …

Maar misschien zit er wel meer in de Heilige Geest dan watten en proppen papier – misschien blaast hij me af en toe iets zinnigs in en behoedt hij me zo voor een wisse ondergang als kletskous.

Maandag 8 september

Ik zie niet goed. Mijn ogen worden troebel, net als die van Roffel indertijd. Ik maak een afspraak bij SpecSavers in Hastings. Een strenge oogarts test mijn zicht. Ik kijk naar haar oorlelletje, waarachter het bord met de letters oplicht. In haar oorlelletje zit een vouwtje. Ze schuift allerlei dioptrieën voor mijn ogen. Ik lees letters; ik probeer letters te lezen. Ik tuur ingespannen naar het bord; ik monster haar oorlelletje. Ik zou haar oorlelletje op straat herkennen.

Ik heb beginnende staar, die voorlopig nog niet geopereerd hoeft te worden. Ze schrijft nieuwe glazen voor. Nee, ik wil geen multifocale glazen. Ik vind de ene bril afzetten en de andere bril opzetten een prettig ritueel. Ik wil ook geen elektrische kaarsjes in de kerk.

Op de terugweg doe ik boodschappen bij Sainsbury’s. ‘Is uw vrouw weer in Brussel?’ vraagt Anita aan de kassa.
‘Yep. Maar ik kan redelijk goed voor mezelf zorgen.’
Ze kijkt me over haar leesbril moederlijk aan en glimlacht haar moederlijke glimlach. In de Steentijd glimlachte ze precies zo. God zegene Anita, die mij elke week tien minuten adopteert.

‘We hadden vanmorgen een winkeldief’, zegt ze. ‘Maar hij rende naar buiten en de winkeldetective mag niet achter een wegrennende winkeldief aan, want dat zou zijn geestelijke gezondheid kunnen aantasten.’
‘Haha.’
‘Nee, serieus. Dat is het beleid van Sainsbury’s.’

Dinsdag

Voor Poetin geldt de uitspraak van Humpty-Dumpty in Through the Looking-Glass: ‘When I use a word, it means just what I choose it to mean – neither more nor less.’

Dat heb ik nu wel scherp opgemerkt, maar zou Poetin het Westen ooit durven aanvallen? Ik denk het niet, hij zou nooit zo’n protserig paleis hebben laten bouwen als hij levensmoe was.

Tegelijkertijd dreigen er allerlei kleinschalige oorlogen, burgeroorlogen die Europa ooit misschien weer in stadsstaten zullen ontbinden.

Dat laatste zou dan het gevolg kunnen zijn van de frustratie van het volk en zijn hang naar begrenzing, die de dode hoek vormen van de hoogopgeleide, globalistische kosmopolieten.

Het navolgende zal het huidige imbroglio niet ontwarren, maar staat u mij toe hier te pleiten tegen het nationalisme en voor het provincialisme. Gelieve die paradox goed te begrijpen.

Zalig de provincialen die veel lezen.

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.

Meer van Benno Barnard

Zondag 12 april Het is de sterfdag van mijn moeder. Ze ging op bed liggen – ‘Ik ben een beetje moe’, zei ze tegen mijn zus – en haar ogen braken. Dat is 31 jaar geleden. Ik was op bezoek bij Peter, die even buiten Lausanne in een zonnige kliniek lag te herstellen van zijn eerste hartoperatie. Het Meer van Genève …

Commentaren en reacties