fbpx


Elsschot

Op zoek naar Willem Elsschot in Parijs




Met Villa des Roses leverde debutant Willem Elsschot in 1913 een grootstadsroman af zoals er in de Vlaamse letteren van die jaren nog geen was voorgekomen. Elsschot mocht bij leven zijn interviewers graag prikkelen met de suggestie dat de roman voortkwam uit wat hijzelf in de lichtstad had beleefd. Cultuurjournalist en Elsschotkenner Eric Rinckhout reisde af naar Parijs om te achterhalen wat feit of fictie is in Elsschots debuut, en of er vandaag nog veel sporen van terug te vinden zijn.

Een noviteit in het Vlaamse letterleven

Wanneer de jonge schrijver Willem Elsschot in 1913 debuteert met Villa des Roses, staan de Vlaamse literaire coryfeeën van die jaren perplex. Het zijn de hoogtijdagen van het diep in de Vlaamse klei gewortelde naturalisme. Denk: boerenzweet en -leed, kerktorens en jeneverkruiken, pastoorsmeiden en biezenstekkers. Elsschot komt een heel ander verhaal vertellen: wederwaardigheden uit een schimmig Parijs pension, bevolkt door excentrieke personages, met details en plotlijnen die uit de grand guignol hadden kunnen komen. Andere koek, kortom. Alleen al de ironische ondertoon waarmee Elsschot zijn verhaal brengt, is in het Vlaamse letterleven van 1913 een noviteit.

Van bij het begin zijn de beschouwers in de ban van de vraag hoeveel waargebeurds er in de roman te vinden is. ‘’t Is door en door vécu’, meende niemand minder dan Cyriel Buysse toen hij het boek onder ogen kreeg. Hoeveel Parijs en hoeveel Alfons De Ridder zitten er in dat boek? De vraag heeft de Elsschotliefhebbers nooit losgelaten. Journalist Eric Rinckhout reisde af naar Parijs voor een historische reconstructie en delft een schat aan details op over de Parijse jaren van Elsschot/De Ridder, en de manier waarop Elsschot die stof verwerkte tot een roman.

Derde aflevering

Er moet heel wat verteld worden in 122 fraai geïllustreerde bladzijden: hoe de jonge branieschopper Alfons de Ridder in Parijs terechtkomt, de intrige van Villa des Roses, de ontstaansgeschiedenis en receptie van het boek, Rinckhouts eigen Parijse omzwervingen in een poging te reconstrueren wat de Ridder in Parijs zoal uitvrat en wat Elsschot daar — al dan niet met een stevig zetje van zijn Nederlandse vriendin en de facto eindredactrice Anna Christina van der Tak — aan fictie uit puurde. Rinckhout slaagt erin het Parijs van de Belle Epoque weer tot leven te wekken en diept gaandeweg een schat aan materiaal op over deze cruciale, maar nog met veel vraagtekens omgeven, fase uit het leven van De Ridder en het oeuvre van Elsschot.

Het procedé kennen we uit Rinckhouts eerdere Elsschotstudies. In Ridderspoor ging hij met Elsschots romans in de hand op zoek naar de genese van Het dwaallicht, in de Grote Antwerpse Elsschot Atlas reconstrueerde hij het Antwerpse stratenplan bij het leven en werk van Elsschot/De Ridder. In zijn nieuwe boek vindt Rinckhout na lang zoeken zelfs sporen van de dame die model zou kunnen hebben gestaan voor ‘Louise’, de dienstmeid die door de listige Grünewald zo deerlijk in de steek wordt gelaten. Dit speurwerk, uitgevoerd aan de hand van parochieregisters en andere officiële documenten doet erg denken aan de zoektocht naar Maria van Dam in Ridderspoor.

Echt gebeurd?

De verve waarmee Rinckhout, inmiddels voor de derde keer, een literair-historische zoektocht aanvat naar de ‘werkelijkheid’ achter het literaire werk van Elsschot, roept bij mij één fundamentele vraag op: waarom willen we toch zo graag dat Elsschots romans ‘waargebeurd’ zouden zijn, of alleszins zo geconstrueerd dat onder de fictionele intrige zich, na ontraadseling van de omkeringen en dwaalsporen die de schrijver gebruikt, een historische realiteit, een ‘vécu’ toont?

Misschien is het oeuvre van Elsschot extra vatbaar (of kwetsbaar) voor een dergelijke biografistische aanpak omdat de auteur zelf zo’n rigoureuze tweedeling wenste aan te houden tussen zijn professionele en burgerlijke identiteit (Alfons De Ridder) en zijn literaire alter ego (Willem Elsschot)? Biograaf Vic van de Reijt gaf zijn Elsschot-biografie bijvoorbeeld de veelzeggende ondertitel Leven en werken van Alfons De Ridder mee, en focust meer op de zakenman dan op de schrijver. Al was het maar omdat ‘Elsschot’ er soms een decennium lang het zwijgen toe deed, terwijl De Ridder als zakenman, familievader en bon vivant 78 jaar lang door het leven denderde. In Van de Reijts boek kom je overigens niet zo heel veel te weten over Elsschots Parijse jaren, dus voor wakkere vorsers lag daar nog heel wat onontgonnen terrein.

‘Ik heb geen fantasie’

Het is een feit dat Elsschot zelf er een handje van weg had om in schaarse interviews te alluderen op het waargebeurde karakter van veel van zijn verhalen. ‘Ik heb geen fantasie’, kon hij zich laten ontvallen. Met enkele journalisten is hij wel eens door Antwerpen getrokken om hen de plaatsen te wijzen waar sommige van zijn werken zich hebben afgespeeld. Ook Villa des Roses zou op een gelijkaardige manier zijn ontstaan: De Ridders collega en latere taaladviseur avant la lettre, Anna Christina van der Tak, zou ‘Fons’ aangemaand hebben zijn kostelijke Parijse anekdotes te boek te stellen. Aan het einde van zijn leven zou Elsschot zelf zover gaan om te stellen dat hij zélf de ‘Richard Grünewald’ uit Villa des Roses is geweest.

Die gang van zaken toont natuurlijk aan dat die preoccupatie van de mainstream literatuurbeschouwing met het ‘waargebeurde’ karakter van fictioneel werk niet nieuw is — al neemt ze tegenwoordig absurde vormen aan. Toch vermoed ik dat die ‘waarheidsvorsers’ zich door de auteur hebben laten rollen door hem op zijn woord te nemen. Het is te begrijpen waar die verleiding vandaan komt. Breekt de schrijver hier niet zelf de zorgvuldig opgetrokken muur tussen het leven van Alfons De Ridder en Willem Elsschot af?

Waarheid naar de hand zetten

Die conclusie gaat evenwel voorbij aan de manier waarop Elsschot die biografische ‘waarheid’ naar zijn hand zette. Ja, je kunt door het Antwerpse Sint-Andrieskwartier gaan wandelen met Het dwaallicht in je hand, maar de ‘geniepige straat met bochten in’ die Laarmans beschrijft als cruciaal onderdeel van de weg richting Maria Van Dam, is op het stratenplan van die wijk niet te vinden. De cijfers in het adres van de Villa des Roses worden omgekeerd. Duidelijke hints dat er hier meer aan de hand is dan het ‘recycleren’ van een waargebeurd feit tot fictie. Dergelijke hints zijn waarschuwingslampjes voor de beschouwer: hier is méér aan de hand.

Inmiddels mag ook het eeuwige ‘schrijven is schrappen’ dat met Elsschot wordt geassocieerd, op de schop. Zelfs een vluchtige blik op de manuscripten maakt duidelijk dat de schrijver intensief werk maakte van de compositie van zijn werken. Hier stond meer op het spel dan het tot ‘literatuur’ opleuken van anekdotes uit het leven van Alfons De Ridder. Als er in zijn werk al een ‘waarheid’ te vinden is, dan is die van literaire aard. Het hoeft niet te verwonderen dat een schrijver als Jeroen Brouwers, met zijn poëtica van ‘autobiografische fictie’, zo’n fascinatie voor het werk van Elsschot aan de dag legde.

Ontcijferd

Het mooie aan Rinckhouts Parijse Elsschotstudie is dat dit pretentieloze boekje de valkuil van een al te biografistische lezing vermijdt. Rinckhout kent de omkeringsmechanismes die Elsschot in zijn werk inbouwde en is bekend met de ironische waarde van ’s schrijvers biografische claims. Dit boek is er niet om zwart op wit te bewijzen wat er allemaal echt gebeurd dan wel verzonnen is in Elsschots debuutroman. Rinckhout brengt op een onvermoede en meeslepende wijze wel het tijdsgewricht tot leven waarin de kiemen werden gelegd van Elsschots schrijverschap.

Het is verbazend hoe fijnmazig die historische reconstructie geworden is. Villa des Roses staat uiteraard nog altijd als een huis. De roman heeft in principe geen ‘flankerende’ boeken nodig om het verhaal te stutten voor de hedendaagse lezer. Maar deze Elsschotstudie laat met zijn intelligente ontrafeling van de ontstaansgeschiedenis van het boek wel zien hoe Elsschot zijn literaire universum entte op zijn eigen veelkleurige indrukken van een voorbij Parijs, dat onder Rinckhouts pen weer even tot leven komt.

Willem Elsschot in Parijs — Op zoek naar de Villa des Roses en haar geheimen is verkrijgbaar bij onze webwinkel.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Michiel Leen

Michiel Leen (°1987) is zelfstanding journalist en redacteur voor verschillende publicaties, waaronder De Lage Landen, Deus Ex Machina, Verzin en verschillende vakbladen. Leen woont en werkt in Antwerpen.