Seks en etiketten

Scotney Castle, twee eeuwen geleden afgebroken tot er een romantische ruïne van overbleef.
foto © Wikimedia
Zaterdag 15 maart
IJskoud weer. Gisteren heb ik Poppy van het stationnetje in Robertsbridge gehaald. Ze vlijde zich tegen me aan en ik stuurde ons met mijn ene vrije hand naar huis. We zijn uitgenodigd voor een soupertje bij Nicola, een flirt van een jaar of 60, gepensioneerd advocate uit Londen, die na een voor haar gunstig uitgevallen echtscheiding in een boerderij in de vallei van de Brede is gaan wonen, een huis uit de late 15de eeuw, met zulk voornaam verweerd eikenhout dat we er spontaan voor buigen (mede omdat de plafonds zo laag zijn).
De drank vloeit. Ze wordt almaar mededeelzamer: ‘Zie je Uncle Eric?’ Ze wijst naar een modern olieverfschilderij. Oom Eric kijkt bedrukt, maar misschien omdat hij slecht geschilderd is. Naast hem hangt een vrouw die op Virginia Woolf lijkt. Nicola schenkt mij whisky in. ‘Die zielige Uncle Eric had wel vriendinnen, maar niemand wilde met hem naar bed.’
‘Waarom niet?’ vraagt mijn vrouw, die spuitwater drinkt.
‘Hij was te klagerig en te kaal en daar houden vrouwen niet van.’
Ik schiet overeind, tot vlak onder een balk uit 1470. Mijn diepste angst is dat ik te klagerig en te kaal ben en dat Poppy niet meer met me naar bed wil.
‘Dat is wel tragisch,’ zeg ik. Heb ik nu te veel whisky op? Misschien is oom Eric ook gewoon bedrukt omdat hij naast Virginia Woolf hangt.
Nu begint Nicola in iets te veel detail over de ondergang van haar huwelijk te vertellen, die zich allereerst in bed afspeelde. Haar hand rust op Poppy’s knie: ‘Nee, vriendschap is alles wat ik wil, geen mannen meer in mijn bed!’
Hebben wij nu zoveel geluk gehad, zeggen we op de terugweg tegen elkaar, of zijn we geduldiger geweest? Zijn we enkel door een gelukkig toeval goed in bed? Of hebben we ons na de dood van Anna bovenal vastgeklampt aan dat idee van geesteszieken en orthodoxe besjes dat we door iets sacramenteels met elkaar verbonden zijn, wat als het ware door het stempel van de dood zelf met een enorme klap bezegeld werd?
Maandag
Poppy is weer vertrokken – ze blijft een maand weg: Brussel, Straatsburg en Goshen in Indiana, waar een herdenkingsdienst voor haar moeder wordt gehouden.
Ik lees een nieuw boek van Joseph Pearce, ‘Schoon schip’, ondertitel: ‘Confidenties van een onbesneden Jood’, maar het zijn eerder memoires. Hij heeft het soort stem dat pas hoorbaar wordt wanneer het geroezemoes in de literaire salon even stilvalt.
De duizend exemplaren van zijn fijnzinnige Joodse weemoed vormen geen partij voor grote oplagen, die de bewondering vermenigvuldigen – ziehier een definitie van het schijten van de duivel.
Ook in dit nieuwe boek vertelt Pearce over zijn vader, als Joods product van het ouderwetse Pruisendom, dat volgens Lenin niet tot een revolutie bij machte was: ‘Als ze een station willen bestormen, kopen ze eerst een perronkaartje.’ Tot de nazi’s het tegendeel bewezen en een SS-Oberscharführer tegen de Joodse kapper die hem knipte kon zeggen: ‘Een halfuur geleden heb ik je dochter doodgeschoten.’ (Dit is een potscherf van de pogrom in Drohobycz, waarbij ook Bruno Schulz werd vermoord.)
Meer dan honderd Joodse familieleden van Pearce zijn tijdens de shoah omgebracht. Tegen die achtergrond heeft hij het ook over Israël en daarbij betoont hij zich de meester van de nuance: dit hoofdstuk vormt het beste, meest veelkantige korte proza over Israël en de Palestijnen dat ik ken: afkeer van Netanyahu is vermengd met kwaadheid op de eenzijdige commentaren in de pers.
Later
In het boek van Pearce staat een korte passage over Magda Friendländer, die van 1906 tot 1914 op het internaat van de zusters Ursulinen in Vilvoorde verbleef en in 1945, zoals mevrouw Goebbels, haar zes kinderen met blauwzuurcapsules om het leven bracht, wat een eigenaardige causaliteit lijkt te insinueren.
Dinsdag
Toen kroonprins Rudolf van Oostenrijk in 1889 zelfmoord had gepleegd, waren de uithoeken van het rijk zo tegen 1914 wel op de hoogte, maar tegenwoordig kan er niets gebeuren of het staat na een paar minuten op sociale media. De radicale modernisering van het lopende vuurtje.
De witte terriër van Kathleen viel de oude buldog van Mark aan en beet hem in zijn ballen. Het bloed spoot eruit. Mark bracht hem naar de dierenarts. Ik voel met Mark mee, al was het maar omdat hij met zijn grote kale schedel op zijn hond lijkt. Kathleen kwam ’s avonds met een fles wijn aanzetten. Mark deed de deur open en zei: ‘Fuck off.’ Je zit een biefstuk in de pub te eten.
Je moeder blaast tachtig kaarsjes uit. Je man doet het met je bestie, wat het begrip boezemvriendin een nieuwe dimensie verleent.
Zaterdag 22 maart
De Amerikaanse gezant Steve Witkoff, die namens Donald Trump met Vladimir Poetin heeft onderhandeld over de oorlog in Oekraïne, zegt in een interview: ‘Poetin vertelde mij ook dat toen Trump vorig jaar werd neergeschoten, hij naar zijn plaatselijke kerk was gegaan om er samen met een priester te bidden. Niet omdat Trump president zou kunnen worden, maar vanwege hun vriendschap. Hij heeft gebeden voor zijn vriend.’
Iemand als die Witkoff kun je niet doorgronden, eenvoudigweg omdat hij daarvoor te oppervlakkig is.
Maandag
Mijn oude vriend Rob Schouten logeert hier. We kennen elkaar uit de tijd dat ik nog haar had en literaire prijzen won. Inmiddels heeft hij twee dochters bij een Joodse vrouw uit Amsterdam en nog eens twee bij een Duitse barones die aan von Metternich en Karl Marx verwant is en na een omslachtige rechtszaak haar intrek in Neuschwannstein zou kunnen nemen. Ook die vier dochters hebben weer kinderen.
De aartsvader en ik drinken een fles ‘eau de vie framboise’ leeg, terwijl we vermakelijke herinneringen ophalen. Met het zakken van het peil in de fles worden ze steeds leuker en steeds minder betrouwbaar. Terwijl ik, al halfdronken, nog wat slagroom spuit op een verhaal besef ik dat ik halfdronken ben en onzin uitsla om mijn vriend te vermaken.
Wanneer ik opsta, voel ik de rotatie van de aardbol.
Dinsdagochtend
Wat doet die grijze man in mijn keuken? Ik heb een hoofdpijn met historische dimensies. Agincourt, Waterloo, Stalingrad, mijn hoofdpijn…
Na de middag
Ik laat Rob het schilderachtig in een vijver gelegen Scotney Castle zien – het kasteel, doceer ik, is twee eeuwen geleden afgebroken tot er een romantische ruïne van overbleef. De familie bouwde een nieuw huis op de heuvel en het personeel zou nog honderd jaar in het restant middeleeuwen zonder stromend water blijven hokken, aan de voet van de heuvel. Omgekeerd kon je als victoriaanse heer van bovenaf mooi het gebrek aan klassenstrijd in de gaten houden en genieten van het idyllische verval.
Rob vertelt over een biografie van Gerrit Komrij die bij de Bezige Bij zou verschijnen, tot een zogeheten ‘sensitivity reader’ zijn overgevoeligheid op het woord ‘homobar’ losliet.
‘En toen?’
‘De schrijver weigerde homobar te doorstrepen. Het eindresultaat is dat die biografie nu bij de Arbeiderspers verschijnt. Gerrit lacht zich gek in de homohemel.’
Het park klimt de heuvel naar het nieuwe huis op. Sleutelbloemen, bosanemonen, de zelfingenomen gouden narcissen, gelakt door de zon. We halen koffie en gaan op het publieke terras bij het huis zitten. We babbelen. We belanden bij zijn ex-vrouwen, zijn vriendin, Poppy… Als je elkaar een jaar of 40 kent, laat het babbelen een zekere schaamteloosheid toe.
‘…’
‘Ik geef toe dat ik haar mythische allures toedicht. Onlangs noemde ik haar een blonde ganzenhoedster met aristocratische oogopslag, voor wie de voorbijgalopperende baron abrupt zijn paard inhoudt. Het is die boerenafkomst van haar die me prikkelt, dat mengsel van Noord-Europees en Slavisch bloed, al die atavismen die maken dat ze zich bijvoorbeeld eeuwig zorgen maakt over geld en nooit het conflict met haar zus uitpraat.’
‘Maar vindt mijn ouwe romantische vriend het dan vreemd als een vriend van hem diezelfde vrouw aantrekkelijk vindt?’
‘Integendeel. Dat is vleiend. Alleen blijf je van elkaars vrouw af. Je volgt je vriend niet in zijn slaapkamer, net zomin als je hem naar de plee volgt.’
‘Maar als iemand haar nu het hof maakte en jij wist van niets?’
‘Dan nog.’
‘Getrouwde mensen zoals jij en Poppy hebben labels. Jullie zijn jullie eigen bagage. Op Poppy’s label staat ‘Mrs P. Barnard-Lehman’ en dat maakt haar tot onderdeel van een huwelijkse toestand, en die dient heel burgerlijk het gemak. Eten, dak en seks gegarandeerd.’
‘Vooral als Mrs P. Barnard-Lehman goed verdient.’
‘Maar van seks kun je die etiketten toch verwijderen? We hebben de vrijheid om met iedereen te praten, waarom hebben we dan niet de vrijheid iedere vrouw te verleiden die verleid wil worden?’
‘Om dezelfde reden waarom we allemaal kakken en dat toch niet in het openbaar doen. Het is een soort beschavingsafspraak.’
‘Maar ik mag wel over het weer met haar praten. Of over ‘Lady Chatterley’s Lover’. Je moet seks gewoon als een fysieke conversatie beschouwen.’
‘Ze is míjn ganzenhoedster, baron…’
Neem mij deze parodie op D.H. Lawrence niet kwalijk. lezer.

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.
Zondag 12 april Het is de sterfdag van mijn moeder. Ze ging op bed liggen – ‘Ik ben een beetje moe’, zei ze tegen mijn zus – en haar ogen braken. Dat is 31 jaar geleden. Ik was op bezoek bij Peter, die even buiten Lausanne in een zonnige kliniek lag te herstellen van zijn eerste hartoperatie. Het Meer van Genève …






