Siciliaanse dagen

foto © Unsplash
Woensdag 23 april
De boot trekt zijn schuimende voor in de meest bezongen baai ter wereld: achter ons de stad die maakt dat we volgens Goethe nooit meer ongelukig hoeven te zijn, want onze gedachten kunnen altijd naar haar terugkeren; links van ons de ingezakte kegel van de Vesuvius, die zichzelf al sinds de oudheid, al honderdvijftig generaties lang, om de zoveel tijd vernietigt, die de schoonheid de oorlog verklaart; eilandjes liggen aan beide zijden van de havenmond verspreid; nu varen we de Tyrreense Zee op – we staan aan dek onder de sterren en zien het schone naast het verschrikkelijke, het verschrikkelijke naast het schone…
Maar dat is allemaal poëtische onzin, het is bewolkt, de ovalen baai is schemerig en somber, het duistere water weerspiegelt industriële lichtjes; ik vaar door de beelden die de romantiek in mijn brein heeft afgedrukt, Goethe, Byron, al die dwepers die door de geschiedenis in leugenaars zijn veranderd – als ze na twee eeuwen hier terugkwamen, zouden ze dat smerige, criminele Napels niet kunnen uitstaan en de door een miljoen schermpjes vermenigvuldigde baai verachten. ‘Laten we naar binnen gaan’, zegt het liefje van Byron en Goethe.
Donderdag
De kajuit was benauwd. We sleuren onze koffertjes door Palermo, op weg naar onze gehuurde auto. Het is niet erg warm, maar we gaan toch op een terras zitten, waar uitsluitend een QR-menu beschikbaar is. Het tafeltje wiebelt. Ik vraag de ober, die een dun, misdadig snorretje heeft, om een echt menu. ‘Menu di cartone.’ Italiaans is een verzinsel van me, uitgesproken alsof ik een libretto citeer. ‘Abbiamo solo questo’, zegt snorretje. ‘Iz foetoer.’ Terwijl Poppy zich in de toekomst verdiept, duw ik een suikerzakje onder een tafelpoot. De koffie is even slecht als mijn humeur.
We rijden drie uur lang door een leeg, groen landschap van hoge heuvels. In de lege weilanden bloeien bekoorlijke bloemen. In de lege stadjes staan de armoedige huizen te vervallen. Dan bereiken we Giardini-Naxos, dat dicht bij Taormina aan de kust ligt en beslist charmant is. We hebben een kamer gehuurd in een neutrale villa uit de jaren vijftig, een kamer met zware luiken, drie zinloze kasten, een televisie en een bed met schone lakens. Keukentje, badkamer met watercloset. Mijn humeur knapt op, het kon allemaal veel erger: in een ander leven nam ik mijn intrek in een beschimmeld krot, waar ik het bed deelde met een kwijlende oude heks.
We doen boodschappen in een kleine supermarkt die Deco heet. In elke gang botsen we op een ongelukkige jongeman, die Abbastanza Stupido heet en per telefoon met het matriarchaat is verbonden, dat de boodschappenlijst afratelt en dan opnieuw afratelt en dat hij goedgunstig probeert te stemmen met ‘Mamma’ en dan opnieuw ‘Mamma’. Onze spaghetti wordt voortreffelijk en mijn mezzosoprano, die een cursus Italiaans volgt, geeft me aan tafel een beetje Italiaanse les.
Vrijdag
Bij onze villa hoort een privéstrandje van zwart zand en rotsen gekneed uit lava, waartussen krabbetjes in privézwembadjes rondscharrelen. Het zeewater is keurig turkoois. In de verte staat de Etna te roken: die vulkaan is altijd onrustig, de laatste eruptie was in december 2023; de Vesuvius is niet meer uitgebarsten sinds 1944. Natuurlijk bezoeken we Taormina, waar we een lieflijke parkeerplaats in haarspeldbocht vinden, aan de voet van ontelbaar veel smalle traptreden die ons naar de middeleeuwen voeren. Het beroemdste gebouw is het Grieks-Romeinse amfitheater. Een tourniquet karnt een groepje Chinezen; dan mogen wij naar binnen. Twee carabinieri houden toezicht onder hun idiote pet. Het theater staat er voor Puccini, maar er wordt een lawaaierig spektakel voor schoolkinderen opgevoerd. Je kunt op het toneel ‘Ti amo’ fluisteren en het is overal verstaanbaar, maar de acteurs praten en zingen luidkeels en een geluidsinstallatie maakt er gebrul van. In de flonkerende druipsteengrot van een gelateria kopen we een paar stalagmieten van ijs.
’s Avonds (terug in Giardini-Naxos)
We eten voortreffelijk in een volksrestaurant, waar een conische reus met een spleet tussen zijn voortanden ons bedient. Hij is een en al vulkaanvormige reusachtigheid en eentalige beminnelijkheid. Poppy vraagt waarom het menu behalve in het Italiaans en Engels ook in het Russisch is. ‘Er komen hier veel Russen’, zegt hij. ‘Rijk geboefte’, zeg ik. ‘Maffia.’ De spleet tussen zijn tanden wordt wijder. ‘Waarom begint u over de maffia?’ Mijn libretto is zoals de meeste libretti niks waard. Rustig nu, hulpeloos glimlachen, het is wel een reus. ‘Siamo stranieri’, zegt de mezzosoprano. ‘Mijn man vraagt of die Russen wel, eh … eerlijke mensen zijn.’ Was John Crook hier, dan zei hij ongetwijfeld: ‘We’re not foreigners! We’re English!’
Twee uur ’s nachts
Onder ons raam is een parkje waar de jeugd op haar gemotoriseerde Vespa’s en motoren bijeenkomt. ‘Ti amo!’ brullen ze. Ze spelen muziek. Die moderne pantoffelparade bezorgt me hoofdpijn. Hoofdpijn is anders op Sicilië. Je hoofd denkt dat de uitvinding van de ontploffingsmotor voor de Italianen verborgen had moeten worden gehouden. Je vraagt je af hoe dat volk ooit de renaissance heeft uitgevonden. Je trekt aan een zwaar luik, dan wrik je smeedwerk in de correcte positie en duwt het raam open. En je schreeuwt: ‘Oi! Mi piace dormire!’ Onmiddellijk wordt het stil.
Zaterdag
Op televisie wordt de paus begraven, waar we naar kijken alsof we op een ontknoping wachten. Maar die komt niet. We trekken ons los van het purper en rijden in onze Fiat naar Forza d’Agro, dat hoog boven Taormina ligt, aan het eind van een weg die uit tientallen paperclips bestaat. Halverwege stoppen we bij een door de toeristische dienst aanbevolen uitzicht: nu zien we het vasteland alsof we naar een kaart kijken, het strekt zich uit naar het noorden en raakt ons eiland bijna aan, dat is de Straat van Messina. Vanuit Taormina, dat schattig ligt te wezen in de diepte, vloeit bruin rioolwater in zee.
Parkeren is tien minuten uit Poppy’s cursus: de automaat kent uitsluitend Italiaans en wil iets weten dat wij niet begrijpen. Goethe kende een Italië zonder automaten, waar het ingewikkeldste een scholastisch godsbewijs was, iets heel eenvoudigs, vergelijkbaar met de beeldentaal in de vijftiende-eeuwse kerk op het pleintje met palmbomen iets verderop. Achter een muurtje bloeien citroenen, die ook weer aan Goethe herinneren. Poppy neemt foto’s, wat ze altijd doet, zonder uit te kunnen leggen wat je met tienduizend foto’s op een telefoon moet.
Ik kijk naar de kerk. Wat een lelijke kerk! Het raadsel van Italië: de kerk is vijftiende-eeuws en toch lelijk. Gebouwen en schilderijen en mensen in Italië zijn gauwer lelijk dan ergens anders, omdat de gebouwen en schilderijen en mensen in Italië gemiddeld mooier zijn dan ergens anders. Forza d’Agro wordt bekroond en overschouwd door de ruïne van het Castello Normanno: de Normandiërs vielen in 1061 binnen in Sicilië, vijf jaar voor ze aan Engeland begonnen…
Van bovenaf valt me op dat de middeleeuwse huizen in zo’n provinciestadje er net zo uitzien als de huizen uit de renaissance of de negentiende eeuw, data die hier en daar op plaquettes worden genoemd: Romeinse dakpannen, grote brokken natuursteen, pleisterwerk uit de losse pols. In het noorden veranderen de bouwstijlen na de middeleeuwen per eeuw of koning, maar hier lijkt er geen mode te bestaan, de architectuur herhaalt zichzelf tot Mussolini de art deco ontdekte, maar ook die tref je alleen maar in grotere steden aan.
We bestellen eten bij een serveerster die geen woord Engels kent tot wij Italiaans beginnen te spreken en zij haar twintig Engelse woorden afratelt en opnieuw afratelt. Zou de antropologie de mentale verhouding van de Italianen met de sprekers van al dat Barbaars ooit onderzocht hebben? De rekening is zoals overal een euro of tien te hoog.
Zondag
De Villa Pietralunga, verscholen in het binnenland, is in 1910 gebouwd als zomerresidentie van de familie Li Destri Nicosia, in het gehucht Pietralunga. Dora di Nicosia verschijnt en verwelkomt ons in het huis, dat zich naar alle kanten lijkt voort te zetten, via een onverlichte gang linksaf, over een binnenplaats waar varens tegen een natte muur groeien, door een enfilade van woonkamers, nu rechtsaf, daar is een nieuwe vleugel, alsof er een miraculeuze constructie gaande is terwijl we ons laten rondleiden…
Dora heeft een zoon van twaalf, Gabriele geheten, een naamloze echtgenoot, zes pauwen, meubilair van voor la Grande Guerra en een artistiek-aristocratisch voorkomen (hoewel ze dierenarts is), met trekken die getuigen van erfelijke voorrechten, en met warrige krullen, het kunstzinnige voorstadium van een kapsel. We logeren in twee romans tegelijk: een van E.M. Forster en Il Gattopardo van Di Lampedusa.
Ook ik zou me willen verkleden voor het eten, zoals de Tijgerkat, in het volle besef dat je verkleden voor het eten al lang voor mijn geboorte uit de mode was, en dat deed ik het liefste met uitzicht op een stadje dat mijn achternaam droeg, zoals Dora al kauwend naar Nicosia aan de overkant van het dal kan kijken. In een van onze twee woonkamers staat een plastic kerstboom, beladen met slingers en ballen, de douairière van haar eigen vorige feest.
‘Sorry’, zegt Dora, ‘alle sprinkhanen van mijn familie komen hier met Kerstmis en in augustus. Ik heb nog geen tijd gehad die stomme boom op te ruimen.’ Ze wijst op een zwart-witte trouwfoto uit de jaren zestig: ‘Mijn ouders. Ook alweer jaren dood.’ Ze zegt het nonchalant, een soort verbaal schouderophalen, alsof doodgaan een verwaarloosde adellijke traditie is.
Haar vader draagt een zwaar, donker montuur, à la Onassis; de bruidsjurk laat de knieën van haar moeder zien, wat iets aandoenlijk gedateerds heeft, alsof de naaister 60 jaar van de echte jurk heeft afgeknipt. In de deur tussen de beide woonkamers staan potloodstreepjes. Op 1 september 1982 was Dora 152 cm. Op 25 december vorig jaar was Gabriele 147 cm. Dit hele betoverende, krankzinnige gebouw is een uitstulpsel van de geschiedenis, een aneurysma in het brein van de tijd. ‘Het leidingwater kun je maar beter niet drinken’, zegt Dora, ‘tenzij je een geboren Siciliaan bent. Er staan flessen in de koelkast.’
’s Avonds
Op het landgoed blaft een hond, die antwoord krijgt van een hond in het dal. ‘Ik ben doodmoe’, zegt de mezzosopraan. In het bed ligt een paardenhoofd.
Dinsdag
We drinken koffie op de Piazza Garibaldi. Onderweg naar het hoogste punt van Nicosia komen we langs een kerk: iets verderop nadert een trage begrafenisstoet, waarvoor tientallen mensen met gebogen hoofd aan weerszijden van de straat stilstaan, de mannen met hun hoed in de hand. Ook wij blijven staan. De klokken luiden vroom en bezeten. Europa verstopt zich in het gebeier.
Woensdag 30 april
De pauwen wekken ons, saletjonkers die dialect praten.

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.
Zondag 12 april Het is de sterfdag van mijn moeder. Ze ging op bed liggen – ‘Ik ben een beetje moe’, zei ze tegen mijn zus – en haar ogen braken. Dat is 31 jaar geleden. Ik was op bezoek bij Peter, die even buiten Lausanne in een zonnige kliniek lag te herstellen van zijn eerste hartoperatie. Het Meer van Genève …






