Communautair, Politiek
werk

De coalitiepartners moeten vrede nemen met een ‘mager’ arbeidscompromis

De federale regering en de deelstaten bespreken 30 maatregelen waarmee ze meer mensen aan het werk willen krijgen. Maar de besprekingen stokken, en wel om twee redenen: door de opeenvolgende staatshervormingen zijn de verantwoordelijkheden met betrekking tot werk hopeloos versnipperd. En voor wat betreft de federale competenties blokkeren de sociale partners elk initiatief.

Schokgolven

Op een relatief korte tijdsspanne heeft onze arbeidsmarkt belangrijke schokken ondergaan: de werkgevers vinden nauwelijks gegadigden voor de vele vacatures, het ziekteverzuim in de ondernemingen blijft maar stijgen, en we naderen de kaap van de 400.000 arbeidsongeschikten. Daarbovenop zijn er andere dossiers die al lang strop zitten, zoals de verdere harmonisering van het statuut van arbeider/bediende en de problematiek van de zware beroepen. De regering Michel I voelt zich stilaan verplicht om de forcing te voeren als antwoord op veler verwachtingen. Op de agenda staan onder meer:

  • opleidingstrajecten voor werkzoekenden: de stok (werkonwilligen strenger sanctioneren) en de wortel (wie in een opleidingstraject stapt zou zijn uitkering niet langer zien dalen;
  • fiscaliteit: de belasting op premies voor werkzoekenden zou in sommige gevallen worden geschrapt;
  • vacatures: Vlaamse bedrijven zullen worden aangemoedigd niet alleen vacatures door te geven aan de VDAB, maar ook aan de Brusselse en Waalse tegenhanger;
  • activering: wie ontslagen wordt, moet zich meteen inschrijven bij de VDAB en niet pas op het einde van de opzeg;
  • de herziening van de wet-Renault;
  • het begeleiden van bruggepensioneerden naar knelpuntjobs;

enz.

Wie is waarvoor bevoegd?

Er liggen momenteel dus een hele reeks regeringsvoorstellenvoorstellen ter tafel bij het Overlegcomité, waarin zowel de federale als deelstaatregeringen zetelen. Het gaat hoofdzakelijk over hervormingen waarvoor de deelstaten vragende partij zijn omdat ze aansluiten op hun beleid, maar die ze zelf niet kunnen doorvoeren omdat ze de bevoegdheid niet hebben (De Tijd, 27 juni 2018).

Bijna alle discussies over dossiers m.b.t. werk starten met het uitvlooien tot waar de bevoegdheid van de respectieve overheden reiken. Dit is een hopeloze warwinkel geworden. Zo is de begeleiding naar werk een verantwoordelijkheid van de deelstaten, maar het regelende kader is een federale materie. Zo zijn de gewesten bevoegd voor de regelgeving m.b.t. de werkhervattingstoeslag voor oudere werklozen, maar blijft de RVA verantwoordelijk voor de uitbetaling. Zo hangt het reglementaire kader m.b.t. de arbeidsgeneeskunde af van het federale ministerie van Werk, maar moet de erkenning van de bedrijfsgeneeskundige diensten gebeuren door de gewesten. En zo kunnen we nog een hele tijd doorgaan.

Stroomlijning?

Dit maakt een gestroomlijnd beleid compleet onmogelijk, in de eerste plaats omdat de tewerkstellingsproblematiek in Vlaanderen, Wallonië en Brussel fundamenteel van elkaar verschilt. Maar het gaat ook over de wijze waarop de bedrijfsvloer in ondernemingen, maar ook in instellingen wordt aangestuurd in de diverse regio’s. Bij wijze van illustratie beperken we ons tot het bescheiden vakgebied van de veiligheid en de gezondheid op het werk. De Vlaamse beroepsorganisatie Prebes die de deskundigen groepeert op het vlak van het welzijn in ondernemingen telt meer dan 6.000 leden telt; de Franstalige evenknie Arcop heeft al jàren moeite om 800 aangeslotenen te halen. Het aantal gevallen van ongewenst grensoverschrijdend gedrag op het werk (pesten, agressie, seksueel getinte handelingen) ligt stùkken hoger in het zuiden van het land. De criteria voor het toekennen van een uitkering in het kader van de beroepsziektenvergoeding worden in Wallonië met een véél lossere pols gehanteerd dan bij ons. Ook op dit vlak kunnen we, zelfs binnen zo’n klein beleidsdomein, talloze voorbeelden geven.

De uitweg is evident voor iedereen die naar deze problematiek met een onbevangen blik kijkt: de Belgische wereld van de arbeid moet dringend volledig gedefederaliseerd worden. Maar vooral de syndicale organisaties zullen zich hiertegen verzetten, in de eerste plaats omdat zij véél meer impact hebben op het federale beleid dan op het Vlaamse. De overdreven bescherming van vakbondsvertegenwoordigers in ondernemingen, het quasi-monopolie voor het uitkeren van de werkloosheidsvergoedingen, de greep van de syndicale organisaties op het functioneren van allerhande instanties… het zou in een Vlaamse context allicht stevig worden afgebouwd. Vandaar de traditionele aversie van de werknemersgerichte fracties in politieke partijen tegenover staatshervormingen.

De sociale partners besturen, niet de regering

En ja, het behoort tot in de reglementering vastgespijkerde afspraken dat de federale Minister bevoegd voor werk voor zowat elke actie het advies moet inwinnen van de sociale partners. Hierbij hoort volgens de geplogenheden dat, wanneer de sociale partners tot een unaniem akkoord komen over gelijk welke problematiek, de voogdijminister informeel verplicht wordt om het standpunt te volgen. Ook al beseft de ambtenarij dat de voorstellen in kwestie onwerkbaar zijn of de belastingbetaler handenvol geld zullen kosten. Kris Peeters wordt verwacht dergelijke compromisvoorstellen klakkeloos in de pijplijn te steken, en zijn kabinet, dat nagenoeg integraal bestaat uit deskundigen met een syndicaal getinte achtergrond, zal hem daarbij zeker niet afremmen.

Op deze manier verwordt de federale minister van werk tot de loutere notaris van door de sociale partners onderling afgesproken beleidsvoorstellen. Kris Peeters en al zijn voorgangers (Luk Van den Brande, minister van Arbeid en Tewerkstelling onder de regering Maertens VIII, was een zeldzame uitzondering) hebben nooit voldoende zelfrespect aan de dag gelegd om hier een vuist te maken. Nochtans is onze grondwet duidelijk: het is de regering die, ondersteund door de administratie, regeert en niet de sociale partners (die zelfs formeel niet bestaan en dus ook nergens aansprakelijk voor zijn). In nochtans traditioneel sociaal-democratische staten als de Scandinavische landen  (maar ook Nederland), die doorgaans worden beschouwd als exemplarisch op het vlak van sociaal beleid, wegen de syndicale organisaties véél minder door in het overheidsoptreden.

Jan Van Peteghem

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Jan Van Peteghem?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbaak.

Ik help Doorbraak groeien.

Dit artikel delen of afdrukken




Commentaren en reacties


Kijk vooraf even op onze Spelregels en technische problemen
Reacties - klik hier

Voeg een reactie toe

https-doorbraak-be

Lees ook

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans