Cultuur
Lauwaert

De laatste picaro van de Vlaamse letteren

Laudatio bij de memoires van Guido Lauwaert

Aan redacteurs die me vroegen hoe lang hun artikel moest worden, heb ik altijd geantwoord: zo lang als het moet, en zo kort als het kan.

Ik zal proberen mijn eigen consigne te volgen.

Niét zoals Guido Lauwaert, die er bijna 400 pagina’s over doet om ons zijn eerste boek te presenteren. Althans, het eerste dat niet is opgehangen aan andermans werk, zoals Elsschot of Claus.

Volgens de ondertitel gaat het om zijn memoires.

En zet u maar schrap: er komt nog een tweede deel.

Nu, zoals u weet, het geheugen, anders gezegd ‘memoires’, laten ons graag in de steek. U moet dus niet alles geloven wat Guido schrijft. Hij gelooft het zelf ook niet.

memoires

Literatuurgeschiedenis

Maar, hand op het hart, het boek is een boeiende brok literatuurgeschiedenis. Niet in de zin van een overzicht van wat er in onze contreien allemaal op papier is gezet, maar een duik in het echte reilen en zeilen van ons literaire wereldje. Zonder franjes of opsmuk.

Naarmate het boek vordert, en de ene nacht van de poëzie zwanger is van de volgende, wordt het almaar spannender.

Want iedere keer moet de picaro van de Vlaamse letteren weer van scratchbeginnen.

En toch heeft hij het bestaan om niet alleen telkens weer het kruim van de Nederlandse dichtersbent een podium te bieden. Ook internationale grootmeesters zoals, sindsdien helaas allemaal wijlen, Roland Topor uit Frankrijk, Allen Ginsberg en William Burroughs uit Amerika. Zelfs Jevgeni Jevtoesjenko, uit de toenmalige Sovjet-Unie, heeft hij kunnen lijmen.

En over lijmen gesproken: we weten dat Lauwaert onvoorwaardelijk fan is van Elsschot.

Maar hij heeft zijn meester in de schaduw gesteld met meer dan één staaltje onvervalst lijmen.

Het was de enige manier waarop hij, een landloper, een armoedzaaier, maar een hartstochtelijk liefhebber van literatuur, en van poëzie vooral, telkens weer vuurwerk kon ontsteken in onze ingeslapen letteren.

Rode balpen

Slordigheden wezen hem daarbij vergeven; de auteur blinkt niet uit in nauwgezetheid.

Toen ik zeventig werd – alweer een eeuwigheid geleden – heeft Guido mij als cadeau 70 rode balpennen gegeven.

Dat was ter herinnering aan al die keren dat hij voor mijn bureau stond, terwijl ik door zijn artikelen fietste. Dan volgde Guido met een bang hart hoe ik met een rode balpen door zijn tekst liep, correcties aanbracht of hele stukken wegsneed

Het manuscript voor het boek van vandaag heeft hij me niét voorgelegd. Anders had ik hem er onder meer op kunnen wijzen dat het Hotel Negresco niet in Cannes, maar in Nice ligt, en dat die gulden sporen er echt wel zijn geweest en tot in 1382 zijn tentoongesteld in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk.

Pietje precies

En toch is Guido bij momenten, en vooral in zijn artistieke optreden een pietje precies.

In zijn boek beschrijft hij hoe hij Who’s afraid of Virginia Woolftot een éénmansstuk heeft omgebouwd en aldus met Wie is bang voor Guido Lauwaertde boer optrok. Hij heeft het ook bij vrienden gespeeld, onder meer bij ons thuis. Uren voor de voorstelling, was hij druk in de weer met de voorbereidingen, onder meer het vullen van lege flessen met thee. Die verstopte hij achter fauteuils en kasten om ze later, tijdens de opvoering, op te duikelen en leeg te slokken alsof het whisky was. Tot grote verbazing, onthutsing en bewondering van wijlen Fons de Haas, muziekrecensent bij Knacken zelf een notoire whiskydrinker.

Het meest opvallende was dat Guido, tijdens zijn mise en place, in de lichtarmen van de luchter spinrag ontdekte. Ons had dat nooit gestoord, maar nu moesten die stofnesten stante pede worden weggehaald. De auteur, decormeester en acteur die straks een beeld zou ophangen van totale verloedering en zedenverwildering, kon zijn ding niet doen met spindraad aan het plafond.

Geboren dwarshoofd

In Guido’s schelmenroman komt vooral het beeld naar voor van een geboren dwarshoofd, die er altijd weer van opkijkt dat niet iedereenhem in zijn armen wil sluiten. Ook al doet hij nog zo zijn stinkende best om over te komen als een stuk chagrijn. Lauwaert houdt van de hele wereld, maar die wereld moet hem nemen zoals hij is. Hij staat erover verbaasd dat het hem soms niet in dank wordt afgenomen als hij zich iets aanschaft zonder, zoals hij zelf schrijft, langs de kassa te passeren. Die strapatsen zijn in zijn hoofd verantwoord, omdat het altijd de bedoeling is geweest ook anderen wat te gunnen.

En ach, aangezien hij nooit een rooie duit heeft bezeten, moest hij het wel ánders aanleggen.

Lauwaert zal niet zeggen, zoals wijlen mijn broer Johan, dat hij beter onrecht kan verdragen dan een gescheurde nagel. Hij ruikt het van ver en kan het niet verkroppen, ook niet als hij het nog als kind heeft moeten ervaren. Een leraar die je vernedert en je het bloed vanonder je nagels pest, wie heeft het niet meegemaakt? Zoveel van wat Lauwaert beschrijft, heb ik als kind ook beleefd, maar nu pas, bij het lezen van Guido’s memoires, herinner ik het mij weer. Hij daarentegen heeft het niet vergeten. Hij is nog altijd boos en verontwaardigd over wat hem indertijd is aangedaan.

Naïeveling

Onze Don Quichote is ook een naïeveling met een onwankelbaar vertrouwen in mensen. Hoe argeloos en wereldvreemd moet je zijn om de toegangsprijs voor de nacht in Kortrijk facultatief te laten? De affiche, met de grootste namen van dichters uit de hele wereld, schreef ook ‘Wie betaalt wat hij kan, is waard dat hij komt.’

Wie, behalve Guido Lauwaert, kan het dan verwonderen dat in de urne voor het toegangsgeld amper een paar koperen centen en knopen werden gevonden?

Trouwens, hij had het kunnen weten. Lauwaert betaalt zelf ook nooit toegang. Overal lult hij zich gratis binnen.

Moeder en dochter

Lauwaerts hart loopt dan weer over als hij beschrijft hoe zijn moeder, later zijn zus, het karige brood verdeelde. We komen zelfs te weten wat hij als beleg tussen zijn boterhammen kreeg voor op school, pal tegenover hun eigen deur. Hij is trots op zijn ouders en is vooral zijn moeder dankbaar, dat ze er telkens in slaagde hem her en der aan een baantje te helpen.

Het spijt hem nog altijd voor haar, dat hij het iedere keer weer heeft verknald.

Guido’s moeder heeft hem onder meer binnen gekletst bij een drukker. Samen met hem ruik ik nog de drukinkt, ik hoor het geklets van de linotypes, ik zie de letterbakken en hoe ze met een sleutel het zetwerk inkaderden, ik lees nog negatief van het lood af.

Lauwaert beschrijft het allemaal met voelbare weemoed. Het is geen toeval dat de uitnodiging voor de presentatie van vandaag, de cover en het zetwerk van het boek, zo oogstrelend zijn: Guido heeft het vak niet verleerd. Hij heeft het doorgegeven aan zijn dochter Joyce, die tekent voor de sublieme, stijlvolle cover van zijn boek. Alleen al daarvoor zou je het kopen.

Liefde

Guido beschrijft ook zijn passie voor de Olivetti-schrijfmachine, ontworpen door Jean-Michel Folon, en in dienst waarvan Guido er veel verkocht en nog meer gejat heeft.

Hij deelt die liefde met wijlen mijn broer Johan en auteurs zoals Eriek Verpale, die voor Bob de Moor een monoloog heeft geschreven over de Olivetti.

Guido vergeeft het sommige ambtenaren, politici, gezag- en andere slippendragers, nog altijd niet dat ze voortdurend probeerden ambtelijke, financiële of wettelijke stokken te steken tussen zijn dromen over feesten van liefde, pijn en poëzie. Maar ook is zijn dankbaarheid groot voor mensen die hem op weg hebben geholpen, en gesteund in zijn kronkelige carrière. Ik vind het bijvoorbeeld ontroerend hoe hij de lessen beschrijft die hij van Luc Philips heeft gekregen, al heeft die hem verteld dat hij nooit een echte acteur zou worden.

Ik wil dat trouwens nuanceren: Guido moest geen acteur worden, hij is acteur geboren.

Ook zijn liefde voor Julien Schoenaerts heeft Guido raak omschreven. Ik geloof dat hij de eerste is die de grootste acteur van Vlaanderen, in hart en nieren heeft doorgrond.

Het doet me denken aan de grandioze foto die Herman Selleslags van Schoenaerts heeft gemaakt, toen die de Apologie van Socrates speelde in de Beursschouwburg van Brussel.

Herman had hem meegetroond naar buiten.

En daar stond Schoenaerts, in zijn witte hansop, armen gespreid ten teken van liefdevolle overgave, midden op de drukke straat, met de beurs – de echte, niet de schouwburg – als achtergrond.

Haal Schoenaerts weg – als dat geen godslastering is – en zet Lauwaert in de plaats.

Het beeld blijft kloppen.

Jammer van die rosse kop.

Karel Anthierens

Karel Anthierens (1935) is oud-hoofdredacteur van o.a. Panorama, Knack, De Zwijger en Humo.
Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans