Economie

De sociale zekerheid kan niet met pensioen

Een syndicale visie, bezonnen maar eenzijdig


sociale zekerheid

Marc Leemans, Miranda Ulens & Mario Coppens (respectievelijk van ACV, het Vlaamse ABVV & ACLVB) hebben in De Standaard  van 27 december een motie op papier gezet over de noodzaak om het Belgische sociale-zekerheidsstelsel te herfinancieren. Wat daarin te lezen staat is weinig origineel. Academici die onze sociale zekerheid de voorbije decennia becommentarieerden, hebben dit al tientallen keren gesteld, maar dat doet geen afbreuk doet aan de waarde van hun suggesties.

Een ‘falende sociale zekerheid’

‘Om de uitdaging te kunnen aangaan heeft de sociale zekerheid nood aan een stabiele financiering’, zeggen de auteurs. Natuurlijk is dat zo: het Beheerscomité van de Sociale Zekerheid kwam enkele dagen geleden uit op een geraamd tekort van maar liefst 3,1 miljard. Dat is alarmerend en noodzaakt een ingrijpen. Niemand die bij zijn verstand is kan het daarmee oneens zijn. Dat zou je tenminste denken. Maar de wakkere burger kon vaststellen dat het ontwerp-regeringsprogramma van Paul Magnette daar duidelijk nièt wakker van ligt.

In de weekendeditie 28 december van De Tijd sprak Rik Van Cauwelaert van een ‘falende sociale zekerheid’, maar onze Franstalige landgenoten zijn duidelijk (weer eens) van mening dat het niet aan hen toekomt om het probleem op te lossen.
Dat probleem zit zowel aan de inkomsten- als aan de uitgavenkant. Om de sociale zekerheid te saneren moet je dus aan beide kanten sleutelen, en daar wringt het schoentje bij onze vakbondstop.

Inkomsten en uitgaven moeten in evenwicht zijn

Een elementaire boerenwijsheid, nietwaar? Het geen kwaad om te benadrukken dat dit duurzaamheidsprincipe ingebakken zat in ons moderne sociale-zekerheidsstelsel van bij de geboorte. Voor de vakbonden en werkgeversorganisaties die, samen met onze regering in ballingschap, de contouren ervan in akkoorden goten tijdens de Tweede Wereldoorlog was het een evidentie dat alle takken van onze sociale zekerheid op de lange termijn zelfbedruipend moesten zijn.
Punctuele uitschieters, zelfs deze die meerdere jaren aanslepen zoals een ernstige economische crisis die hard snoeit in de tewerkstelling, zijn aanvaardbaar – en zelfs onvermijdelijk. Maar de ontwikkelingen vanaf pakweg 1975 doorkruisten dit gezonde principe in een steeds toenemende mate.

Eerst de kant van de inkomsten. We bedoelen hiermee het totale bedrag aan middelen die naar onze sociale zekerheid toevloeien. Dat is een combinatie van werkgevers- en werknemersbijdragen, aangevuld met almaar stijgende belastingopbrengsten (op te hoesten door de modale burger, onder meer via de BTW-heffingen). De voorbije decennia werd aan die inkomstenkant stevig beknibbeld door allerlei niet-reguliere vergoedingen niet te onderwerpen aan sociale-zekerheidsbijdragen (maaltijd- en andere cheques, bedrijfswagens, beleggingsresultaten, huuropbrengsten…), en de regering-Michel I heeft daar nog een stevig schepje bovenop gedaan via het ‘onbelast bijverdienen’.

Op instigatie van de liberale partijen

Wie nu in zijn vrije tijd bijklust, kan onder bepaalde voorwaarden tot 6.130 euro per jaar verdienen zonder dat hij of zij daarop sociale bijdragen hoeft te betalen. Eerder al werd een gunstregime ingevoerd voor kleinere werkgevers die voor de eerste paar keren een arbeider of bediende aanwerven: zij kunnen genieten van een forse vermindering van de sociale-zekerheidsbijdragen. Die laatste extraatjes kwamen er hoofdzakelijk op instigatie van de liberale partijen Open VLD en MR. Dat zijn allemaal leuke dingen voor de mensen en ze hebben zeker een positieve impact, maar die uitwijkingsmogelijkheden ondergraven wel de inkomsten voor onze sociale zekerheid. Terecht uiten de drie syndicale toplui hierover hun bedenkingen.

De problemen aan de uitgavenkant zijn genoeglijk bekend. Wegens de veroudering van de bevolking, de algemene stijging van de medische behandelingskosten en de massaal toegenomen langdurige arbeidsongeschiktheid wegens medisch-psychische overmacht duikt onze ziekteverzekering pijlsnel in het rood. Dat wordt lang niet gecompenseerd door de sterke daling van de werkloosheidsuitkeringen, want nog altijd geeft ons land daaraan véél meer geld uit dan de rest van de EU-lidstaten. En natuurlijk stijgen de uitgaven voor onze pensioenen ook gestaag. De belangrijke cohorte babyboomers is al geruime tijd de arbeidsmarkt aan het verlaten.

Naar een nieuw heffingsprincipe?

De auteurs van het artikel in De Standaard  willen niet raken aan de uitgavenkant. Zij hebben alleen oog voor de inkomstenproblematiek. Dat was te verwachten, de wereld heeft nog nooit gehoord van een syndicale organisatie die pleit voor minder uitkeringen.

Maar zelfs een evidente besparing zoals een begrenzing in de tijd van de werkloosheidsvergoedingen, nochtans de algemene regel in zowat alle landen op onze aardbol, zeker in deze periode van sterk gestegen werkaanbod, komt niet ter sprake, want die zou erg hard snijden in hun inkomsten. Het zijn immers hoofdzakelijk de vakbonden die instaan voor de uitbetaling van de overgrote meerderheid van die uitkeringen, en zij worden daarvoor ruim vergoed door de overheid.

Het oog wordt dus gericht op de inkomsten. Naar waarheid benadrukken de zegslieden van onze vakbonden dat onze sociale zekerheid van oudsher voor het grootste deel al te eenzijdig gefinancierd wordt door bijdragen geheven in het kader van de tewerkstelling. De uitgaven dekken nochtans veel meer dan alleen maar de begunstigden die aan de arbeid zijn: de auteurs citeren de ‘gezondheidszorg voor bijna iedereen, arbeidsmarktmaatregelen, solidariteit’. Daarom pleiten ze voor een algemene nieuwe sociale-zekerheidsbijdrage, die ook de kapitaalinkomens ‘volgens draagkracht’ aanspreekt. De opbrengst van die nieuwe belastingheffing zou dan rechtstreeks naar de sociale zekerheid moeten stromen.

Beveridge

Daar zit iets in. Meer belastinggeld voor onze sociale zekerheid en minder sociale bijdragen voor degenen die aan het werk zijn – het is een concept dat in meerder EU-lidstaten al lang van toepassing is. Dat zijn dan landen die zich bij de uitbouw van hun sociale-zekerheidsstelsel vooral hebben gericht op het zogenaamde Beveridge-concept.

Dat zijn de Angelsaksische landen, maar ook Nederland, in tegenstelling tot de Zuid-Europese landen met ook België en Duitsland die de Bismarck-benadering verkozen. Een korte bespreking hierover vindt de lezer terug op ‘Transfers tussen de Belgische gewesten (deel 2)’. Het gezond verstand vertelt ons dat, zoals alles in het leven, het optimum ergens halverwege tussen beide concepten lijkt te liggen. Daarover hebben we het hieronder.

De sociale bescherming valt uiteen in twee stukken

Elk sociale-zekerheidsstelsel bestaat grosso modo uit twee compartimenten: de ‘inkomensvervangende’ sector en de ‘kostencompenserende’. Zo behoren de gezinsvergoedingen (eertijds kinderbijslagen genoemd) tot de tweede tak. Ze werden ontworpen om ouders financieel bij te springen bij het grootbrengen van hun kinderen. Daartegenover ressorteren werkloosheidsuitkeringen en pensioenregelingen typisch onder het eerste segment van onze sociale zekerheid. Die takken werden uitgebouwd om burgers die zonder werk vallen te voorzien van een vervangingsuitkering, en hebben dus rechtstreeks te maken met een derving van beroepsinkomsten.

De theorie die in academische kringen al lang opgeld maakt, maar in feite nauwelijks meer is dan helder redeneren, luidt dat de inkomensvervangende uitkeringen per definitie rechtstreeks te maken hebben met de arbeidssituatie van de rechthebbende. Wanneer deze, al dan niet tijdelijk, zijn of haar inkomsten uit arbeid moet derven (onder meer ook na een arbeidsongeval of een ernstige beroepsziekte), wordt voorzien in een financiële ondersteuning.

Kostencompenserende toelagen daarentegen komen ten goede aan elke burger, en houden geen rekening met diens levenssituatie (al dan niet werkend, oud of jong, alleenstaand of levend in gezinsverband). Zij moeten de ingezetene behoeden voor belangrijke uitgaven die zijn of haar draagkracht te boven zouden gaan, mocht er geen solidariteitsmechanisme bestaan. Een typisch voorbeeld hiervan is de situatie van iemand die volledig zonder bestaansmiddelen komt te vallen. Zo’n persoon kan een beroep doen op het leefloon, en het is de belastingbetaler die hiervoor (terecht) de lasten draagt.

Twee afzonderlijke financieringsbronnen

De theorie luidt dat de inkomensvervangende takken van onze sociale zekerheid moeten gedekt worden door sociale bijdragen, te betalen door iedereen die beroepsactief is: werkgevers, werknemers, ambtenaren en zelfstandigen. Het spreekt vanzelf dat dit compartiment van ons sociale-zekerheidsstelsel als geheel zelfbedruipend zou moeten zijn.

De inkomsten moeten, onvermijdelijke schommelingen niet te na gesproken, op de middellange termijn in evenwicht zijn met de uitgaven. Als dat niet zo is, moeten de sociale partners, die logischerwijze de voogdij uitoefenen over dit compartiment (het gaat tenslotte om hùn geld…), zelf ingrijpen, hetzij aan de inkomstenkant (de werkgevers- en werknemersbijdragen verhogen), hetzij aan de uitgavenkant (het sleutelen aan de hoogte van de uitkeringen).

Een regering zou hierin hoogstens een mediërende rol mogen spelen. Het zijn de sociale partners die de tering maar naar de nering moeten zetten. Dat mag toch geen probleem zijn? Vakbonden en werkgeversorganisaties regelen toch zo graag hun eigen besognes zelf?

Het kostencompenserende compartiment daarentegen, dat ten dienste staat van elke ingezetene in dit land, zou in deze optiek louter moeten betoelaagd worden vanuit de algemene middelen. Duidelijker: met belastinggeld. Dat leidt tot een helderder situatie. Vandaag is het zo dat de gezinsbijslagen worden uitbetaald vanuit een potje dat uitsluitend gevuld wordt door de werkgevers- en werknemersbijdragen. Maar de begunstigden hebben in principe niets te maken met de arbeidswereld: kindergeld is een menselijk recht dat ook aan niet-beroepsactieven (vluchtelingen in afwachting van hun regularisering, pas geëmigreerden met een kinderlast buiten België…) wordt toegekend.

Is een ingrijpende hervorming haalbaar?

Dat is onlogisch, gezinstoelagen moeten worden betaald op basis van bijdragen te storten door iedere ingezetene die in ons land inkomsten heeft en daarop belasting moet betalen. Het spreekt dan ook voor zich dat de overheid, als emanatie van de betalende burger, dit compartiment van de sociale zekerheid moet aansturen, en bij dreigend financieel onheil de plicht heeft om in te grijpen, indien nodig op beide zijden van de balans.

Het kan dan gaan over het heffen van bijkomende lasten om het boeltje leefbaar te houden, bijvoorbeeld door een vermogensbelasting, maar kan worden aangevuld met een verlaging van de tegemoetkomingen tot een behapbaar bedrag of het verstrengen van de categorieën begunstigden.

Omdat het hier louter gaat om gemeenschapsgeld, zal de regering het mechanisme moeten bewaken, onder controle van het parlement – sociale partners hebben hierin niets te zoeken.

Logisch ook, maar is zo’n ingrijpende hervorming haalbaar?

Te hoog gegrepen

Natuurlijk niet, tenminste niet in de huidige constellatie waar de sociale zekerheid nog steeds grotendeels tot de federale bevoegdheden behoort en de sociale partners garant staan voor de nodige inertie, in stand gehouden door de wetenschap dat de belastingbetaler steevast het financiële gat dichtrijdt dat wordt gecreëerd in de verschillende takken van de sociale zekerheid.

Bovendien hebben zowel vakbonden als werkgeversorganisaties zich in de loop der tijden een deel van de inkomstenkoek toegeëigend: nog steeds keren fondsen die vaak sectoraal gestructureerd zijn en geëxploiteerd worden door (patronale) beroepsfederaties de gezinsbijslagen uit; en zoals hierboven gesteld zit de uitkering van de werkloosheidsvergoedingen nagenoeg volledig in syndicale handen. Daarbovenop hebben de grootste mutualiteiten een duidelijke kleur. Hun banden met bepaalde politieke partijen zijn onmiskenbaar. Begin daar maar eens aan te sleutelen! Al die betrokken partijen hebben hun mannetjes en vrouwtjes op elk kabinet…

Maar één piste

Een grondige staatshervorming die Vlaanderen en Wallonië het recht zou geven om een eigen vernieuwd concept op te bouwen op basis van ervaringsgegevens uit binnen- en buitenland is de enige piste die, alvast bij ons, zal zorgen voor een rationelere benadering van onze sociale zekerheid. Neem de situatie van de pensioenen. Daar gelden Nederland en Nieuw-Zeeland wereldwijd als lichtend voorbeeld. Wat belet Vlaanderen om een toekomstig pensioenstelsel te grondvesten op hun benadering? Het zuiden van het land, dat al zo lang leeft in financiële hulpeloosheid, zal het moeilijker hebben om de bocht te maken, maar een grotere responsabilisering zou ook daar het proces merkelijk kunnen versnellen, want in een confederaal landen zullen zij zelf de consequenties moeten dragen van hun (gebrek aan) beleidskeuzen.

Voor alle duidelijkheid: wat hierboven wordt geschetst vind je terug in zowat elk werk over de sociale zekerheid dat de ‘Leuvense school’ (oud-rector Dillemans, Jef Van Langendonck, Jos Berghman en vele anderen werkzaam aan de KU Leuven) hebben bijeengeschreven.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Ik word vriend van Doorbraak.

Jan Van Peteghem

Jan Van Peteghem is emeritus-gasthoogleraar aan de Faculteit Ingenieurswetenschappen van de KU Leuven