fbpx


Geschiedenis

Flamenpolitik jawel, maar niet bij burgemeestersbenoemingen

De ene oorlog is de andere niet


activisme

Oorlogsburgemeesters? De functie is in Vlaanderen onlosmakelijk verbonden met de Tweede Wereldoorlog en wordt in bijna elk debat over '40-44', besproken, gewogen, beoordeeld. Over de burgemeesters van de Eerste Wereldoorlog is er minder geweten. Jan Naert (Ugent) verdedigde begin dit jaar zijn thesis: Hoeders van de staat: burgemeesters in bezet en bevrijd Belgie en Noord-Frankrijk (1914-1921), en bracht hen opnieuw onder de aandacht bij het grote publiek. Belangrijke functie voor werkelijk iedereen Bij de Duitse inval op 4 augustus 1914…

Plus artikel - gratis maandabonnement

U heeft een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U heeft reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement



Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Oorlogsburgemeesters? De functie is in Vlaanderen onlosmakelijk verbonden met de Tweede Wereldoorlog en wordt in bijna elk debat over ’40-44′, besproken, gewogen, beoordeeld. Over de burgemeesters van de Eerste Wereldoorlog is er minder geweten. Jan Naert (Ugent) verdedigde begin dit jaar zijn thesis: Hoeders van de staat: burgemeesters in bezet en bevrijd Belgie en Noord-Frankrijk (1914-1921), en bracht hen opnieuw onder de aandacht bij het grote publiek.

Belangrijke functie voor werkelijk iedereen

Bij de Duitse inval op 4 augustus 1914 stemde de Belgische regering oorlogswetten en schreef ze een omzendbrief waarin krijtlijnen werden meegegeven waarbinnen burgemeesters moesten opereren. Er werd hen aangeraden op post te blijven, de orde te bewaren en indien nodig samen te werken met de binnentrekkende troepen.

Dat lukte niet altijd. Tijdens de chaotische eerste weken van de oorlog sloegen ook burgemeesters, samen met hun burgers, op de vlucht. De meesten bleven echter op post en waren het eerste aanspreekpunt voor de Duitse troepen. Dat zorgde voor een goede overgang in bijvoorbeeld Gent en Brussel, waar er door Emile Braun en Adolphe Max succesvol onderhandeld werd over een geweldloze overgave. Dit droeg in niet geringe mate bij tot hun blijvend prestige. Maar niet overal verliep de intocht van de Duitsers even vlot. Ze maakten zich vaak schuldig aan excessief geweld. Dikwijls werden burgemeesters samen met andere notabelen gegijzeld en mishandeld. Achttien Belgische burgervaders werden vermoord waaronder die van Grammene, Handzame, Aarschot en Tisselt.

Eens het front gestabiliseerd wilden de Duitsers vooral orde en rust. Alles moest in functie staan van de Duitse oorlogsmachine. Het efficiënt besturen van het bezette land was een absolute vereiste. Maar de grote politieke structuren waren weggevallen. De regering verbleef in het buitenland en de centrale administratie stokte. Dit betekende dat ‘stad en gemeente’ zowel voor bezetter als burger het meest herkenbare en bereikbare politiek niveau werden. Burgemeesters werden dan ook ingeschakeld in het proces van verordeningen en gebruikt als schakel om deze uit te laten voeren en te organiseren. Ook op politioneel vlak werd er, soms tegen heug en meug, beroep op hen gedaan. Dit alles gebeurde natuurlijk onder het primaat van het Duits burgerlijk en militair bestuur.

Herman Van Goethem schreef dat er zich in bezet Belgie een praktijk van verregaande institutionele samenwerking ontwikkelde met de Duitsers. Dit was mogelijk omdat die samenwerking vooral ging om niet-politieke zaken. Zo werkte de bezetter goed samen met het uitgesproken Belgisch- patriottisch ‘Nationaal Comité voor Hulp en Voeding’ (NCHV).  Dit comité slaagde erin zich tot een heus alternatief voor het centraal Belgisch gezag te ontpoppen. Omdat lokale besturen vervlochten raakten met de plaatselijke NCHV-comités bleef de politieke ruimte ingevuld door traditionele Belgischgezinde vertegenwoordigers. Lokale overheden vormden, samen met het NCHV, een dam tegen zowel collaboratie (activisme) als Flamenpolitik, hierin overduidelijk gesteund door het overgrote deel van de bevolking.

Nauwelijks activistische burgemeesters

De Flamenpolitik van de Duitsers had vooral tot doel een blijvende Duitse invloed in Belgie te verzekeren ook na de oorlog. Voor de meewerkende Vlamingen was de samenwerking de kortste weg naar het realiseren van hun gekende verzuchtingen. De Duitsers gaven deze activisten vrij vlug verschillende ministeriële departementen in handen, een bewijs dat dat de bezetter wel degelijk bereid was om de activistische elite tegemoet te treden in haar aspiraties. Maar deze langetermijndoelstellingen werden doorkruist door problemen die om oplossingen vroegen op korte termijn. Moesten de activisten zich bijvoorbeeld ook op lokaal vlak verankeren?

De Raad van Vlaanderen discussieerde hierover vanaf de zomer van 1917 en besloot activiteiten en infiltraties op lokaal niveau centraal aan te sturen. Karel Heynderickx, de Vlaamse minister van Binnenlandse zaken en Jules Spincemaille, verantwoordelijke voor ‘steden en gemeenten’, moesten hiervoor instaan. Deze laatste twijfelde echter of het lokale niveau echt cruciaal was om de Vlaamse eisen te verwezenlijken.

De Duitse bezetter popelde evenmin van ongeduld op die lokaal-activistische initiatieven. Zij wilden bijvoorbeeld geen andere, nieuwe beslissingslijnen rond de al zo moeilijke voedsel-, elektriciteits- en gasvoorziening.

Hun conclusie was dan ook dat indien de burgemeester niet overleed, ontslag nam of vertrok, ze een wissel van de wacht moesten voorkomen. Ze wilden moeilijken vermijden en dachten dat het aanduiden van de eerste of de oudste schepen de beste garantie zou zijn voor een aanvaardbare overgang. En dat klopte.

Bleven de vooroorlogse disputen tussen katholieken, liberalen en socialisten bestaan, dan verenigden ze zich allemaal tegen die gezamenlijke vijand: de activisten. Naarmate de samenwerking tussen activisten en Duitsers openlijker werd, bleek het voor Vlaamsgezinde lokale politici bovendien nog moeilijker om partij te kiezen voor de Duitsers. Liever bleven ze België loyaal. En binnen de traditionele partijen hadden de Vlaamsgezinden nauwelijks een poot aan de grond gekregen, en dus was er hier evenmin een kweekvijver te vinden.

Het aantrekken van bekwaam activistisch personeel was dus een probleem. Spincemaille verkondigde dit onomwonden. Hij geloofde, evenmin als de bezetter, dat er binnen de eigen rangen voldoende capabele mensen rondliepen. Activisten probeerden daarom ook burgemeesters te laten benoemen buiten de gemeenteraad, wat perfect inpasbaar was binnen de Belgische wetgeving, maar de Duitsers gingen er meestal niet op in. Hun belangen primeerden boven deze van de activisten, zelfs wanneer deze aandrongen.

Merchtem krijgt een activistische burgemeester

Eén voorbeeld hiervan is Grimbergen waar burgemeester Auselure van Doorselare overleed en activist Adolf Decrée hem wou opvolgen. De benoeming bleef echter uit. De Duitsers speelden hier een procedureslag. Woonde Decrée wel al drie jaar in Grimbergen? Bovendien, die man was geen lid van de gemeenteraad. Het waren niet echt onoverkomelijke punten, maar toch werd Decrée niet benoemd. Waarnemend burgemeester Verhasselt bleef dit tot in 1921.

Ook in Elsene en Kraainem mislukten dergelijke pogingen. In Neerpelt en Zele vond men dan weer geen geschikte activistische kandidaat. Er waren echter ook succesjes.

In Sint-Truiden werd dienstdoend burgemeester Goffin afgezet en vervangen door activist Jan Quintens. Deze weigerde zogezegd de benoeming maar oefende wel de functie uit. Hij deed dit om de samenwerking met het schepencollege en de gemeenteraad mogelijk te houden. In Jesseren was de nieuwe burgemeester, Beerwaerts, eerder flamingant dan activist, maar dat werd door deze laatste toch ook al als een overwinning aanzien.

Uiteindelijk werd er amper één activist officieel benoemd. Die eer viel jong-activist De Roy te beurt in Merchtem. Daar had burgemeester De Geest ontslag genomen. De Roy stelde zich kandidaat, maar dan nog duurde het heel lang vooraleer hij effectief benoemd werd. Het zou August Borms zijn die uiteindelijk vanop het balkon hulde kon brengen aan ‘de nieuwe burgemeester’.

Van de zittende Vlaamse burgemeesters schreven er zich drie, amper drie, in in het activistische verhaal: die van Duffel, Sint-Joris-Winge en Sinaai.

Het zegt veel over de populariteit van het activisme in Vlaanderen. Het verklaart ook waarom er zo weinig burgemeesters ‘problemen’ kregen na de oorlog.

Gent en Antwerpen.

Gent kreeg eind maart 1918 een Duitse burgemeester: Frans Kunzer. Emile Braun en schepen Maurice De Wert werden een dag later opgepakt en naar Duitsland gedeporteerd. De nog actieve schepenen namen ontslag. Ze wilden niet samenwerken met niet verkozen schepenen.  De Duitsers benoemden die nieuwe schepenen zonder al te veel rekening te houden met de adviezen van de activisten, iets wat weer hun almacht bewees. Het nieuwe schepencollege, met Jan Wannyn als sterke figuur, had echter de publieke opinie tegen.

Geïnspireerd door het Gentse voorbeeld probeerden de activisten ook in Antwerpen om een schepencollege en burgemeester te benoemen. De Vlaamsgezinde liberaal Leo Augusteyns werd naar voor geschoven. Hij had een gematigd activistisch profiel en was geen lid van de Raad van Vlaanderen. Maar de communicatie met de bezetter bleek moeilijk en toen de oorlogskansen definitief keerden was het moment voorbij.

Waarom in Gent wel doortastender werd beslist dan in Antwerpen? Daarvoor zijn volgens historicus Antoon Vrints verschillende redenen. Het Gentse activisme was veel sterker dan het Antwerpse, waar de weerstand ‘tegen’ groter was. Ook daarom wilden de Antwerpse activisten helemaal niet samenwerken met een Duitse burgemeester. En last but not least lag Gent in het etappegebied en viel dus onder het militair bestuur. En dat bestuur besliste nu eenmaal autonomer en vlugger, ja, ook over de vorming van een schepencollege.

_____

Meer lezen:

https://ojs.ugent.be/wt/article/view/12091

https://biblio.ugent.be/publication/8644202

Johan Van Duyse

Johan Van Duyse (1953) is erkend gids voor en in de Westhoek en gefascineerd door WO I. Hij publiceerde het boek '1919: Een jaar van (on)vrede'.