Geschiedenis
Vlaamse martelaar

Herman Van den Reeck: hoe zullen we hem herdenken?

Op de drempel van het honderdste sterfjaar van een martelaar

Aangezien het Antwerpse stadsbestuur de Vlaamsgezinden uit de regio verboden had om op 11 juli 1920 een Guldensporenviering te organiseren in de stad, bliezen tienduizenden van hen die dag verzamelen in Borgerhout. Na de betoging die er plaatsvond, trokken ongeveer drieduizend deelnemers toch naar het stadhuis op de Antwerpse Grote Markt, waar het tot schermutselingen kwam met de ordediensten. Toen politieagenten een groep meisjes een Vlaamse leeuwenvlag wilden afhandig maken, nam de amper negentien jaar oude Herman Van den Reeck het voor hen op: ‘Gij raakt de vlag niet aan of gij zult over mijn lijk moeten stappen’, zou hij nog geroepen hebben voor een agent een schot in zijn richting afvuurde. De communistische flamingant en studentenleider werd geraakt in de long en stierf – door zware nalatigheid van de veiligheidsdiensten – een dag later aan zijn verwondingen. Herman werd spontaan een martelaar voor de Vlaamse zaak en nam zo zijn plaats in in het rijtje van al te vroeg gestorven Vlaamse voormannen en martelaars.

Herdenkingspolitiek rond een martelaar

Al snel ontstond een herdenkingscultus rond Hermans persoon, tijdens het interbellum en de Tweede Wereldoorlog vooral in ere gehouden door radicale Vlaams-nationalisten. Op plechtigheden aan zijn graf op het Antwerpse Schoonselhof ontzegden zij ‘politieke tegenstanders alle aanspraken op Van den Reecks nalatenschap’, aldus onderzoeker Andreas Stynen. Een uitzondering op deze exclusiviteit en ook de bekendste uitloper van de cultus was de in 1928 opgerichte Volksuniversiteit Herman Van den Reeck. Het initiatief hiervoor lag bij overtuigde Vlamingen, voornamelijk leden van de Antwerpse Frontpartij. Het doel was onder meer door middel van voordrachten, film- en kunstvoorstellingen de culturele ontwikkeling van Vlaamse volwassenen te bevorderen. Van 1932 tot 1940 bracht de Volksuniversiteit een brochurereeks uit, waarin belangrijke voordrachten werden gepubliceerd van onder andere de socialist Herman Vos, de communist Victor J. Brunclair en de nationalist Wies Moens. Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de historische betekenis van de vermoorde flamingant voortleven in menig Vlaams hoofd. In 1960 ontstond het Aktiekomitee Herman Van den Reeck, samengesteld uit Vlamingen van diverse ideologische pluimage. De daaropvolgende jaarlijkse herdenkingen aan Hermans graf kenmerkten zich logischerwijs door een grote pluraliteit.[1]

Een zoeker in woelige tijden

Vanaf de tweede helft van de jaren 1970 en doorheen de jaren 1980 verloren de – nog steeds pluralistische – plechtigheden aan belang. De herinnering aan Herman kende evenwel een ‘opflakkering’, toen het Archief voor Nationale Bewegingen (ADVN) in 1995 naar aanleiding van de 75ste verjaardag van zijn overlijden een academische herdenkingsplechtigheid organiseerde in de Antwerpse Bourlaschouwburg. De organisatie lag bij de Werkgroep Herman Van den Reeck en het Antwerpse stadsbestuur. VU’er Maurits Coppieters, socialistisch burgemeester van Antwerpen Leona Detiège, filosoof Max Wildiers en historicus Herman Balthazar voerden er het woord. Die laatste herdacht Herman dat jaar ook in een toespraak op de Grote Markt van Antwerpen.

De redactie van het tijdschrift Wetenschappelijke Tijdingen organiseerde daarnaast het colloquium ‘Herman Van den Reeck en de anti-burgerlijke stroming in de Vlaamse beweging na de Eerste Wereldoorlog’. Ook in 2010 herdachten diverse Vlaamse organisaties Hermans negentigjarige martelaarschap. Het Bormshuis hield gedurende een paar weken voorafgaand aan het Feest van de Vlaamse Gemeenschap een tentoonstelling onder de naam ‘Herman van den Reeck, een zoeker in woelige tijden’. Op 11 juli dat jaar herdacht de Vlaams-Socialistische Beweging (V-SB) Herman aan het Antwerpse stadhuis en de ‘Gulden Sinjoren’ organiseerden een plechtigheid op het Conscienceplein.

Hoe uitsluiting ons geheugen parten speelt

Dit stuk haalde al aan, dat de laatste 25 jaar van de vorige eeuw zich kenmerkten door een terugval van de herinneringspolitiek rond Hermans persoon. Verschillende factoren zouden de verminderde dynamiek kunnen verklaren. Onder andere de dalende persaandacht, de associatie van ‘Vlaamse beweging’ met extreemrechts, maar vooral elkaar uitsluitende organisaties en verenigingen liggen aan de basis van de vergetelheid. Dit is nog zo tot op de dag van vandaag en enige gelijkenis met de situatie tijdens het interbellum valt te bespeuren. Het is enigszins begrijpelijk, dat politiek geïnspireerde fracties strijden om zich – vaak ideologisch veelzijdige – historische figuren die drager zijn van een tijdloze aantrekkings- en wervingskracht toe te eigenen. Zo schreef Dirk De Haes in 1996 in het links-nationalistische blad Meervoud over hoe bepaalde aan de Socialistische Partij gelieerde figuren zich in 1988 stoorden aan de Vlaams-nationalistische herdenkingen van de socialistische flamingant Emiel Moyson: ‘En daarbij, zo stemden ze, Moyson was geen flamingant want hij had gedichten in het Frans gemaakt.’[2]

Van een kromme redenering gesproken, zeker wanneer men eraan denkt hoe ze daarmee lijnrecht ingingen tegen de stelling van de vorig jaar nog door de Antwerpse sp.a geëerde Camille Huysmans. Toen die zich in de jaren 1950 inzette voor de vrijlating van de geïnterneerde collaborateur Ward Hermans, getuigde hij over deze laatste onder meer: ‘Als het u belieft! Ne VNV’er schrijft verzen in het Frans. De Walen zullen daar niets van begrijpen, en de Brusselaars ook niet. De Flaminganten van alle slag zijn nu zoo. Ik bedoel natuurlijk de Flaminganten de onverfranste, waartoe ook Ward Hermans behoort.’[3] Naast de Walen en de Brusselaars, zijn de laatste decennia blijkbaar ook bepaalde Vlaamse progressieven bij deze ‘club’ gaan horen.

Dit is zonde, aangezien we Herman de eer moeten aandoen die hem toekomt. Symbolen als hij dienen ‘gerecupereerd’ te worden door alle Vlamingen. Zijn persoon biedt de hedendaagse Vlaamse beweging de kans om ernstig in overleg te gaan met alle Vlamingen, ook zij die zich van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd hebben afgekeerd. Zelf mogen we niet toestaan, dat onze oude symboolfiguren nog langer verworden tot een schim van wat ze waren. Dit opdat zij toch maar in het kraam van kleine, doorheen de tijd verdampende verenigingen zouden passen. Herman was de verpersoonlijking van de strijdkracht van de ‘gewone Vlaamse man’, die honderd jaar na zijn smartelijke dood recht heeft op een algemeen gedragen herdenkingsplechtigheid op het Schoonselhof. Een plechtigheid bijgewoond door vertegenwoordigers van alle organisaties en partijen, die menen zich met de ideologische nalatenschap van zijn persoon te kunnen vereenzelvigen.

 

[1] A. STYNEN, Een geheugen in fragmenten: heilige plaatsen van de Vlaamse beweging, Tielt, 2005, 252.

[2] D. DE HAES, ‘Paul Van Ostaijen in 1916: “Elke jongere is een activist”’, Meervoud, 17 (1996).

[3] Kladversie brief van Camille Huysmans aan André Lilar (Briefwisseling (H) met en over Ward Hermans), 1953-1958, AMSAB-ISG.

Nick Peeters

Nick Peeters is lid van de Algemene Vergadering van VOS Vlaamse Vredesvereniging en hoofdredacteur van de VVB-jongeren
Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans