Geschiedenis, Vlaamse Beweging
collaborateur

Koen Aerts: ‘Achter elke collaborateur schuilt een mens’

‘Collaborateur!’ Het woord is terug van weggeweest. Met dank aan een televisiereeks en een recente golf boeken, waar onder anderen historicus Koen Aerts de hand in heeft. De laatste weken verdrinkt hij dan ook in het werk. Alleen al na de eerste uitzending van de Canvas-reeks Kinderen van de collaboratie kreeg Koen Aerts (1983) een paar honderd mails van familieleden van collaborateurs en verzetslieden tijdens de Tweede Wereldoorlog, uit Noord én Zuid. Een gesprek over collaboratie, repressie, amnestie en de collectieve omgang met het verleden. Met een belangrijke rol voor de broers De Wever.

Aerts doctoreerde aan de Gentse universiteit op de naoorlogse bestraffing van de collaborateurs, nadat hij eerst een verhandeling maakte over de 242 terechtgestelden. De interesse voor de Tweede Wereldoorlog heeft hij zowat met de paplepel meegekregen. Z’n grootmoeder – vorig jaar gestorven op 97-jarige leeftijd – was erkend gewapend verzetsstrijder bij het Kempisch Legioen. Daar hoorde hij de verhalen over oorlog, collaboratie en verzet. Zijn passie maakt hem nu een veelgevraagd spreker, want naast zijn recente boek Was opa een nazi? is hij de gangmaker van de nu al veelbesproken televisiereeks Kinderen van de collaboratie.

Doorbraak: Wat zijn de eerste reacties op de tv-reeks?

Koen Aerts: ‘Op de eerste plaats reageren kinderen en kleinkinderen van collaborateurs heel blij. Zij grijpen de reeks aan om te vragen hoe ze zelf informatie kunnen vinden over hun familieleden. Sommigen mailen ook om hun verhaal te doen, maar de meesten vragen toch meer duiding.’

Je publiceerde daar pas met een aantal andere historici een praktisch-technisch boek over: Was opa een nazi?

‘Wat we vaststelden in de contacten met de (klein)kinderen is dat als je hen fatsoenlijk wil inlichten, je hen niet enkel naar de bronnen moet leiden maar dat je hen ook moet onderwijzen over de juridische kant van de zaak. Een gebrekkige kennis heeft voor veel mythevorming gezorgd.’

De juridische kant zorgde voor mythevorming? Leg uit.

‘Er zijn veel technische, moeilijk te begrijpen begrippen die de ronde doen, die vaak voor leken niet te vatten zijn. Ik zie ook genoeg historici die zich vergissen als ze het over eerherstel hebben, terwijl eerherstel schuld niet uitwist, maar de gevolgen voor de toekomst teniet doet. Veel kinderen denken verkeerdelijk dat vader eerherstel kreeg omdat hij niets fouts heeft gedaan. Lieven Saerens’ onderzoek toont dat ook Jodenvervolgers eerherstel kregen, zelfs de zwaarste criminelen. Op een gegeven moment – vanaf de jaren 1970 – kreeg bijna iedereen eerherstel die daarom vroeg.’

Amnestie

De Vlaamse beweging vroeg tot begin deze eeuw amnestie. Hoe verhoudt amnestie zich tot eerherstel?

‘Amnestie betekent in België dat zowel de boete wordt uitgewist als de schuld. Amnestie zegt met terugwerkende kracht “waar jij voor gestraft bent wordt niet langer als strafbaar gezien”, en als het niet langer een misdrijf, dus is er ook geen sprake meer van schuld.’

‘Veel mensen voelen zich onrecht aangedaan wanneer vader een tijd enkel zijn rechten heeft verloren. Maar dan vergeten ze dat men in 1945 heeft beslist om alle lichte feiten van collaboratie niet langer via de rechtbanken te behandelen, maar via die eenvoudige maatregel van rechtenverval op te lossen. Mensen denken nu “hij was niet veroordeeld, en toch bestraft”, wat hun onrechtvaardigheidsgevoel sterkt. Die maatregel is er gekomen omdat men anders nog tot Sint-Juttemis bezig zou zijn – in 1950 was de rechtspleging afgerond. Stel dat iedereen voor de rechtbank had moeten komen, was het gerecht bezig tot 1960.’

De macht van het getal

Dus vanwege de hoge aantallen heeft men de straffen verminderd? Ik lees in je boek dat er 53.005 veroordeelden zijn.

‘Maar dat zijn de gevangenisstraffen, de 242 geëxecuteerden en wie een geldboete of verbeurdverklaring opgelegd kreeg, voor strafrechtelijke feiten. De totale output van de overheidsrepressie kunnen we ramen op 100.000 mensen; 1,2% van de toenmalige Belgische bevolking.’

Terwijl er toch 405.493 collaboratiedossiers waren. Zijn die andere 100.000 dan allemaal uit hun burgerrechten ontzet?

‘Die 400.000 is uitgegroeid tot een mythe, maar je kunt dat cijfer makkelijk deconstrueren. Dat is een optelsom van alle dossiers van vier-vijf jaar bezetting. Ter vergelijking: na de oorlog worden er jaarlijks voor feiten die niets met collaboratie te maken hebben telkens nog meer dan 400.000 dossiers aangelegd. Elk jaar. Dat relativeert dat getal.’

Eén collaborateur kan dus meerdere dossiers tegen zich hebben?

‘Ja, onder meer omdat er feiten werden gepleegd in verschillende arrondissementen. Of omdat er meerdere mensen klacht neerlegden. Er waren ook veel dossiers tegen onbekenden. Elk gerucht en elk, ook anoniem, briefje zorgde voor een dossier, wat maakt dat er ook vele dossiers zijn van één pagina. 71% van die dossiers zijn niet behandeld of werden geklasseerd omdat er geen reden was tot vervolging of bijvoorbeeld omdat er te weinig aanwijzingen waren. En uiteraard zijn er ook vele mensen door de mazen van het net geglipt. Van de 29% die overblijft, leidt het onderzoek in iets meer dan de helft nog tot buitenvervolgingstelling.’

Over hoeveel mensen gaat het dan die veroordeeld zijn?

‘Het exacte aantal individuen die schuilgaan achter die dossiers, kunnen we niet achterhalen. We kennen enkel de 53.005 veroordeelden tot en met eind 1949. Er komen er nog enkele tientallen bij.’

Relatief betekent dat 0,37% in Vlaanderen, 0,17% in Wallonië en 0,19% in Brussel. Kun je dan zeggen dat de collaboratie maar peanuts was in België, in tegenstelling tot de beeldvorming?

‘Die beeldvorming is bepaald door de kleine toplaag van intellectuelen en de Vlaamse middenklasse die zich effectief in de collaboratie heeft gesmeten en ook na de oorlog over voldoende sociaal-cultureel kapitaal beschikte om via hun netwerken die als spreekbuis, zelfs megafoon, dienden te getuigen van het grote onrecht dat hen heeft getroffen, omdat ze zogezegd enkel voor Vlaanderen hadden gecollaboreerd.’

Dat zijn vooral katholieke netwerken kort na de oorlog. Het Vlaams-nationalisme zat toen als een geslagen hond in de catacomben.

‘Die katholieke en nationalistische netwerken waren erg verstrengeld, ze hadden toen hetzelfde hartritme. Uit die “catacombentijd” heeft de Vlaamse beweging opnieuw kracht uitgeput, de zogenaamde Uilenspiegelmythe: Vlaanderen is voor de zoveelste keer onrecht aangedaan. Dat verhaal heeft voor een heropstanding gezorgd en de motor van het Vlaamse autonomiestreven en zelfs separatisme terug aangezwengeld. Het credo luidde dat ze gestraft zijn voor het Vlaams-zijn, waarbij het antidemocratische karakter van die collaboratie gemakshalve werd verzwegen. Het is heel moeilijk om dat bij de kinderen duidelijk te maken; het Vlaanderen waar vader of moeder volgens de overlevering voor collaboreerde was niet het project-Vlaanderen dat we vandaag kennen. Geen enkele geest van vrijheid of gelijkheid, maar wel een autoritair regime, lijdend onder de voedselrantsoenering, oorlogseconomie, repressieve verordeningen en rassenpolitiek van een vreemde bezetter. Om de ongemakkelijke schuldvraag niet te hoeven beantwoorden, heeft de Vlaamse beweging het cliché van “collaboratie is gelijk met Vlaamsgezindheid” zelf in het leven geroepen en gecultiveerd. De Vlaamse beweging heeft dat boetekleed aangetrokken als een soort geuzennaam.’

Toch schrijf je zelf dat 67% van de veroordelingen van politieke collaboratie zich in Vlaanderen afspeelden. Meet je dat af op de bevolking, dan is er toch iets van aan om te zeggen dat de repressie bewust tegen het Vlaams-nationalisme was gericht?

‘In Vlaanderen heb je twee grote bewegingen – VNV en DeVlag – die collaboreerden. Het is logisch dat hun leden werden bestraft. Collaboratie stond niet enkel België naar het leven, maar het hele politieke bestel van de parlementaire democratie. Men heeft altijd de redenering omgekeerd. De omvang van de bestraffing werd altijd gezien als een bewuste, georchestreerde operatie tegen Vlaanderen. Terwijl de cijfers eerder bevestigen hoe wijdverspreid en sterk de collaboratie was in Vlaanderen. Dat weten we uit de bestraffingscijfers, maar vooral ook uit het aantal leden van VNV en DeVlag tegenover Rex.’

Dus als er in Franstalig België beter georganiseerde en grotere collaboratiebewegingen zouden geweest zijn, zouden de cijfers meer in evenwicht zijn? Nu blijkt ook uit de strafmaat dat er in Franstalig België harder werd ingegrepen. Zit daar een politieke motivering achter?

‘Over het verschil in verhouding schreef ik eerder een artikel in het tijdschrift Wt. Een van de theses is dat het rexisme tijdens de oorlog geïsoleerd geraakte en dat er een baldadiger verzet was dan in Vlaanderen. Door dat opbod van actie-reactie en collaboratie-verzet krijg je zwaardere misdrijven aan de collaboratiekant in Wallonië, die dan ook zwaarder zijn bestraft geworden. Volgens mij is het ook belangrijk om er rekening mee te houden dat de rechters in Vlaanderen over het algemeen milder waren dan in Franstalig België. In 1946 was een Oostfronter in Gent er beter af dan in Luik. En alle schadevergoedingen die aan de Belgische staat betaald moesten worden, lagen hoger bij lokale Rex-chefs dan bij lokale VNV-chefs. En ook bij de terdoodveroordeelden en geëxecuteerden waren er meer Franstaligen dan Vlamingen: 56% tegenover 44%. Maak de vergelijking met vandaag: verschillende politierechtbanken gaan anders om met een snelheidsovertreding. In Franstalig België vond collaboratie toen minder verschoning. Dat heeft zeker te maken met het feit dat er in Vlaanderen meer gecollaboreerd werd. Hoe meer afwijkingen op de norm, hoe meer die afwijking zelf wordt genormaliseerd en dus genade vindt. Er is daarnaast uiteraard ook de politieke dimensie. Lode Wils toonde de vergroeiing met het katholieke netwerk al aan. De morele rehabilitatie van de collaboratie begint in Vlaanderen al vrijwel onmiddellijk na de oorlog.’

Dan zeg je eigenlijk dat de rechters niet partijdig waren.

‘Recht is per definitie feilbaar. Een rechter blijft een mens en recht is geen exacte wetenschap. Binnen de bakens van dat systeem spelen evenzeer persoonlijke achtergronden, sociaal-prosoposgrafische factoren, groepsdynamische processen en-psychologie. Dat is onvermijdelijk. Rechters zijn – ook vandaag – geen robots.’

Proportionele repressie

In je boek staat een interessante kaart waaruit je kunt afleiden dat – behalve in de Oostkantons, die een aparte verhaal vormen – de verhoudingen over het hele land nogal gelijk zijn wat vervolgingen en buitenvervolgingstellingen betreft.

‘In Limburg werd er bijvoorbeeld wel meer tot vervolging overgaan dan in West- of Oost-Vlaanderen. Maar om dat te verklaren moet er nog veel micro-onderzoek gebeuren. Het is wel een belangrijke kaart, waar je naar verwijst. Ze toont vooral aan dat men over het hele land in de triage van de dossiers dezelfde maten en gewichten gebruikte. Het nominale aantal dossiers ligt groter in Vlaanderen. Maar dat is geen gedicteerde operatie.’

Omdat de collaboratie in Vlaanderen groter was, waren er meer dossiers. Tot daar dus de mythe, die Luc Huyse al weerlegde begin jaren 90.

‘In 1947 al schreef Hendrik Jozef Elias (veroordeeld VNV-leider – red.) vanuit de gevangenis naar zijn raadsman Frans Van der Elst (latere Volksunievoorzitter – red.) om met het oog op latere Vlaams-nationalistische partijvorming de repressie voor te stellen als “een anti-Vlaamsch programma”. Zeer goed wetende dus hoe die repressie kon dienen als stok om de Belgische hond de poten onder zijn lijf te slaan.’

Perceptie is realiteit.

‘En taal vormt en structureert de werkelijkheid. Als je dat lang genoeg blijft herhalen dat de repressie anti-Vlaams was … Zowat al die bewegingen en partijen tijdens de oorlog hadden een “V” in de naam. Maar daar ging het hem niet om. Als je de programma’s leest  van die organisaties voor en tijdens de bezetting, dan zie je dat het niet louter om Vlaanderen gaat, de DeVlag is zelfs Groot-Germaans, maar uiteraard ook de Nieuwe Orde uitdragen. Ook het verzet kan je overigens niet vastpinnen als één democratisch blok. Daar heb je ook rechtse en extreemrechtse, antidemocratische en met het Nationaal Legioen zelfs fascistische verzetsbewegingen.’

Krijg je ook reacties van kinderen of kleinkinderen van verzetslieden op je televisiereeks?

‘Ik krijg zowel schouderklopjes als schimpscheuten uit die hoek. Mensen vinden het niet kunnen dat collaborateurs een forum krijgen. Terwijl ik probeer uit te leggen dat het gaat om de kinderen van collaborateurs, en dat die kinderen per definitie onschuldig zijn. Ik snap wel hoe die perceptie ontstaat. In aflevering 1 vertelden we het verhaal van de collaboratie door de ogen van de kinderen, waardoor je sowieso een gekleurd verhaal krijgt van de bezetting. Maar wie ons vandaag te weinig nuance verwijt, zal ons na de televisiereeks misschien te veel nuance verwijten, en andersom. Na de zevende aflevering zullen veel mensen nog slikken, omdat we daar met een aantal experten de beeldvorming deconstrueren.’

Het onbestaande verzet

En het verzet dan?

‘Als ik een lezing geef en vraag om een aantal namen van collaborateurs te noemen, dan gaat dat vrij vlot. Stel ik de vraag om een aantal verzetsmensen te noemen, dan lukt dat niet. Dat zegt niets over het verzet, maar wel over de herinnering aan het verzet. In Nederland krijg je bijvoorbeeld een omgekeerde uitkomst van dezelfde vraag.’

Hoe komt het dat er in België nooit veel aandacht is gegaan naar het verzet. Ik ken één boek van wat vandaag het CegeSoma is over de geschiedschrijving van het verzet, maar veel meer niet.

‘Er zijn wel artikels en thesissen, en in Franstalig België is het verzet wel al beter bestudeerd. Een synthesewerk voor België en vooral voor Vlaanderen moet absoluut nog geschreven worden.’

‘Het heeft er veel mee te maken dat de beeldvorming van collaboratie en verzet tot begin jaren 80, met Maurice De Wilde, grotendeels een Vlaams-nationalistische monoloog geweest is waar de herinnering aan de collaboratie heeft gedomineerd op die van het verzet.’

‘Hét verzet bestaat niet,’ las ik elders van jou.

‘Je hebt inderdaad een waaier aan politieke gezindheden die politiek-ideologisch zelfs elkaars vijanden waren.’

Dat was aan de Vlaamse collaboratiezijde evengoed het geval.

‘Uiteindelijk wel, en zeker naarmate de bezetting duurde. Maar de Duitse bezetter liet geen openlijke oorlog toe tussen VNV en DeVlag. En ze dienden wel allebei hetzelfde maatschappijmodel.’

Maar ‘hét’ verzet bestaat dus niet.

‘Neen. Het verzet gaat van extreemrechts tot extreemlinks en alles daartussen. De “partij der gefusilleerden” heeft een belangrijke rol gespeeld, de communisten die het meeste aantal doden telden. In 1948, als het IJzeren Gordijn wordt getrokken, zie je dat zij al hun krediet al verspelen. Je ziet ook een typische liberale Belgische staat die niet actief inspeelt op de herinnering, in tegenstelling tot Nederland of Frankrijk. Pogingen om te herinneren verzandden in de Koude Oorlog, het communautaire en de Koningskwestie die dwars door het spectrum van het verzet loopt … Wie al vroeg in het verzet zat – in 1940-’42 – had het meest te maken met Duitse repressie. Dat waren vaak ook mensen met intellectueel kapitaal en die in kampen terechtkomen. Anders dan de leiding van de collaboratie die haast ongeschonden uit de oorlog komt. Denk maar aan Elias (VNV), Jef Van de Wiele (DeVlag) en verschillende prominenten uit de politieke, culturule en intellectuele collaboratie, terwijl vooral het voetvolk, bijvoorbeeld aan het Oostfront, de meeste klappen kreeg. Het verzet heeft na de oorlog daarentegen amper bekende namen en leidinggevende kaders over om het eigen beeld met voldoende moreel gewicht te creëren. Zij bleven vaak achter in de kampen.’

Weinig mensen beseffen dat er bij het verzet, en zeker in de beginjaren, inderdaad uitgesproken rechts-autoritaire antidemocratische, leopoldistische, belgicistische bewegingen waren zoals de Nationale Koninklijke Beweging die uit Rex voortkomt, restanten van het Verdinaso, het Geheim Leger, het fascistische Légion National … Is dat ook niet de reden waarom België nooit initiatief nam om het verzet te herinneren? Omdat het niet aan dat aspect van de geschiedenis aandacht wil besteden?

‘Dat is zeker ook een factor die kan meespelen. Misschien ligt het meeste gewicht in het feit dat België geen officiële herdenkingspolitiek voert omwille van de naoorlogse verzuiling. Dat maakt dat de sterke kracht van het katholicisme en flamingantisme dat domein van de herinnering kan claimen.’

Communautaire verschillen

In Vlaanderen is er ondertussen kilometers historisch onderzoek gepubliceerd over die periode. Dat begon met Maurice De Wilde, Lode Wils en Bruno De Wever. In Franstalig België staat dat onderzoek nog in zijn kinderschoenen.

‘Franstalig België is daar niet zo bijzonder atypisch in als je dat vergelijkt met andere landen.’

Neen? Vorig jaar verscheen een poging tot encyclopedie van de collaboratie in Wallonië. Dat is uitgegeven door een heemkundige kring, omdat de auteur er geen uitgever vond. In Wallonië is ook nog steeds geen ernstige studie over Léon Degrelle en Rex verschenen, tenzij door Martin Conway, en dat is een Brit.

‘Er zijn nog voorbeelden. Met een nieuwe project Transmemo zoeken we in samenwerking met het CegeSoma en de UCL kinderen en kleinkinderen van zowel Franstalige als Vlaamse collaborateurs en verzetsmensen. We vinden in Franstalig België héél moeilijk mensen die willen getuigen over de collaboratie. In Vlaanderen moet ik daarentegen mijn mailbox filteren, want ik krijg er te veel. In Vlaanderen is het dan weer moeilijker verzetsmensen te vinden dan in Wallonië. Toen ik mijn boek in Wallonië wou uitgeven, stond Racine daar weigerachtig tegenover. Moederbedrijf Lannoo wou dat wel, ondertussen is er ook een tweede druk. In Wallonië heb je meer dan in Vlaanderen een onverwerkt verleden. Maar dat is niet atypisch als je vergelijkt met Nederland en Frankrijk, dat zich lang met het verzet identificeerde. Vlaanderen is eerder een uitzondering.’

‘Het feit dat wij als academici in Vlaanderen zo focusten op de deconstructie van de mythevorming is ook omdat we een halve eeuw gevoed zijn geworden door uitgeverijen als Lannoo, DNB/Pelckmans, Davidsfonds, De Sikkel … Zij gaven al die polemische en minstens tendentieuze lezingen over de oorlogjaren uit. Om over kranten als De Standaard en Gazet van Antwerpen en uiteraard ’t Pallieterke maar te zwijgen. Historici in Vlaanderen hebben eerst veel energie gestoken in de deconstructie van die vergoelijkende en vervalsende geschiedschrijving, wat ertoe heeft geleid dat we ons niet focusten op verzet of jodenvervolging.

In 2000, 20 jaar nadat het werk begint met Maurice De Wilde, biedt de Vlaamse beweging openlijk zijn excuses aan op de IJzerbedevaart, bij monde van Frans-Jos Verdoodt. Heeft dat impact gehad?

‘Dat is eerder een symptoom dan de katalysator van de evolutie.’

Dat moet je uitleggen.

‘Er ontstond toen een split brain in de Vlaamse beweging. Er was al een historische bewustwording bezig in een deel van de Vlaamse beweging. Beide broers De Wever hebben daar een flink aandeel in. Bruno vanuit historisch oogpunt, Bart bezielt dat politiek. In die periode blijkt dat de meeste protagonisten overleden zijn, wat (klein)kinderen letterlijk ademruimte geeft om hardop vragen te stellen. Het ADVN is op dat moment een verzelfstandigd zuilarchief dat zich kan meten aan het sérieux van de andere zuilarchieven. Ook de internationale Holocaustherdenkingen, de wet op het negationisme en de opkomst van extreemrechts spelen een rol. In die periode is heel de perceptie verschoven. Wat heel tekenend is: in 1990 gaat Hugo Schiltz als vicepremier spreken voor het Sint-Maartensfonds en dat gaat voorbij als een schaduw. Amper tien jaar later doet Vlaams minister Johan Sauwens hetzelfde en plots wordt hij afgeserveerd.’

Dat laatste was wel een interne afrekening door Sven Gatz die zo kon klimmen in de politieke pikorde van de Volksunie.

‘Dat klopt, maar het kon maar effect sorteren door die verschoven beeldvorming. Anders had men in de Volksunie op z’n Mitterands gezegd “et alors?”’

Split brain in de Vlaamse beweging

‘Het “historisch pardon” dat Verdoodt uitsprak was heel moedig,’ zegt Aerts ‘Wat er toen gebeurde was een split-brain. Bij een deel van de Vlaamse beweging kristalliseert een en ander tot een geweten. Historisch onderzoek leerde de Vlaamse beweging dat de erflaters niet enkel een strategische maar ook morele fout hebben gemaakt. Verdoodt bezegelde dat. Een ander deel bleef op de jaren veertig focussen zonder de collaboratie te veroordelen.’

Met permissie, maar dat ‘andere deel’ is ondertussen wel verworden tot een minuscuul onderdeel van wat rest. Zowat alle tijdschriften zijn verdwenen en ’t Pallieterke van vandaag is een schaduw van de ‘moniteur’ die ze weleer was. Ook in het Vlaams Belang leeft het thema niet meer.

‘Het is geen politiek item, het is weg als actief strijdpunt op het publieke forum. Maar als je gaat peilen bij verschillende stamboomflaminganten zul je merken dat het nog heel diep zit. Ik merk dat in mijn contacten met kinderen en kleinkinderen van collaborateurs. Dat blijkt uit hun reacties op het politieke optreden van Bart De Wever die in 2015 de collaboratie als een morele fout veroordeelt. Die familieleden zijn daar helemaal niet van gediend.’

De Kinderen van de collaboratie brengt me tot een stelling van historicus Lode Wils die beweert dat politieke, separatistische Vlaams-nationalisten vandaag allen ‘kinderen van’ zijn.

‘Dat is moeilijk te tellen, maar feit is dat het aantal kinderen van bij de Vlaams-nationale partijen hoger ligt dan in andere partijen.’

Dat lijkt me evident. Een groot deel van de Vlaamse beweging stond in de collaboratie.

‘Klopt. Ze moesten toen al niets van de Belgische staat hebben. De repressie en het daaruit voortvloeiende revanchisme zijn niettemin een heel belangrijke voedingsbodem geweest om het Vlaams-nationalisme terug op de politieke kaart te zetten. Dat heeft ook Bart De Wever aangetoond in zijn licentiaatsthesis. Hij kon zelfs de eerste successen van de Volksunie terugbrengen tot bepaalde wijken van in Antwerpen ingeweken gewezen collaborateurs.’

Emancipatie

Waar weinig onderzoek naar gebeurd is –spreek me gerust tegen – zijn de vrouwen van de collaboratie. Niet de vrouwen in de collaboratie, maar de vrouwen van de veroordeelde collaborateurs.

(geëxiteerd) Héél interessant is dat. Ik denk dat de repressie op sociaal vlak een rol heeft gespeeld in de emancipatie van verschillende vrouwen. Je hebt een voornamelijk mannelijke bevolking die in de gevangenis belandt of hun rechten en vaak dus hun job verliezen. Vrouwen evolueren dan van huisvrouw tot kostwinner. En door het geld dat ze op tafel leggen worden ze ook baas thuis. Zeker als de man in de cel zit. Vrouwen leren bovendien andere mannen kennen. Of als hun man na jaren terugkomt, klikt het niet meer tussen hen, of met de kinderen die de autoriteit van vader niet meer erkennen. Je krijgt ook disfunctionele gezinnen. Het aantal scheidingen was enorm toen. De collaboratie was een zaak van hoofdzakelijk jonge mannen, die doordat ze gevangen zaten, ook veel later aan kinderen begonnen. Dus ook demografisch heeft dat impact gehad. Dat is ongelooflijk interessant maar braakliggend terrein. Wist je dat eens in vrijheid gesteld, verschillende mannen een advertentie plaatsten met de tekst “beproefde jongeman zoekt …” Dan wisten mensen dat het een collaborateur was die jaren gevangen had gezeten en van zijn status als vrijgezel af wilde.’

De rol van de CVP en de geslaagde collaboratie

We horen vooral de middenklasse en de intellectuelen die werden veroordeeld en daardoor in de marginaliteit terechtkwamen. Van de arbeiders toen weten we weinig, maar die gewezen ambtenaren, onderwijzers en politici worden dan na de oorlog en masse opgepikt door de CVP die hen nodig had om de partij aan een meerderheid te helpen. Ligt er bij de CVP en de katholieke zuil ook schuld voor de mythevorming? De geïnstitutionaliseerde Vlaamse beweging – partijpolitiek en niet-partijpolitiek – is in het reine gekomen met haar verleden. Moet de christendemocratie dat ook niet nog doen?

‘Ze is sowieso mede verantwoordelijk voor de mythevorming. In het begin zelfs de hoofdverantwoordelijke.

Er moet allicht nog veel onderzoek gebeuren naar de rol van de CVP in het dedouaneren van de collaborerende Vlaamse beweging.

‘Verschillende neo-, of post-dinaso’s als je wil, komen alleszins in de CVP terecht. Het zijn zeker niet allemaal collaborateurs, sommige komen zelfs uit het verzet, maar ze hebben toch minstens toch gemeenschappelijke ideologische voeding of bodem. Bart De Wever heeft daar een artikel aan gewijd: Willem Melis, Jef van Bilsen, Johan Fleerackers, Franz Van Dorpe … Behalve het emancipatorische voor de vrouwen is er nog iets heel belangrijks aan de bestraffing van de collaboratie. Lode Claes gaf het ook al aan: de zelfstandige economische ruimte van Vlaanderen is door mensen die in collaboratie en repressie hebben gezeten sterk mee vorm gegeven. De kringen van het VEV (vandaag Voka – red.), de Kredietbank (vandaag KBC – red.), ERV (vandaag SERV – red.), grote bedrijven als Agfa Gevaert, Mercator … De lijst loopt nog een eind door. Verschillende werknemers maar ook kader- en bestuursleden kennen elkaar uit de collaboratietijd. Bovendien beginnen vele gestrafte collaborateurs noodzakelijkerwijs aan een eigen zaak of worden ze handelsreiziger omdat ze geen openbare functie of ambt meer mogen uitoefenen. Ze kunnen meteen rekenen op de solidariteit van de collaboratiekringen, een trouw cliënteel dat elkaar steunt en voorthelpt. En, de motivatie is sterk: wat hen niet klein krijgt, maakt hen groter en sterker, dat willen ze bewijzen aan de door hen gehate Belgische staat. Vlaanderen is vandaag zo voor minstens een deel de vrucht van die gettomentaliteit.’

Hoor ik je nu zeggen dat de collaborateurs van toen vandaag geslaagd zijn in hun opzet?

‘Niet wat hun antidemocratische programma betreft, en gelukkig maar. Maar een van de andere doelen was toch een autonoom en sterk Vlaanderen. De krachten die toen aanwezig waren hebben zich herijkt en willens nillens geconformeerd aan de democratie. Maar ze hebben verder gewerkt waar ze al aan bezig waren tijdens en ook voor de bezetting.’

Waarmee je een verhaal krijgt van mensen, en niet meer van instellingen of bewegingen.

‘Ik heb in mijn doctoraatsonderzoek ook een politiek-institutionele analyse gemaakt. Maar door het contact met kinderen van de collaboratie, heb ik meer aandacht gekregen voor de mens achter de collaborateur. Ik hoop dat de oorlogshistoriografie verder die weg opgaat, met meer aandacht voor de  criminologische, sociologische en sociaal-psychologische inzichten. Als je zegt dat collaborateurs door het nazigedachtegoed gemotiveerd waren, zeg je nog niet voldoende, zeg je niet waarom, zeg je niet hoe dat komt en geef je eerder een beschrijving in plaats van een verklaring. In die zin kunnen we veel leren uit de analyses die we vandaag over geradicaliseerde jongeren maken. Daar stopt het ook niet bij de vaststelling dat het fundi’s zijn, maar gaat de vraag verder dan die vaststelling, hoe komt het namelijk dat ze dat radicale gedachtegoed omarmen en in de praktijk brengen? Waar gebeurt die transitie? Door in te beuken op de mythes hebben we die benadering wat uit het oog verloren. De collaboratie valt uiteraard altijd en kordaat af te keuren. Dat is belangrijk, maar achter de daad heb je ook de mens die je nooit mag reduceren tot de daad alleen.’

 

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans