Geschiedenis, Multicultuur & samenleven

Lode Bostoen, een hoofdredacteur uit de duizend

Intelligent en integer, wat kantig in de omgang maar zacht van inborst: zo was Lode Bostoen, de voormalige (algemeen) hoofdredacteur (1976-1991) van De Standaard en Het NieuwsbladDe Gentenaar en hoofdredacteur van Het Volk (1994-1996), die we vorige maandag in Bertem ten grave hebben gedragen. Ook al omdat hij nooit de schijnwerpers opzocht, is te weinig geweten dat hij er in belangrijke mate aan heeft bijgedragen dat De Standaard de faillissementszomer van 1976 overleefde en nadien doorgroeide tot de degelijke kwaliteitskrant waar Vlaanderen aan het eind van de vorige eeuw trots op kon zijn.

De journalistieke loopbaan van Lode Bostoen is begonnen toen hij in Leuven rechten studeerde (1950-1955).  Hij schreef er in Universitas, het maandblad van het Hoogstudentenverbond voor Katholieke Actie, en volgde in oktober 1953 Guido Van Hoof, die redacteur van het jezuïetenblad De Linie was geworden, als hoofdredacteur ervan op. Twee jaar later trad hij, pas afgestudeerd en op voorstel van Van Hoof, eveneens in dienst bij De Linie. Begin 1962 volgde hij Van Hoof opnieuw, nu naar de redactie van De Standaard. Hij werkte er drie jaar op ‘buitenland’ en werd in 1965 chef ‘binnenland’ (waar tot 1971 ook ‘economie’ onder viel). Zijn taak was er in hoofdzaak een van coördinatie. Wanneer hij zelf schreef, ging het meestal over het defensiebeleid en de Belgische krijgsmacht, waar hij de scheefgetrokken taalverhouding aan de top en de achterstelling van Vlaamse officieren bij bevorderingen scherp aan de kaak stelde.

Bij de overgang van de lente naar de zomer van 1976 werd De Standaard meegesleurd in het faillissement van de NV Periodica, de drukkerij van het mediabedrijf dat Albert De Smaele had uitgebouwd. Om in geval van overname ‘de tradities van De Standaard te handhaven’ en ‘over het behoud van de personeelsbezetting te waken’, werd op 9 juni 1976 de vzw Redactie De Standaard opgericht. Lode Bostoen had er de statuten van opgesteld en kreeg, hoewel hij eerst geen kandidaat was, bij de verkiezing van de raad van bestuur het hoogste aantal stemmen. Met een tiental andere redacteurs van Binnenland en Economie nam hij het initiatief voor de oprichting van de nv Krantenfonds, om financieel te participeren in een nieuw uitgeversbedrijf.  Ook en vooral zorgde hij met een groepje redacteurs voor continuïteit: terwijl anderen volks- en vakbondsvergaderingen bijwoonden, zorgden zij ervoor dat De Standaard ‘gemaakt’ werd en bleef verschijnen – want voor een krant is niets zo nefast als een onderbreking in de publicatie.

Op 29 juni 1976 was de overname door de nieuw opgerichte Vlaamse Uitgeversmaatschappij (VUM) rond. Toen de nieuwe eigenaars een hoofdredacteur moesten aanstellen, konden ze moeilijk om Lode Bostoen heen: de waardering bij zijn collega’s voor zijn rol in de crisisweken was te groot . Ambitie om hoofdredacteur te worden, had hij nochtans niet – integendeel, het was met enige tegenzin dat hij, uit plichtsbesef, de functie aanvaardde. Als je hem daarover sprak, beklemtoonde hij dat hij nooit hoofdredacteur zou zijn geworden indien Manu Ruys, die voordien al politiek hoofdredacteur was, zijn werk bij de dienst Beknopt Verslag in de Kamer van Volksvertegenwoordigers zou hebben opgegeven. André Leysen, de voorzitter van het directiecomité van de VUM, wilde immers een hoofdredacteur die permanent beschikbaar was voor de redactie en de directie.  De VUM-kranten kregen daarom een tweeledige hoofdredactie. Volgens een onderlinge, vage afspraak zou Bostoen instaan voor de dagelijkse leiding en Ruys voor de politieke lijn van de krant.

In het vooruitzicht van het vertrek van Manu Ruys, die medio 1989 met pensioen ging, en om De Standaard en Het Nieuwsblad-De Gentenaar te ‘herpositioneren’, werd de structuur van de redactie dat jaar aangepast. Beide kranten kregen een eigen hoofdredactie; Lode Bostoen werd er algemeen hoofdredacteur van. Hij was verantwoordelijk voor het ‘human resources management’ en voor de langetermijnontwikkeling van de kranten, en was zoals voorheen lid van het directiecomité. Door zijn aanstelling tot algemeen hoofdredacteur kwam hij nog verder af te staan van het journalistieke ‘handwerk’. In zijn memoires Geen blad voor de mond schrijft Hugo De Ridder, dat Lode ‘door de VUM-leiding gedwongen [werd] in een rol die de zijne niet was. Om de uitdijende redactie wat in toom te houden moest hij de kneepjes uit de managementboekjes gaan toepassen, iets waar hij zichtbaar zelf niet achterstond’. Ook de toenemende druk van de commerciële leiding om greep te krijgen op het redactionele beleid lag moeilijk bij Lode, die de autonomie van de redactie met hand en tand wilde blijven verdedigen. Een en ander leidde ertoe dat André Leysen in de zomer van 1991 besliste hem te vervangen door Lou De Clerck, de hoofdredacteur van Gazet van Antwerpen. Lode kreeg ‘een lege VUM-directeursfunctie buiten de redactie’ (Manu Ruys in Een levensverhaal).

Plichtsbewust en loyaal als hij was, ging Lode in 1994 in op het verzoek van de directie om, in afwachting van de aanstelling van een jonge kracht, hoofdredacteur te worden van Het Volk, de krant van de christelijke arbeidersbeweging die door de VUM was overgenomen. Tot grote tevredenheid van de journalisten van Het Volk, die zich wat aan hun lot overgelaten en erg onzeker voelden, oefende hij de functie uit tot hij op 1 december 1996 met pensioen ging. Meer nog dan voorheen had hij nu tijd om te lezen: boeken over geschiedenis en politiek uit de rijk gevulde bibliotheek in zijn woning in Bertem, en The Economist, zijn lijfblad van jaren her – en uiteraard ook ‘zijn’ kranten, waarvan hij bepaalde ontwikkelingen met bezorgdheid volgde maar nooit in het openbaar bekritiseerde.

***

In de vijftien jaar dat Lode Bostoen hoofdredacteur en algemeen hoofdredacteur van De Standaard was, is de krant er voortdurend op vooruitgegaan, zowel kwantitatief als kwalitatief. De verkochte oplage steeg van een goede 50 000 tot meer dan 75 000 exemplaren. Het aantal redactionele bladzijden nam toe; bestaande rubrieken kregen meer ruimte, nieuwe rubrieken zagen het licht. De redactie werd stelselmatig uitgebreid met academisch opgeleide krachten, kreeg moderne technische werkinstrumenten en ging almaar professioneler werken. In 1990 werd begonnen met de uitbouw van een net van eigen voltijdse correspondenten in onze buurlanden (dat tien jaar later ontmanteld zou worden).

Al die jaren leidde Lode de redactie met zachte hand en groot gezag. Discipline en bevelen, zei hij, zijn goed voor een leger, waar het om leven of dood gaat; op een redactie werken ze remmend. Door zo weinig mogelijk in te grijpen, werken de journalisten uit eigen beweging; anders zitten ze op instructies te wachten. Bovendien vond hij dat een hoofdredacteur zichzelf niet tot norm kan verheffen. Zijn gezag was gegrond op dubbele fundamenten: enerzijds het grote vertrouwen dat hij ten tijde van het faillissement had opgebouwd en het feit dat hij geen persoonlijke ambitie had en geen persoonlijke eer nastreefde; anderzijds zijn enorme intelligentie, eruditie en belezenheid. Lode was van alle markten thuis, maar vooral zijn juridische en historische kennis was fenomenaal. Geschiedenis was zijn grote passie, vooral militaire geschiedenis. Hij raakte erdoor geboeid omdat hij als kind de Tweede Wereldoorlog had meegemaakt en als volwassene het hoe en waarom daarvan wilde kennen. Een goed journalist moest volgens hem de geschiedenis kennen om actuele gebeurtenissen in hun context te kunnen plaatsen én te kunnen relativeren.

Informeren – feitelijk berichten, dus – beschouwde Lode als de eerste opdracht van de krant. Correct informeren, en indien nodig uitleggen, maar nooit beleren of moraliseren – want lezers zijn volwassen mensen (van de columns en allerindividueelste expressies van allerindividueelste emoties die tegenwoordig zo welig in de kranten tieren, had hij dan ook geen hoge dunk). Zo feitelijk een bericht hoorde te zijn, zo nuchter hoorde een commentaar te zijn. Uitleggen, niet preken. Waarom zou een journalist het beter weten dan een politicus? En wie ben je om als journalist de staf te breken over beleidsmakers? Lode heeft zelf niet veel commentaarartikelen geschreven – hij deed het meestal omdat er die dag niemand anders het deed – en dat is, zoals wijlen Leo Tindemans in zijn Politiek testament opmerkt, bijzonder jammer. Want zijn commentaren waren journalistieke pareltjes, altijd vertrekkend van de feiten, doordacht onderbouwd en logisch opgebouwd, scherpzinnig analyserend en helder van taal, met af en toe een ironische ondertoon (bijvoorbeeld toen Gorbatsjov in augustus 1991 in zijn vakantieverblijf op de Krim opgesloten werd en door de putschisten ziek was verklaard: ‘Het is mogelijk dat het  met de gezondheid van Sovjetpresident Gorbatsjov niet goed gesteld is na de staatsgreep van de Kommunistische Partij gisterochtend. Huisarrest is anders strikt genomen geen ziekte die door doktersbehandeling verholpen kan worden.’)

Het was, geloof ik, oud-collega Marcel Van Nieuwenborgh van de Cultuurredactie die ooit zei of schreef:  ‘De hoofdredacteur kwam voorbij, trok aan zijn pijp en sprak een ontmoedigend woord’. Ja, het is waar: complimenten hoefde je van Lode niet te verwachten. Hij ging ervan uit dat wie een goed stuk had geschreven, dat wel van zijn collega’s zou horen. Wanneer een artikel minder goed was of je de bal had misgeslagen, kwam hij dat zelf zeggen – onder vier ogen. Dat hij de redactie en elke redacteur door dik en dun verdedigde tegenover externe kritiek was zeker niet de minste van zijn kwaliteiten. Ook daarom was Lode Bostoen een hoofdredacteur uit de duizend.

 

Mark Deweerdt werkte van 1981 tot 1996 op de redactie van De Standaard, waarvan vier jaar (1989-1993) als hoofdredacteur.


Foto: (c) Scoop

Mark Deweerdt

Dit artikel delen of afdrukken




Commentaren en reacties


Kijk vooraf even op onze Spelregels en technische problemen
Reacties - klik hier

Voeg een reactie toe

https-doorbraak-be

Lees ook

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans