fbpx


Cultuur, Geschiedenis, Media
Suske en Wiske

Rondas over Suske en Wiske: blote borsten goed, dikke lippen slecht




Beste luisteraar

Vorige week had ik beloofd u iets te vertellen over ‘stereotiepe’ beelden van Sub-Saharische, Afrikaanse mensen in stripverhalen, en ik zou dat doen onder het motto ‘De negers hebben dikke lippen’, een citaat uit Paul van Ostaijens gedicht ‘Oppervlakkige charleston’. Als de  censuurmaatregelen  voorgesteld in het Groen-woke rapport ‘Dekoloniseer mijn stad’ hun beslag zouden krijgen, dan zou de Gentse stedelijke bibliotheek De Krook op basis van dit versje heel Paultjes Verzameld Werk als racistisch moeten labelen.
Gentse censoren, een beetje consequentie alstublieft.  Een tip: Van Ostaijen verwees niet naar levende Afrikanen, maar naar reclamepanelen in de grootstad (Berlijn of Antwerpen) met, jawel, beelden van musicerende negers met dikke lippen. Een vers dus over een uitbeelding van de tot ‘neger’ geracialiseerde en gedenigreerde mens.

Maar ik zou het over een stripverhaal hebben, aan de hand waarvan ik wil aantonen dat verontwaardigde activistische dekolonisatoren in hun racismejacht op een dwaalspoor zitten.

Afrikaanse roofkunst

Want dan wàs er nu eens een populaire, zeer Vlaamse strip die een album wijdde aan de nasleep van de Belgische kolonisatie van Kongo. Mami Wata, nummer 340 in Willy Vandersteens Suske-en-Wiske-reeks, verscheen in 2017. In de jaren vijftig werden drie religieuze beeldjes door drie malafide Europese antropologen geroofd uit een heilige grot achter een waterval, diep in de brousse. Eenmaal in Europa werden de beeldjes apart verkocht en kwamen ze terecht in Belgische verzamelingen. Het album vertelt hoe Suske en Wiske, Lambik en Tante Sidonie deze beeldjes ten slotte restitueren en terugplaatsen in het heiligdom waar ze vandaan kwamen. Teruggave van Afrikaanse roofkunst, herstel van aangedaan leed: is dat geen modern en opvoedend dekoloniserend verhaal? Een beetje gedekoloniseerde bibliotheek bestelt er onmiddellijk een honderdtal van.

Dat was dan ook de bedoeling van de strip, want de verschijningsdatum had moeten samenvallen met de telkens weer uitgestelde heropening van het verbouwde en gereorganiseerde Afrikamuseum in Tervuren. Maar of het museum blij was met die pedagogische attentie is twijfelachtig, want het stripverhaal Mami Wata kwam negatief in het gazettennieuws omwille van één prentje. Een racistisch prentje. Een stereotyperend prentje, zie hierboven, linker kant.

Mama Water

We maken hier kennis met Mami Wata zelf. Zij is de naakte en verleidelijke godin-meermin-sirene aan wie de drie beeldjes – haar ‘kinderen’ – waren toegewijd. Zij is het die er na een halve eeuw achteraan zit. Via een magische armband weet ze de blanken in Vlaanderen te dwingen om haar de beeldjes terug te bezorgen. Als dat niet gebeurt zal Suske sterven en Wiske haar hele verdere leven wenen.

Er is zorg besteed aan dit verhaal. Helemaal anders van insteek en uitwerking is het toch een waardige, moderne opvolger van de ‘klassieke’ Vandersteenstrips uit de vroege jaren vijftig die zich in Kongo afspelen zoals De witte uil en De tamtamklopper. De nodige extra vijanden onderweg naar het doel zijn de Aniota’s of luipaardmannen, die (heel correct) als bedriegers ontmaskerd worden. Het legendarische personage van Mami Wata zelf is goed gerechercheerd en uitstekend ‘vertaald’ om er een Sus-en-Wisverhaal mee te kunnen vertellen – met uiteraard weglating van het aspect van ‘le deuxième bureau’ waarover straks meer. Er is ook voor diversiteit gezorgd: belangrijke nevenpersonages zoals de politievrouw in Vlaanderen zijn zelf Afrikanen. Op het einde wordt de oude boze blanke man (de enige overlevende van de drie antropologen) zelfs gestraft: hij moet nu levenslang Kongolese beeldjes snijden.  Wat wil men meer? Dit is een alreeds gedekoloniseerde strip, passend voor de winkel in Tervuren. Bijna, want de onverzadigbare dekolonisatoren waakten…

Vrouwenborsten en mannenlippen

De eerste dag wist het krantennieuws te melden dat er voor het eerst in de geschiedenis van Vlaanderens succesrijkste strip blote borsten in een verhaal voorkwamen.  Bij Sidonie, die meestal als ‘plank’ gedefinieerd werd, waren al een tijdje enkele welvingen te zien, en bij Wiske, die al enkele decennia geen acht jaar meer was, ook. Maar Mami Wata wordt getekend in al haar blote glorie, en dat is nieuw in een familiestrip. En dus nieuws.

De tweede dag echter verschoof de aandacht naar de lippen van de zwarte man die zich een aap schrikt bij Mami Wata’s verschijning uit het niets. Om te beginnen kon Dalilla Hermans er niet bij dat de sirenenborsten wel, en de ‘dierlijke lippen’ van de man niet waren opgevallen, want hoe die op bovenstaand prentje tuiten, dat was volgens haar een typisch koloniale, stereotiepe en racistische manier om zwarten te tekenen. Dat was, schreef ze, hoe je de mond van een dier tekent. Wat die stereotypen betreft: denk maar aan de dikke lippen van Marc Sleens Papa Papoea, de vader van Petoetje (vanaf 1950), of aan de helrode en nog dikkere lippen van de zes Numidische kopiisten in het Asterix-album De papyrus van Caesar (2015). De vzw Orbit vond dan weer dat de publicatie van Mami Wata in de krant moest gestopt worden en dat men opnieuw mocht beginnen met andere collega’s, tekenaars en scenaristen. Ik heb sterke vermoedens dat deze vereniging bedoelde dat het alleen aan zwarten toekomt om zwarten te tekenen.

Bevroren verstomming

Twee dingen hebben deze dekoloniale critici verzuimd. Ten eerste, omdat ze haast hadden om zo snel mogelijk de Vandersteenstudio van racisme te beschuldigen, hebben ze niet goed gekeken – dat is nochtans het eerste wat een kind met een strip doet. Maar kijkt u vooral mee: op het betwiste plaatje is de zwarte man verrast. Op het voorafgaande plaatje kwam hij blij fluitend en niets vermoedend terug van de visvangst met een buit van drie vette vissen. Zijn lippen zijn gestulpt want hij fluit een melodietje, er staan zelfs drie zuivere muzieknoten bij. Bij het zien van de levende Mami Wata (die hij alleen van prenten en beeldjes kent) verstomt zijn gefluit. Het plaatje hierboven is het bevroren beeld van zijn verstomming terwijl hij nog halvelings aan het fluiten is, kijk maar, nu komen er drie beschadigde noten over zijn lippen. Dat hij helemaal niet ‘dierlijk’ wordt uitgebeeld maar ‘karikaturaal’ zoals het hoort, bewijst het daarop volgende plaatje. Mami Wata heeft hem een kostbare armband gegeven, en lachend (nog niet beseffend dat dit zijn ondergang wordt) bedankt hij haar. Opgetogen, sympathiek, menselijk. Helemaal geen dierlijke lippen, slechts Van Ostaijen-lippen. Ziet u een dier? Ik niet. Het ‘dierlijke’ zat tussen de oren van Dalilla Hermans. De uitgeverij had groot gelijk toen ze de beschuldigingen met een beleefde formule afwees; tekenaar Luc Morjaeu had juist gehandeld.

Ten tweede hebben de critici niet gewacht tot een week na al die ophef het album zou verschijnen (een album wordt immers al gepubliceerd terwijl de strip nog dagelijks in de krant loopt). Hadden ze het volledige verhaal gelezen, dan hadden ze misschien ingezien dat Mami Wata helemaal geen racistisch verhaal is. Dat zou dan hun overspannen lippenhistorie gelogenstraft hebben en dat willen ze uiteraard niet. Maar als woke activisten waren ze ook niet meer geïnteresseerd, want de culpabilisering van de blanke blik was weer eens geslaagd. Nadien heeft niemand van die mensen nog over Mami Wata gerept. Het kon ze niet meer schelen.

Wie eigent zich wat toe?

Er is nog een reden waarom het album geen aandacht meer kreeg, en die heeft te maken met de zogenaamde ‘culturele toe-eigening’ (cultural appropriation). Vele actieve antiracisten vinden dat blanken helemaal niet over zwarten of mensen van kleur mogen schrijven of tekenen. Dat zou immers culturele toe-eigening zijn. Velen zijn ervan overtuigd dat het de blanke niet toekomt zich fictioneel te verplaatsen in de ziel van een niet-blanke. Blanken hebben daar geen verstand van. Deze theorie maakt deel uit van het in links-groene kringen ontzettend populaire anti-blank racisme – dat het echte racisme banaliseert.

Welnu, wat blijkt?  De Mami Wata-figuur is zélf een personage dat door culturele toe-eigening is ontstaan, en dat hebben deze activisten niet graag. Zij zien immers de culturele toe-eigening graag als een eenrichtingsverkeer van koloniale blanken die cultureel erfgoed van de gekoloniseerden kapen. Van indiaantje spelen, Lucky Luke lezen,  maar ook het indiaanse opperhoofd als het logo van KAA Gent: allemaal cultural appropriation en de activisten menen dat. Wanneer nu blijkt dat de hele complexe ontstaansgeschiedenis van deze erotische maar wispelturige godin een kluwen van culturele toe-eigening door zwarten is, dan is er een probleem.

Le deuxième bureau

Haar naam alleen al, pidgin Engels voor mama water, wijst op haar hybriede afkomst. Ze is Atlantisch in die zin dat ze tussen Afrika en de Caraïben heen en weer is gezwommen, samen met de muziek. Ook de muziek maakte immers diezelfde  reis Afrika-Caraïben heen en terug.  Mami Wata wordt steevast met water en slangen geassocieerd. Daarop legt ook het verhaal van Suske en Wiske de nadruk. Ze is niet alleen Kongolees, maar ruim West-Afrikaans. In België kennen kunstverzamelaars vooral haar Zaïrese overlevering via schilderijen van Kongolese kunstenaars als Chéri Samba, Chéri Benga of Mamba Muntu, met titels als ‘Amour fou’ of ‘J’aime Mami Wata’.[1]

Ze is bruin van vel, maar heeft geen kroeshaar. Mami Wata is namelijk een dubbelzinnige blote blanke die graag haar lijf toont. Ze verleidt, maar moet ook verleid worden. Ze staat voor de ‘femme libre’ met wie de zwarte man op moderne, ‘democratische’ wijze over een verhouding onderhandelt in een stedelijke omgeving – daartegenover staat zijn echtgenote, met wie de verhouding traditioneel is en dus een gegeven van het dorp. In Zaïre was Mami Wata de ‘verhekste’ symbolisering van de fameuze ‘deuxième bureau’, de bijzit die de man zich aanschaft omdat hij moet kunnen aantonen dat hij participeert aan de stedelijke moderniteit.

De schilderijen waarop ze figureert veraanschouwelijken de contradicties van de zaïrisering (de vermeende terugkeer naar de Afrikaanse authenticiteit) tegenover de dagdagelijkse ervaring van onderdrukking en corrumpering in de Mobutu-staat na de mislukking van Lumumba’s mozaïsche beloftes. Maar sinds Kabila senior de macht had overgenomen, was de noodzaak verdwenen om de periodes van voor en na Lumumba te contrasteren; er moest weer vanaf nul worden begonnen. Mami Wata was een verschijnsel uit de relatief welvarende periode van Kongo: ze is er aangespoeld met de welvaart, en is er nadien ook weer mee vertrokken. Ze is een dekolonisatieverschijnsel, een symbool voor de verscheurdheid van de zwarte man tussen de verlokkingen en de bedreigingen (betovering!) door de moderniteit.

Echte dekolonisering

In 2017 keert ze dus eventjes in een Suske-en-Wiske-album terug, in een verhaal dat de activisten willen racialiseren. Succes met de dekolonisering van de Gentse Stadsbibliotheek zou ik zeggen, want bij elk boek dat als racistisch gebrandmerkt wordt, hoort een tegenverhaal zoals ik hier bracht. Elk racisme-label zal werken als extra reclame voor het door antiracisten vermaledijde boek. Vooral wanneer ze, zoals in dit geval, een verhaal willen dekoloniseren waarvan het onderwerp in feite de échte dekolonisering is, en niet de zogenaamde dekolonisering van uw en mijn geest.

_________

[1] Een boeiende kennismaking met deze populaire stadskunst biedt de Québecoise antropoloog en verzamelaar Bogumil Jewsiewicki in zijn fraai geïllustreerde boek Mami Wata. La peinture urbaine au Congo. Gallimard, 2003.

 

Luister ook naar onze andere podcasts


Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

[ARForms id=103]

Jean-Pierre Rondas

De auteur is voorzitter van Stem in 't Kapittel vzw, de uitgever van Doorbraak