JavaScript is required for this website to work.

Over honden en katten

Thomas Laqueur herschrijft de kunstgeschiedenis

Jürgen Pieters17/6/2026Leestijd 3 minuten
A Friend in Need (1903), Cassius Marcellus Coolidge.

A Friend in Need (1903), Cassius Marcellus Coolidge.

foto © Wikimedia

De Leesneus heeft een stuk of wat vuistregels als het over het verschil tussen goede en minder goede boeken gaat. Dit is de belangrijkste: de beste boeken zijn die boeken die ik zelf had willen schrijven – als ik maar genoeg tijd en talent had. Het pas verschenen The Dog’s Gaze van Amerikaans cultuurhistoricus Thomas Laqueur is zo’n boek.

A Visual History is de ondertitel. Laqueur bespreekt in zijn boek honderden westerse schilderijen waar honden op staan, duizenden honden. Nu eens zijn ze alleen, maar vaker krijgen we ze in dubbelportret met hun baasjes.

Veel van die schilderijen dateren uit de late middeleeuwen en de renaissance, maar er zijn ook oudere voorbeelden, naast tal van moderne. Laqueur opent met een werk uit 1942 van Edvard Munch: twee diepe ogen van bruine verf kijken de toeschouwer indringend aan. Laqueur flankeert het schilderij met een gedicht dat Pablo Neruda schreef bij het overlijden van zijn hond. Zijn ogen zijn zuiverder dan de mijne, aldus de dichter: ze vragen niets, ze zijn er altijd, ze vallen me nooit lastig.

Katten

De kwestie die Laqueur in zijn boek bezighoudt, is eenvoudig maar to the point. Hoe komt het dat we in het Westen zoveel meer schilderijen hebben van honden dan van katten? Het antwoord steunt op intuïtie die door het boek heen almaar sterker wordt: omdat katten veel meer een eigen wil lijken te hebben dan honden. Katten zijn onverschillig, ze trekken zich van de mens niet al te veel aan. Ze zouden ten andere ook niet blijven zitten als ze worden geportretteerd.

Honden zijn helemaal anders. Die zitten op commando en blijven bij hun baasje. Ze geven ook thuis wanneer je hen in de ogen kijkt. De blik van de hond is wederkerig, die van de kat niet. De bekende vraag uit een van de essays van Montaigne, gaat niet toevallig over een kat. Als ik met mijn kat speel, hoe weet ik dat zij niet tegelijk met mij aan het spelen is, vraagt Montaigne zich af. Katten hebben een autonome persoonlijkheid, die van de hond is relationeel.

Gezel

Honden zijn er al vanaf het prille begin van de schilderkunst, zo toont Laqueur. In vroege rotsschilderingen uit het noordwesten van Saudi-Arabië – meer dan 9.000 jaar oud – worden ze al afgebeeld in jachtscènes. De hond is het eerste gedomesticeerde dier in de ontwikkeling van de westerse mens. Van bij het begin is hij de gezel, het dier dat zijn wezen ontleent aan de mens.

De hond is er om de mens van zijn existentiële eenzaamheid te redden

Maar ook het omgekeerde is het geval, stelt Laqueur: ook wij worden wie we zijn dankzij de hond. De hond is het dier dat ons in staat stelt de beste variant van onszelf te worden. De mens die zorg draagt, die zijn tijd ten dienste stelt van de trouwe viervoeter (de dagelijkse wandeling), de mens die rouwt wanneer die eeuwige vriend er niet meer is. De hond is er om de mens van zijn existentiële eenzaamheid te redden, schrijft Laqueur.

Voorbij het symbool

De talrijke scherpzinnige analyses van schilderijen waaruit The Dog’s Gaze bestaat, geven het goed aan: het is Laqueur niet alleen te doen om de symboolwaarde die de hond op veel van die schilderijen bij nogal wat kunsthistorici krijgt. Neem bijvoorbeeld de pagina’s die hij wijdt aan het bekende Arnolfini-portret van Jan Van Eyck (1434).

Vanzelfsprekend is het hondje op de voorgrond tussen de twee echtelieden een symbool van trouw, schrijft Laqueur. Maar het is meer dan dat: in tegenstelling tot de twee mensen die centraal staan in het portret, kijkt het hondje de toeschouwers rechtstreeks aan. Het is de blik van de hond die ons binnentrekt in dit beeld. De vraag is niet zozeer wat die hond betekent, maar wel wat hij doet, aldus Laqueur.

Een ander mooi voorbeeld is het levensgrote portret dat Titiaan maakte van Federico II Gonzaga, de hertog van Mantua. Het toont de hertog zoals hij gezien wil worden. Zijn ene hand rust op zijn zwaard, met de andere streelt hij een klein wit hondje. Het portret maakt deel uit van een huwelijkscampagne: een man die zich zo zichtbaar affectief opstelt, moet meer zijn dan een wrede soldaat.

Foucault

Laqueur is met The Dog’s Gaze niet aan zijn proefstuk toe. In de jaren ‘80 van de vorige eeuw richtte hij samen met een groep collega’s aan de universiteit van Berkeley in Californië het tijdschrift Representations op. Dat gezaghebbende blad werd het vlaggenschip van het zogenaamde New Historicism. Laqueur en zijn collega’s deden aan wat Michel Foucault ooit ‘de geschiedschrijving van het heden’ noemde: gedegen historisch onderzoek koppelen aan het besef dat dat onderzoek onvermijdelijk vanuit een eigen historisch moment gebeurt en gekleurd wordt door hedendaags engagement.

Eerdere boeken van Laqueur behandelden de geschiedenis van de masturbatie (Solitary Sex, 2004) en de cultuurgeschiedenis van begrafenisrituelen en -plekken (The Work of the Dead, 2015). Net als in dit hondenboek neemt Laqueur daarin een periode-overschrijdend perspectief in, zonder evenwel de geschiedenis te herleiden tot één groot verhaal met heldere ontwikkelingslijnen.

De honden van King Lear

Maar meer dan in zijn eerdere boeken is Laqueur zelf als onderzoeker aanwezig in The Dog’s Gaze. De keuze voor het onderwerp is daar niet vreemd aan. Laqueur is een hondenvriend, al geeft hij aan zich relatief laat in zijn leven tot het ware huisdierengeloof te hebben bekeerd. Vroeger was hij meer een kattenman.

Bij de lectuur van zijn boek moest ik voortdurend denken aan Shakespeares King Lear. Die oude koning heeft blijkens een weinig opgemerkt vers in de naar hem genoemde tragedie drie honden: Tray, Blanche en Sweetheart.

Ook bij Shakespeare is de aanwezigheid van die honden niet louter symbolisch – ze zijn meer dan de trouwe tegenhangers van de drie eigenzinnige katten van Lears dochters. Ze geven de oude koning een zachtheid die verborgen zit onder zijn norse woorden en gedrag. Elke avond gaat hij met hen wandelen; daar ben ik zeker van.

Jürgen Pieters doceert literatuurwetenschap en 'Creative criticism' aan de Universiteit Gent. In 2021 verschenen 'Literature and Consolation' (Edinburgh University Press) en 'Een boekje troost' (Borgerhoff & Lamberigts). Hij werkt aan een nieuw boek over lezen in contexten van zorg.

Meer van Jürgen Pieters

Wat is een verhaal? Van Dales Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal zet ons niet meteen op de juiste weg: ‘mondelinge voordracht van al dan niet verzonnen gebeurtenissen’. Het Lexicon van Literaire Termen dat de onlangs overleden Rik Van Gorp (geëerd zij zijn naam) ooit samenstelde, is een betere gids. Daar ligt de klemtoon meteen op waar het om gaat: …

Commentaren en reacties