JavaScript is required for this website to work.

Het zijn van de pijn: Umberto Eco in de palliatieve zorg 

Jürgen Pieters1/7/2026Leestijd 4 minuten
Auteur Umberto Eco (1984).

Auteur Umberto Eco (1984).

foto © Wikimedia

Een van mijn favoriete Italiaanse woorden is dietrologia, de leer die wil dat niets is wat het lijkt. De leer (logia) die zegt dat je nooit zomaar moet geloven wat iemand je vertelt, omdat er van alles verborgen zit achter (dietro) wat je op het eerste gezicht denkt te zien. In zijn goede versie is die leer een ode aan het kritisch denken, een aanmoediging om verder te kijken dan je neus lang is. De slechte versie van de leer leidt tot absoluut wantrouwen en paranoia, de onomstootbare zekerheid dat alle schijn bedriegt.

Op zijn best is de beoefenaar van de dietrologia een open, kritische geest die beseft dat geen enkele interpretatie 100 procent sluitend kan zijn, ook de zijne niet. Op zijn smalst is hij een doemdenker die overal samenzweringen vermoedt en nooit aan het eigen gelijk twijfelt. Ook hier is het zaak de twee groepen goed van elkaar te onderscheiden.

Tot de meest eminente vertegenwoordigers van de eerste groep behoort zonder enige twijfel de grote Italiaanse denker en schrijver Umberto Eco (1932-2016). Bij het brede publiek raakte hij bekend als auteur van een aantal grote romans: vooral De naam van de roos (1980) en De slinger van Foucault 1988) blijven de moeite. 

Beroepshalve was Eco hoogleraar in de semiotiek, de leer der tekens. Semiotiek is in beginsel een vorm van dietrologia: ze steunt immers op het gegeven dat we nooit rechtstreeks toegang hebben tot wat we denken te weten. De semioticus gaat ervan uit dat kennis over de werkelijkheid niet ‘onmiddellijk’ maar ‘bemiddeld’ is: vertaald en verbeeld in tekens.

Tekens

Tekens zijn voor semiotici dingen die we goed moeten bekijken, maar waar ook iets achter zit: iets in de werkelijkheid waaraan we door middel van die tekens betekenis geven. In sommige gevallen staan de tekens op een relatief ondubbelzinnige manier voor de werkelijkheid: als een verkeersbord aangeeft dat je een doodlopende straat inrijdt, dan is dat doorgaans ook zo (tenzij het verkeersbord daar niet op zijn plaats is).

Maar veel vaker bestaat er tussen de tekens en de werkelijkheid die ze moeten vertalen een grotere afstand, een moeilijk te overbruggen kloof zelfs. De afstand in kwestie wordt dan een ruimte die verschillende interpretaties en perspectieven mogelijk maakt. In die gevallen helpen de tekens ons nog altijd om de werkelijkheid te begrijpen, maar verschillende (groepen) mensen zullen dat op een verschillende manier doen. 

Een goed voorbeeld van dat laatste bieden ons de weerkaarten van de voorbije dagen. Een stralende zon met de bijhorende aanduiding ‘36°C’ betekent voor de doorgewinterde zonneklopper iets anders dan voor iemand die al in ademnood raakt bij vijf graden minder.

Pijnschaal

Het voorbeeld geeft nog iets anders mooi aan: gevoelens en ervaringen laten zich moeilijk volkomen uitdrukken in tekens, of die nu de vorm van beelden, dan wel van woorden aannemen. Men neme de proef op de som: maak een tekening van hoe het voelt om gelukkig te zijn, of tracht dat gevoel in taal uit te drukken. In beide gevallen is de kans groot dat we vinden dat het teken niet volledig staat voor wat we ermee willen weergeven. 

In 2014 kreeg Eco de uitnodiging van de Italiaanse Academie voor Palliatieve Geneeskunde om zijn licht te laten schijnen over een vergelijkbare kwestie. De lezing – die nu voor het eerst in het Nederlands is vertaald – ging niet over geluk, maar over pijn, over de vraag, meer bepaald, hoe we betekenis geven aan ervaringen die we met dat woord aanduiden. De moderne geneeskunde heeft voor die kwestie verschillende instrumenten ontwikkeld, waarvan de pijnschaal wellicht de bekendste is.

Van één tot tien, hoe erg is je pijn? Achter elk cijfer gaat een persoonlijke ervaring schuil die de meeste patiënten doorgaans hetzelfde doet verzuchten: die schaal geeft niet weer wat ik voel of toch niet op een manier die aan de dokter of het verplegend personeel duidelijk maakt wat ik echt doormaak. Het instrument doet de persoonlijke ervaring teniet, reduceert ze tot een punt op een schaal.

Palliatieve zorg

Vanzelfsprekend nodigde de Italiaanse Academie voor Palliatieve Geneeskunde Eco niet uit om haar leden een semiotische analyse van de pijnschaal te leveren. De uitnodiging was erop gericht het medische genootschap een beter en dieper begrip te bieden van de diverse betekenissen die we in het Westen door de eeuwen heen hebben gegeven aan pijnervaringen. 

In palliatieve trajecten staat het verminderen van de pijn centraal, niet enkel als fysiek gegeven, maar ook als mentaal en zelfs spiritueel fenomeen. Pijn is nooit een louter fysieke ervaring, aldus Eco. De palliatieve zorg is er in zijn woorden op gericht ‘een kalme gemoedstoestand te creëren die het stervensproces vrediger kan maken’. 

Panorama

In het panorama dat zijn lezing vormt, maakt Eco op een bestek van iets meer dan 50 pagina’s duidelijk dat die centrale gedachte wortels heeft in het denken van de oudheid. De eerste filosofen in het Westen hielden zich vooral bezig met psychische pijn. Voor Aristoteles zit het natuurlijke streven van de mens in het vermijden van pijn. 

Met het christendom, zo stelt Eco, verschuift de focus in het denken over pijn op een cruciale manier. Pijnervaringen moeten niet langer verbannen of verdrongen worden – zoals bij de stoïcijnen – maar aanvaard als een bron van verlossing. Christus is hier het model bij uitstek: de navolging van zijn lijden is het ideaal dat tot heiligheid leidt.

Met talrijke voorbeelden uit de kunst en de mystieke traditie maakt Eco duidelijk dat een christelijke omgang met het lijden bij sommige denkers resulteerde in een verheerlijking van de pijn en de gedachte dat het lijden tot nieuwe inzichten leidde. 

Maar tegelijk laat hij zien hoe vanaf de 18de eeuw de geneeskunde een andere denkrichting volgt: dokters gaan zich steeds meer richten op de beheersing van vooral de fysieke pijn. Met de komst van de moderne geneeskunde – en het medische gebruik van pijnstilling – komt die ontwikkeling centraal te staan in ons denken over pijn.

Durf afzien

Aan het einde van zijn betoog houdt Eco een kort pleidooi voor wat hij zelf bestempelt als een betere omgang met pijn. Ondraaglijk lijden moet vanzelfsprekend weggenomen worden, zo beklemtoont hij. Maar tegelijk laat hij zich sceptisch uit over een hedendaagse cultuur waarin elke vorm van lijden medisch wordt weggenomen. 

We moeten opnieuw iets meer leren afzien, lijkt Eco hier te suggereren. We moeten durven de pijn te laten zijn wat ze is. Of we ons daarbij best laten leiden door Oud-Griekse en christelijke denkers dan wel in de richting van de Oosterse filosofie kijken, laat hij jammer genoeg in het midden.

Jürgen Pieters doceert literatuurwetenschap en 'Creative criticism' aan de Universiteit Gent. In 2021 verschenen 'Literature and Consolation' (Edinburgh University Press) en 'Een boekje troost' (Borgerhoff & Lamberigts). Hij werkt aan een nieuw boek over lezen in contexten van zorg.

Commentaren en reacties