Op verhaal komen met Colm Tóibín: ‘The Journey to Galway’

Verlies en gemis zitten vervat in de kern van wat een verhaal is, vindt Jürgen Pieters.
foto © Scribner Book Company
Wat is een verhaal? Van Dales Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal zet ons niet meteen op de juiste weg: ‘mondelinge voordracht van al dan niet verzonnen gebeurtenissen’. Het Lexicon van Literaire Termen dat de onlangs overleden Rik Van Gorp (geëerd zij zijn naam) ooit samenstelde, is een betere gids. Daar ligt de klemtoon meteen op waar het om gaat: een verhaal valt nooit samen met de gebeurtenissen die erin worden voorgesteld.
Ook bij een waargebeurd verhaal is dat niet het geval: elk verhaal, verzonnen of niet, komt na de gebeurtenissen. Het verhaal is van het achteraf, het recapituleert en recupereert. Een verhaal herschikt en wikt datgene wat buiten het verhaal ligt en dat we, zonder goed te weten wat we daar precies mee bedoelen, ‘de werkelijkheid’ noemen. We doen dat voor het gemak of omdat we niet beter weten, maar vaak ook om gewoonweg gelijk te krijgen. Ons verhaal klopt, zeggen we dan, dat van de ander niet.
Een verhaal zegt altijd iets over degene die het vertelt. Een verhaal geeft niet zomaar feiten weer, echte of verzonnen, maar ervaringen van feiten. Feiten bekeken door een bepaalde bril, met een bepaalde gevoeligheid, al dan niet subtiel met waarden beladen. Vertel me een verhaal en ik zal je zeggen wie je bent en hoe je denkt. Dat geldt buiten de literatuur niet minder dan erin.
Herstelwerk
Vorige week las ik een verhaal dat zich meteen in mijn lijst van literaire topfavorieten nestelde. Het is van de meesterhand van de Ierse schrijver Colm Tóibín. Die stond al met een ander verhaal bij die voornoemde favorieten: het oorspronkelijk in The New Yorker verschenen One Minus One, dat nadien de kortverhalenbundel The Empty Family (2010) opende. (Twee jaar later verscheen die in het Nederlands als De lege familie bij De Geus.)
Mijn nieuwe favoriete verhaal van Tóibín heet The Journey to Galway en het staat in de pas verschenen bundel The News from Dublin. Net als One Minus One gaat het over rouw en verlies, over de herinnering aan wat was en hoe wat is nooit meer hetzelfde is als wat was. Dat vele verhalen rond dat soort kwesties draaien is geen toeval. Verlies en gemis zitten immers vervat in de kern van wat een verhaal is.
Verhalen zijn per definitie herstelwerk
Zoals ik al zei: verhalen recupereren wat er gebeurde. Vaak doen ze alsof ze wat er gebeurde gewoon weergeven, maar dat is maar schijn. Ze proberen grip te krijgen op iets wat voorbij is, ze herstellen iets wat ooit was. Verhalen zijn per definitie herstelwerk, op twee manieren zelfs. Ze herstellen de werkelijkheid waarover ze vertellen en bieden degene die het verhaal vertelt ook de mogelijkheid om van die werkelijkheid te bekomen. Ook daar is herstelwerk in het geding: verhalen geven de verteller de kans om te recupereren.
Moeder en zoon
The Journey to Galway is het verhaal van een moeder die per trein naar Galway reist om haar schoondochter het verschrikkelijke nieuws te brengen dat haar echtgenoot – de zoon van de moeder dus – in de oorlog aan zijn eind is gekomen. De moeder is niet de verteller van het verhaal. The Journey to Galway is een vertelling in de derde persoon, waarin die verder anonieme, onpersoonlijke verteller ons deelgenoot maakt aan de gedachten van de moeder.
In het verhaal kijkt de moeder terug op het moment dat ze het tragische nieuws ontvangt. We volgen haar tijdens de treinrit (een keer overstappen) en zien haar op het einde van het verhaal het telegram aan haar schoondochter overhandigen. Of het verdriet daarmee gedeeld wordt, laat de verteller in het midden. Vertellen – Tóibín kent het klappen van de zweep – is ook weten wanneer je moet zwijgen.
Tijd
One Minus One (mijn andere favoriete Tóibín) is ook een moeder-en-zoonverhaal, maar daar krijgen we in twee opzichten het omgekeerde. Het oudere verhaal wordt verteld in de eerste persoon, door een zoon die vanop een afstand terugkijkt naar het ziekbed en de begrafenis van zijn moeder. Ook daar rouw, verlies en de nood aan herstelwerk, zoals in zoveel van Tóibíns teksten.
Wie rouwt, kan niet langer vooruitkijken, terwijl de blik achteruit enkel het onaanvaardbare vaststelt
Hij weet als geen ander de kern van het verlies te vatten en de impact die dat heeft op hoe een rouwende mens de tijd ervaart. Elke expert geeft het aan: het onderscheid tussen verleden, heden en toekomst dat we in normale omstandigheid goed kunnen maken, raakt in periodes van rouw fundamenteel in de war. Wie rouwt, kan niet langer vooruitkijken, terwijl de blik achteruit enkel het onaanvaardbare vaststelt: wie was, is niet meer.
De dood van een geliefde sluit wie rouwt op in een ondraaglijk heden. Wie was, leeft enkel nog voort in de herinnering van degene die achterblijft. Die herinnering is het product van de onophoudelijk draaiende verhalenfabriek die het menselijke geheugen is. Ook dat laat Tóibín als geen ander zien.
Telegram
De moeder in zijn jongste verhaal vraagt zich af wat ze precies voelde toen het telegram kwam met het nieuws dat haar zoon dood was. Was dat nieuws echt nieuws? Had ze een voorgevoel, of kwam de gedachte van dat voorgevoel er pas later? Wanneer wist ze wat er in het telegram stond dat de postbode haar bracht? En hoe lang verwachtte ze dat nieuws al?
Al op de eerste bladzijde van het verhaal maakt Tóibín duidelijk wat verhalen zijn en wat ze vermogen. Ik waag me aan de vertaling van een kernzin: ‘Het nieuws kwam tot haar in de vorm van een verhaal dat al vaker op verschillende manieren verteld was, niet in de vorm van dat ene brute feit, alsof het plaatsen ervan in de tijd en de herinnering aan hoe het nieuws zich later verspreidde, datgene wat gebeurd was minder hard kon maken, kon verzachten, stilletjes doen verdwijnen.’
Tóibín heeft niet meer dan elf bladzijden nodig om te doen waar hij groots in is: met kleine verhalen over doodgewone mensen lezers aan het denken zetten over dingen waarover het niet altijd prettig nadenken is. Hoe pijnlijk die verhalen ook zijn, ze doen tegelijk datgene waarvoor verhalen gemaakt zijn: ze helpen ons al lezend op verhaal te komen.

Jürgen Pieters doceert literatuurwetenschap en 'Creative criticism' aan de Universiteit Gent. In 2021 verschenen 'Literature and Consolation' (Edinburgh University Press) en 'Een boekje troost' (Borgerhoff & Lamberigts). Hij werkt aan een nieuw boek over lezen in contexten van zorg.
De beste boeken zijn die boeken die ik zelf had willen schrijven – als ik maar genoeg tijd en talent had. Zoals The Dog’s Gaze van Thomas Laqueur.






