fbpx


Cultuur, Geschiedenis

Alexander de Grote bezette Baghram voor de VS

Titel
Alexandrië
Subtitel
De zoektocht naar een verdwenen stad
Auteur
Edmund Richardson
Uitgever
Hollands Diep
ISBN
9789048860487
Onze beoordeling
Aantal bladzijden
396
Prijs
€ 24.99
Koop dit boek op doorbraakboeken.be

De westerlingen ontvluchten Afghanistan na hun zoveelste donquichotterie aldaar. Het land bestond nooit en blijft een samenraapsel van stammen en godsdienstgekken. In Afghanistan stichtte Alexander de Grote een stad. De zoektocht in de jaren 1830 naar het Alexandrië onder de Bergen is meeslepend. Zeker vandaag.

De zoektocht van een proletarische Londenaar

De beelden verdwijnen nooit meer van uw netvlies. Duizenden Afghanen en westerlingen opgehokt op de luchthaven van Kaboel. De geschiedenis herhaalt zich, kon u dagelijks lezen in de commentaren. Inderdaad. In de jaren 1830 werd een groot Brits expeditieleger in de pak gehakt op zijn cavalcade naar Kaboel. Niet nadat een Engelse proleet overtuigende bewijzen vond dat Alexander de Grote in Afghanistan een zoveelste stad Alexandrië had gesticht. De vermoedens en verwachtingen waren er, geen bewijzen.

Tot Charles Masson munten en andere overblijfselen vond en het mysterie ontsluierde. Waar lag dat Afghaanse Alexandrië? Onder het vandaag ex-militaire bolwerk van de Amerikanen, Baghram, ligt de verste stad van Alexander de Grote. De zoektocht van een proletarische Londenaar, die deserteerde uit het koloniale Britse leger, en rond 1830 ziek, bedelend, strompelend naar Kaboel trok, is een schelmenroman. De roman is niet bedacht, hij is werkelijkheid.

Doldwaas

De doldwaze zwerftocht van James Lewis die na zijn desertie zijn identiteit verschool achter de naam Charles Masson, en zo de geschiedenis van de archeologie is ingegaan, heeft de trekken van de ontdekking van Troje door Heinrich Schliemann. Ondertussen weet men hoe die Schliemann hyper-ijdel was, het graven naar de voorhistorie onder meer bedreef met buskruit (niet het petieterige penseeltje van de hedendaagse oudheidkundigen) en rond zijn persoon en zijn Troje een fantaisistisch verhaal ophing. Niet zo bij Charles Masson, ex-James Lewis. De sukkelaar bedelde langs de weg, dronk thee met koningen, hulde zich in honderd en één vermommingen. Charles Masson zag dingen die geen westerling ooit had gezien. Al sjokkend door het stof, de hitte en het vuil veranderde hij van piot van de Oost-Indische Compagnie tot een van de grootste archeologen, zonder de bijval te krijgen van Heinrich Schliemann.

Masson werd geboren in 1800 aan de Tower, in het Londense labyrint van de smerigheid, met steegjes die vergeven waren van de dode dieren. In zijn trieste tienerjaren wankelde de Britse economie, Masson zag geen toekomst in Engeland en vervoegde in 1821 het leger van de Oost-Indische Compagnie. De compagnie breidde haar rijk uit van handelsposten op de kusten naar het binnenland, en daar had je piotten, geweren, kogels en kanonnen voor nodig. In juli 1827 deserteerde hij. Dienstverlaters werden actief opgespoord en gruwelijk mishandeld of gedood als men hen terugvond. Indische weglopers werden, indien gevat, gebonden op de loop van een kanon en aan gruzelementen geschoten.

Messen

Charles Masson leert de Amerikaan Harlan kennen op zijn desertie en die zeurt hem de oren van het hoofd met verhalen over Alexander de Grote die ten strijde trok tot in de Afghaanse bergen. De knaap uit de heuvels van Macedonië overheerste op zijn 26ste het grootste deel van de bekende wereld. In zijn gloriedagen liet Alexander steden bouwen van het hart van het Perzische Rijk tot de Centraal-Aziatische vlakten. Elk van die tientallen steden noemde hij naar zichzelf: Alexandrië. Masson en zijn gezel Harlan krijgen bij hun zoektocht naar Alexandrië onder de Bergen, de Afghaanse vestiging, een plaatselijk gezegde niet uit het hoofd (het is vandaag toepasselijk op de taliban): ‘Andere volkeren eggen en doorploegen de aarde voor hun levensonderhoud. Wij zetten liever het mes in de edele delen van onze broeders.’

Charles Masson wordt struinend door Afghanistan behekst door Alexander de Grote (oftewel Sikander in de streektaal) maar hoe kom je een legertocht van 2100 jaar geleden op het spoor? Door onder te duiken in de Afghaanse stammenwereld, zich te vermommen als mohammedaanse pelgrim en zinnen Pathaans te leren. Nooit had een westerling tot dan gedurfd op deze manier door Afghanistan te reizen: zonder geld, zonder dienaren, zonder officiële bescherming. In Baghram op 60 kilometer van Kaboel is het eureka. Masson krijgt daar, nadat bekend wordt wat de snoeshaan zoekt, als bij toverslag zakken vol rinkelende munten aangeboden.

Een verdwenen Afghaanse hoofdtaal

Hij betaalt ervoor. Die munten leiden hem naar het uitgraven van heuvels met boeddhistische beelden en begraafplaatsen en het ontraadselen van een verdwenen Afghaanse hoofdtaal: het Kharosthi. Kaboel en Baghram waren voor de islamisering centra van het boeddhisme waar een boeddhistische koning heerste vanuit een door Alexander gebouwde stad en zijn bewind luister liet bijzetten door munten te laten slaan met daarop de eerste Romeinse keizer, vergezeld van Griekse en Kharosthi-inscripties.

Amateur-onderzoeker Masson raakte een kruispunt van de oudheid: met de vondst van ivoor uit India, munten uit de Chinese Tangdynastie, zilver uit Constantinopel en verfijnde Romeinse zegels gesneden van Chinese rode barnsteen. De multiculturele wereld die Masson toonde was duizelingwekkend en ging de verbeelding van de meeste negentiende-eeuwse geleerden ver te boven.

Wachtte Charles Masson lof, geld, waardering? Ver van, hij werd gedwongen om spion te zijn voor de Oost-Indische Compagnie, schreef in een moeizaam tot stand gekomen boek over haar onmenselijke gedragingen (wat hem tot in de hoogste Britse kringen haat opleverde), verliet zijn Kaboel (een stad van groen, fruit, rozenwater, romantische schemeringen) in 1841 voor altijd, tot zijn grote spijt, en zeilde naar roddels, afkeer, tegenkanting en een anoniem graf in een Londense buitenwijk. Niet naar roem.

De auteur van het zwierig geschreven Alexandrië, Edmund Richardson, is professor Klassieke Talen aan de universiteit van Durham (VK) en geschoold in de Victoriaanse tijd. Hij bouwt eerbetoon op voor een Londense jongen uit de arbeidersklasse die achtereenvolgens soldaat, deserteur, pelgrim, arts, archeoloog en geleerde werd.

 

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Frans Crols

Frans Crols was hoofdredacteur en directeur van het economisch magazine Trends en na zijn 65 werd hij vrije pen van ’t Pallieterke, Tertio en Doorbraak.

Dit artikel delen of afdrukken




Commentaren en reacties


Kijk vooraf even op onze Spelregels en technische problemen
Reacties - klik hier
Talk

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *