JavaScript is required for this website to work.

‘Een komische opera met zo nu en dan een dode’

Karl Drabbe15/2/2020Leestijd 5 minuten
TitelSaluut aan Catalonië
SubtitelMet een voorwoord van Geert Mak
AuteurGeorge Orwell
UitgeverRainbow
ISBN9789041713391
Onze beoordeling
Aantal bladzijden286
Prijs€ 9.00
Koop dit boek

‘Saluut aan Catalonië’ is opnieuw uitgegeven in pocketversie. Een goede reden om dit ooggetuigenverslag over de Spaanse Burgeroorlog te herlezen.

Volgens de potloodaantekening vooraan in het boek, las ik Homage to Catalonie van George Orwell in 1995. Toeval of niet kwam dat jaar ook de film Land and Freedom van Ken Loach in de zalen. Net als Orwells boek een portret van de Spaanse Burgeroorlog, met een Britse oorlogsvrijwilliger in de hoofdrol. Hoewel ik er weinig literatuur over vond, kan het haast niet anders. De sociale cineast Loach had zich rijkelijk laten inspireren door Orwell. Pas verscheen een uit 1964 daterende vertaling opnieuw als een Rainbowpocket: Saluut aan Catalonië. 82 jaar na datum is het nog steeds een leesbaar ooggetuigenverslag van de ‘rode’ kant van de Burgeroorlog, zowel aan het front in Aragon als in Barcelona.

Het uit 1938 daterende Saluut aan Catalonië (her)lezen valt des te gemakkelijker als je al Land and Freedom zag. De situatie aan het front en in de (Lenin)kazerne in Barcelona, het nietsdoen en de erbarmelijke omstandigheden aan het front en vooral de interne politieke strijd aan Republikeinse zijde… Ken Loach portretteerde dit zo knap, dat je je de scenes die Orwell in zijn klassieker beschrijft levendig voor de geest kunt halen.

Barcelona

Alles begon in de Leninkazerne in Barcelona. Einde december 1936. George Orwell meldde zich aan bij de ‘militie’, de vrijwilligerstroepen van anarchisten, anarchosyndicalisten en links-socialisten. De communisten die de Internationale Brigades bestierden, wilden hem niet. En zo belandde hij, enigszins bij toeval, bij de POUM, de Partido Obrero de Unificación Marxista, die enkel in Catalonië sterk stond, waar altijd al een hang was naar libertair socialisme en anarchisme. (Eigenlijk tot op vandaag, met wat goede wil zou je de links-radicale partij CUP, die onlangs twee zetels haalde in de Cortes, in die traditie kunnen plaatsen.)

Orwell — in het dagelijkse leven heette hij Eric Blair — was ook daadwerkelijk afgezakt naar het revolutionaire Barcelona. Oorspronkelijk om er als journalist te berichten over de Burgeroorlog. Zelf overtuigd socialist raakte hij verslingerd aan de revolutionaire toestand in de stad: ‘een onvoorstelbare atmosfeer’. ‘Voor het eerst van mijn leven was ik in een stad waar de arbeidersklasse in het zadel zat’. Gebouwen en bedrijven, winkels en cafés waren gecollectiviseerd, fooien waren afgeschaft, de hoffelijkheidsvorm was uit de dagelijkse taal gebannen, ‘In bijna elke kerk waren de heiligenbeelden verbrand en was de rest weggehaald.’ Er waren geen bedelaars meer, ‘behalve zigeuners.’

Wat hem meest bevreemdde was de kledij van de massa op de Ramblas, toen nog geen toeristische esplanade. ‘Behalve een klein aantal vrouwen en buitenlanders waren er in het geheel geen “goedgeklede” mensen. Praktisch iedereen droeg grove arbeiderskleren, of een blauwe overall, of een variant van het militie-uniform.’ Er heerste in de stad ‘een geloof in de revolutie en de toekomst (…) een tijdperk van gelijkheid en vrijheid.’ Dit alles, zo besluit Orwell, ‘was vreemd en ontroerend’.

Bende

Na zijn aankomst aan het front, verandert de stemming van het autobiografische boek. Orwell beschrijft in detail hoe er letterlijk niets gebeurde aan het front. Aan Republikeinse noch Nationale (‘fascistische’) zijde. De verveling aan het front was dodelijker dan de kogels van de vijand. Als die al schoot of over goede wapens beschikte, tenminste. De Nationalen waren beter georganiseerd, maar pas doeltreffend als er Duitsers bij betrokken waren. Aan beide kanten van het front heerste er een typisch Spaanse mañana mentaliteit, beheersten de luizen en de ratten de loopgrachten en was het aftellen naar dagen verlof.

Discipline was er amper. ‘Elke militie was een democratie en geen hiërarchie.’ ‘Als een bevel iemand niet aanstond, dan stapte hij uit het gelid en begon verwoed met de officier te debatteren.’ Wapens waren er amper: één mitrailleur op vijftig man, en de geweren waren ‘oud-roest’. De granaten waren ‘onpartijdig: zowel de man naar wie gegooid werd, als de man die gooide, werd gedood.’ De milities omschrijft hij als ‘een ongetrainde bende’. Aan de overzijde was het niet veel beter: de Nationale troepen ‘bestonden voor een groot deel helemaal niet uit fascisten, maar slechts uit ongelukkige dienstplichtigen die in dienst waren toen de oorlog uitbrak, en die er maar wat graag vandoor gingen.’ Bovendien bestond aan Republikeinse zijde zeker de helft van de manschappen uit kinderen.

Verveling

Orwell beschrijft de verveling: ‘Al die tijd gebeurde er niets, nooit gebeurde er iets.’ ‘In een loopgravenoorlog zijn vijf dingen van belang: brandhout, eten, tabak, kaarsen en de vijand.’ Hij heeft maar weinig ‘echt vechten’ meegemaakt. ‘Warm blijven was wat beide legers werkelijk bezighield. Orwell was dan ook ‘banger voor de kou dan voor de vijand’. Want ‘we hadden nauwelijks direct vuurcontact met de fascisten.’

Hij ontmoet aan het front een handvol Britten en wat Italianen en heeft vooral contact met Catalanen en Aragonezen. Aan het hoofd van zijn sectie stond de ‘Belgische’ comandante Georges Kopp. Ze discussieerden weinig over politiek. Al beschrijft Orwell wel al de toenemende vijandelijkheid tussen ‘links’ en ‘rechts’ in het Republikeinse kamp. Orwell en zijn medestrijders vernemen dat de milities zullen afgeschaft worden en dat de ‘soldaten’ (die ze volgens hem niet waren) zullen ingelijfd worden in het officiële Volksleger, dat geleid wordt door de communisten. In het laatste deel van het boek, als hij terug in Barcelona is, staat hij langer stil bij de interne vijandelijkheden onder de Republikeinen.

Ideeënstrijd

Nog aan het front beseft Orwell dat je als militiesoldaat niet enkel soldaat was tegen Franco, ‘maar ook een pion in de enorme worsteling die tussen twee politieke theorieën werd uitgevochten’. Voor alle duidelijkheid, die twee theorieën zijn niet fascisme en socialisme. Maar stalinisme en democratisch socialisme. Het zijn begrippen die Orwell evenwel niet gebruikt. ‘De communistische nadruk ligt altijd op centralisme en efficiëntie, de anarchistische op vrijheid en gelijkheid’.

Die ideologische verschillen worden overigens pas echt concreet als hij, na 115 dagen aan het front, terugkeert naar Barcelona. Daar had de atmosfeer van gelijkheid plaats geruimd voor nieuwe burgerlijkheid en tijdelijke hongersnood. En voor een ‘klimaat van achterdocht, angst, onzekerheid en verkapte haat’. De communisten ‘waren definitief aan de macht gekomen’.

Revolutie

In het begin van de ‘revolutie’ was Catalonië grotendeels in handen van onafhankelijke anarchistische communes die fabrieken, boerderijen en dorpen leidden. De anarchosyndicalisten hadden de sleutelindustrieën in handen. ‘In feite was in Spanje niet alleen een burgeroorlog aan de gang, maar ook een beginnende revolutie’. En dat laatste was niet naar de zin van Moskou, waar Stalin de plak zwaaide.

‘De communistische partij, met Sovjet-Rusland achter zich, (had) zich geheel en al ingezet tegen de revolutie,’ schrijft Orwell. Volgens Stalin moest in Spanje niet gestreden worden voor een arbeiders- en boerenstaat, maar voor burgerlijke democratie tegen het reactionaire feodalisme dat Koning, Kerk en Kapitaal er wilden behouden.

Contrarevolutie

Die strijd werd niet enkel met woorden, censuur en politiek gekonkelfoes uitgevochten, maar met de wapens. De anarchistische vakbond Confederación Nacional del Trabajo (CNT) moest eraan, net als de anarchistische Federación Anarquista Ibérica (FAI) . De ’trotskistische’ POUM werd eerst uit de Catalaanse regering (de Generalitat) verdreven en vervolgens verboden omwille van ‘verraad’ en ‘spionage’. Milities moesten hun wapens overhandigen aan het Volksleger en de Guardia Civil.

In de door Moskou beheerste pers — zowel binnen als buiten Spanje — werden de anarchisten en co als handlangers van de fascisten en kapitalisten afgeschilderd. Wie Land and Freedom heeft gezien, herinnert zich hoe de de gevechten zich verplaatsen van het front in Aragon naar de straten van Barcelona. Daar vond een heuse burgeroorlog binnen de burgeroorlog plaats en nam links de wapens op tegen zichzelf.

Welk fascisme?

Die strijd tussen communisten en ‘rechtse’, ‘verburgerlijkte’ socialisten beheerst in feite het boek, meer dan zijn frontervaringen. Het moest ook wel tot een heus conflict uitbarsten. Orwell spreekt van een ‘onoplosbare tegenstelling tussen communisten en anarchisten, die vroeg of laat wel tot een krachtmeting in de een of andere vorm moest leiden’. Zelf blijft Orwell in het kamp van de POUM (strijden), ook al is hij geen lid van de partij. Hij erkent dat hij hierin als auteur en journalist niet objectief is, en wijdt een heel betoog aan zijn ‘partijdigheid’.

Orwell verliet Spanje gedesillusioneerd. Hij wou met het land niets meer te maken hebben. Doch realiseerde zich een paar zaken. ‘Mijn verlangen het socialisme gevestigd te zien werd veel concreter dan voorheen.’ Maar wélk socialisme? Daarvoor moet u Animal Farm lezen, een vernietigende parodie op het Sovjetcommunisme. En ook 1984, waar de totalitaire staat maar kan overleven door het uitgommen van dissidentie en het installeren van newspeak. Orwell is altijd een libertaire socialist gebleven, wat hem in de ogen van Moskou een ‘sociaalfascist’ maakte. Orwell, die als vrijwilliger tegen het fascisme gaan vechten was, en het echte fascisme niet vond bij de Nationalen van Franco, maar bij de communisten van Stalin.

Karl Drabbe is uitgever van ERTSBERG. Hij is historicus en wereldreiziger en werkt al sinds 1993 mee aan Doorbraak.

Commentaren en reacties