JavaScript is required for this website to work.

Michael Tedja: ‘Mijn eerste liefde was niet het politieke manifest.’

Patrick Auwelaert4/9/2022Leestijd 5 minuten
TitelHet uitgelezen deel
AuteurMichael Tedja
UitgeverIJzer
ISBN9789086842544
Onze beoordeling
Aantal bladzijden110
Prijs€ 22.50
Koop dit boek

In zijn nieuwe bundel zet de Nederlandse dichter Michael Tedja zijn fobie voor cijfers om in gedichten van een verbijsterende kwaliteit.

In deze maandelijkse rubriek worden telkens enkele recent verschenen Nederlandstalige dichtbundels tegen het licht gehouden. Uitzonderlijk – vakantie! – bespreken we deze keer slechts één bundel.

Michael Tedja (1971, Rotterdam) is een Nederlands schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en curator van Surinaamse afkomst. Hij publiceerde tot nog toe vier romans. Het uitgelezen deel is zijn vijfde dichtbundel. Om Tedja’s poëzie te kunnen plaatsen, is het goed te weten dat hij belangstelling heeft voor getallen en het cijfermatige. Dit blijkt duidelijk uit Het uitgelezen deel. De bundel bevat precies honderd gedichten die elk een mannelijke of vrouwelijke voornaam als titel hebben. Ze hebben ook allemaal dezelfde vorm: tien drieregelige verzen. Tedja: ‘Voor mij is dat poëzie. Getallenreeksen zijn ook poëzie.’

Niet toevallig stuit je in de bundel op woorden als rekensystemen, data, formules, informatie, rangschikkingen, ordeningen, cijfers, som en complexe cijferreeksen. Als je dit leest, denk je ongetwijfeld: die Tedja moet wel heldere, leesbare en begrijpelijke gedichten schrijven die lekker weglezen in een ligzetel onder een parasol. Het tegendeel is nochtans waar. Het uitgelezen deel is een bundel waar je veel moeite voor moet doen om hem te savoureren. Maar net zoals je een schilderij mooi kunt vinden zonder dat je precies weet wat het voorstelt, zo ook hoef je poëzie niet noodzakelijk verstandelijk te begrijpen om ervan te kunnen genieten. Soms volstaan de klanken of de ritmiek van een gedicht om je erdoor aangesproken te voelen. Het woord hermetisch is dan ook niet op zijn plaats om Tedja’s poëzie te duiden. Zijn werk vraagt wel een grote openheid van geest. Het heeft een uitgesproken autonoom karakter en het leidt zeker niet te ver het metapoëzie te noemen: gedichten over gedichten en dichten.

Parallelle wereld

De volgende verzen uit het gedicht ‘Jaap’ zijn wat dat betreft veelzeggend:

Mijn eerste liefde was niet het politieke manifest. Mijn eerste liefde
was niet de geschiedschrijving. Mijn eerste liefde was de metapoëzie
die dat alles niet was. Mijn tweede liefde was het heterogene geheel.

Mijn tweede liefde was de autonome structuur. Mijn tweede liefde
gitzwart en meerkantig. Mijn twee derde liefde was niet het komische
relaas. Mijn drie derde liefde was niet het politieke pamflet. Twee derde

liefde was niet het autobiografische. Mijn eerste liefde was de mijmering.
Tweede liefde was niet met de nagelvijl erbij. Mijn derde liefde was niet
de quasi diepzinnigheid. Eerste liefde waren de gedichten en mijn tweede

liefde was niet de chronologie. Mijn derde liefde was zich daarvan bewust.
Ten eerste: het publiek. Ten tweede: communiceren. Ten derde: het eerste
en tweede waren niet van het hoogste belang. Eén: ik geloofde niet in de

socratische vorm. Twee: ik geloofde niet in het gesprek. Drie: ik geloofde
niet in het samen inschenken. Ik geloofde niet in het feest van hypocrisie.
Ik geloofde dat er slechts gebeurd was. Ik was daar geloof ik heel grondig

in geweest. Het allerbelangrijkste dat was de taal. Het op twee na belangrijkste
waren de vraagtekens. Het op drie na belangrijkste was niet de concrete ruimte.
Liefde was het talige onderzoek. Liefde vertaalde zich in een structuur. (…)

Van de honderd gedichten in de bundel is dit het meest programmatische. De dichter drukt er duidelijk in uit wat poëzie voor hem niet is: in de eerste plaats politiek pamflet noch geschiedenis. Vrij te vertalen als: geen anekdotes, geen verhaaltjes, geen feiten, geen meningen. Wel poëzie als een gesloten, circulair systeem van taal waarin alles naar alles verwijst. Een parallelle wereld in verzen die er een onwrikbare, interne logica op nahoudt.

Een heterogeen geheel

Op de tweede plaats is poëzie voor Tedja (of liever: voor Jaap – één van de vele afsplitsingen van de dichter?) een heterogeen geheel, met een autonome structuur, gitzwart en meerkantig. Poëzie van verschillende aard of samenstelling dus, wat onder meer vertaald wordt in de honderd personages die de bundel telt, elk met hun eigen persoonlijkheid en maatschappelijke achtergrond. De autonome structuur kwam hierboven al aan bod. Gitzwart wijst op het ondoorzichtige karakter van poëzie: in goede poëzie schuilt zoals in elk ander kunstwerk een kern van mysterie. Goede poëzie is in die zin per definitie meerkantig, dit wil zeggen voor meerdere interpretaties vatbaar.

Daarna drukt de dichter zich onverwacht in breuken uit: twee derde, drie derde. In die context communiceert hij dat poëzie voor hem niet om te lachen is, dat hij er geen standpunten mee wil innemen en dat tijdens het schrijven ervan zijn eigen leven er niet toe doet. Daarna begint hij vreemd genoeg opnieuw met ronde getallen: zijn eerste liefde, zijn tweede, zijn derde, als om zijn stelling kracht bij te zetten hoe belangrijk poëzie voor hem is. Op de eerste plaats is poëzie voor hem mijmeren, te lezen als: reflecteren over taal. Op de tweede plaats moet poëzie voor hem niet perfect zijn. Een gedicht hoeft niet eindeloos bijgevijld te worden om geslaagd te heten. En ten derde: aan quasi diepzinnigheid heeft de dichter een broertje dood. Met andere woorden: voor hem geen filosofisch geleuter in gedichten. Als er al in nagedacht wordt, dan over taal.

Taal, gevolgd door de vraagtekens

Vervolgens begint de dichter opnieuw op te sommen wat zijn eerste, tweede en derde liefde is: op de eerste plaats gedichten. De chronologie daarin is voor hem van geen tel. De opeenvolging van tijdsmomenten, het verloop in de tijd van gebeurtenissen: weg ermee. En daarvan is hij zich goed bewust. Het zijn inzichten die hem bij de les houden. En alsof dat allemaal nog niet duidelijk genoeg is, brengt de dichter een ten eerste, een ten tweede en een ten derde te berde. Ten eerste: het publiek, ofwel zijn lezers. Ten tweede: communiceren, ofwel zijn lezers iets meedelen. Met het ‘ten derde’ benadrukt hij vervolgens dat zijn publiek noch zijn boodschap van belang is. Waarop een één, een twee en een drie volgen. Eén: de dichter gelooft niet in de socratische vorm. Twee: de dichter gelooft niet in het gesprek. [De socratische gespreksbenadering houdt in dat gesprekspartners hun oordeel uitstellen en nauwkeurig luisteren naar elkaar. Ze verzanden daardoor niet in een uitwisseling van meningen, maar kunnen het gesprek verdiepen en gezamenlijk tot wijsheid komen.] Evenmin gelooft hij in het samen inschenken (van klare wijn?). Hij vindt dat alles hypocrisie.

Het allerbelangrijkste voor de dichter is de taal, gevolgd door de vraagtekens. Poëzie is voor hem geen bevestiging, geen gesprek waarin gesprekspartners tot een gezamenlijk standpunt komen. Poëzie geeft geen antwoorden, maar roept vragen op. Niet over concrete dingen (‘niet de concrete ruimte’), maar over (de) taal. Taal die zich verdicht in een structuur, een gedicht. Of zoals de dichter het formuleert in het gedicht ‘Marcel’: ‘Structureren en binden van groei was mijn taak.’

Identiteit als een hoofdthema

Michael Tedja schrijft gedichten als hermetische kortverhalen, althans op het eerste gezicht, na een eerste lectuur. Pas als je elk gedicht meermaals leest, doemt een wonderlijke, min of meer begrijpelijke wereld op die tal van verrassingen biedt, zowel inhoudelijk als vormelijk. Formeel grossiert de bundel bijvoorbeeld in enjambementen die je verstomd doen staan, zoals in het hiernavolgende voorbeeld: ‘Je werd vergeleken met Edgar Cairo toen je op de dansvloer, / als hij dit hoort dan huilt hij tranen van geluk, stond te swingen // als een deur.’ Swingen als een deur.

Het doet je als lezer naar adem happen van verbazing en tegelijk zie je er een haarscherp beeld bij van een klapdeur in een restaurantkeuken die voortdurend ‘swingt’, open- en dichtgaat – kelners die in vloeiende bewegingen als het ware de keuken in en uit komen gedanst. Een dichter die dat effect weet te bewerkstelligen, keer op keer, is een bijzondere dichter. En dan die slimme verwijzing naar Edgar Cairo – de eerste belangrijke zwarte migrantenschrijver in Nederland – die op haar beurt refereert aan Michael Tedja, zelf een kind van gekleurde, Surinaamse ouders. Identiteit is niet voor niets één van de hoofdthema’s in Tedja’s werk.

Intermenselijke dialoog

Wat de honderd gedichten in Het uitgelezen deel tot een gesloten geheel maakt, zijn de talloze verwijzingen van de titelpersonages naar elkaar. Zo komt in het gedicht ‘Marcel’ op pagina 36 de volgende versregel voor: ‘Op een gegeven moment opzwellen net zoals mijn voorganger / Erwin en de woorden op de pagina.’ Met ‘voorganger’ wordt hier het gedicht ‘Erwin’ bedoeld, dat te lezen is op pagina 34. In dat gedicht tref je dan weer de regel ‘Marcel en Manon hingen ondersteboven in de wolken / die naar beneden dreven en groeiden in de grauwe lucht’ aan. Het gedicht ‘Manon’ is te lezen op pagina 38.

Zo ontstaat er een intermenselijke dialoog tussen de verschillende personages in de bundel. Zij zijn het uitgelezen deel, wat meteen de titel van de bundel verklaart, hoewel die evengoed kan slaan op dat deel van een publicatie dat je al gelezen hebt of als synoniem van voortreffelijk en uitmuntend. Die laatste bijvoeglijke naamwoorden geven trouwens exact weer wat wij van de bundel vinden. Het ongelezen deel is een hoogst relevante bundel van een belangrijke dichter die zijn fobie voor cijfers en getallen omzet in gedichten van een verbijsterende kwaliteit.

Patrick Auwelaert (1965) schrijft recensies, artikels en essays over literatuur, muziek en beeldende kunsten.

Commentaren en reacties