Zonder categorie
Sprekershoek
Sprekershoek

De mest van de wereld

Over de rol van elites en voorhoedebewegingen

In Jood zijn of niet (Brussel, ASP, 2017) verdedigt de in Antwerpen geboren Amerikaanse auteur en literatuurcriticus Oscar Mandel de verrassende stelling dat de bijdrage van het jodendom aan de wereldcultuur vooral het werk geweest is van individuen en groepen die de joodse religie en tradities ofwel ontgroeid waren of zelfs radicaal verworpen hadden. Het feit dat hij zelf in een orthodox joods gezin geboren en opgevoed werd, maakt zijn uitspraak des te controversiëler. Hij heeft de grootste waardering voor de inbreng van deze mensen die na de emancipatie, het logische gevolg van de Verlichting, onmiskenbaar onze moderne wereld beïnvloed en ten goede veranderd hebben. Hij ontkent niet dat dit gedeeltelijk te danken was aan de positie van insider/outsider – inside de bredere maatschappij en toch vaak als outsiders behandeld.

Joodse invloed en traditie

Deze positie werd hen meestal opgedrongen, maar maakte het hen echter mogelijk hun echte en vermeende marginaliteit om te buigen tot een intellectuele en kritische kracht. Van binnenin konden ze inzicht verwerven in de niet-joodse wereld waarin ze moesten overleven en onder meer dankzij hun scherpe humor konden standhouden. Van buitenaf kregen ze een beter overzicht van de westerse cultuur waarvan ze deel uitmaakten en waarbinnen ze zich tegelijkertijd geregeld tegen wantrouwen, miskenning, discriminatie en regelrechte vervolging moesten wapenen. Schrap de namen van joodse denkers, wetenschappers, auteurs, kunstenaars, sociale hervormers en revolutionairen uit de geschiedenisboeken en encyclopedieën, zoals de nazi’s en hun fascistische bondgenoten ook letterlijk geprobeerd hebben, en je begrijpt of herkent onze beschaving echt niet meer. Wat echter vaak over het hoofd gezien wordt, is dat het bijna allemaal mensen waren die hun joodse traditie op een of andere manier verwerkt hadden, van aanpassing aan de dominante niet-joodse cultuur (Moses Mendelssohn) tot de principiële verwerping van de joodse godsdienst die tot het einde van de achttiende eeuw toch als essentieel beschouwd werd voor de definitie van ‘joods’ en ‘jodendom’ (Sigmund Freud). Dat maakte van hen hoegenaamd geen ‘zelfhatende joden’ of, zachter uitgedrukt, afvalligen en opportunisten, maar mensen die weigerden zich hun hele leven lang door het toeval van de geboorte te laten bepalen.

Het zout en de mest van de aarde

In het evangelie volgens Matteüs (5: 13) zegt Jezus tijdens de zogeheten Bergrede aan zijn volgelingen: ‘Jullie zijn het zout van de aarde’. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt. Ik zou, met permissie, deze vaak geciteerde uitspraak op twee punten willen aanpassen: in plaats van ‘zout’ schrijf ik ‘mest’. Mest geeft wellicht geen smaak, maar zonder die mest kunnen de planten gewoon niet groeien. Ten tweede, en dat is hier de boodschap, moet die mest gewoon in de gewassen opgaan: Jullie zijn de mest van de wereld. Indien jullie niet in de planten en de aarde verdwijnen zijn jullie leven en werk nutteloos geweest.

Verrijking voor de mensheid

Het probleem is dat zoveel bewegingen die potentieel een zegen en verrijking voor de mensheid hadden kunnen worden, helemaal niet wilden verdwijnen en juist daardoor net het omgekeerde bereikten van wat hun stichters zich hadden voorgenomen. En hier kan de gewaagde interpretatie van Oscar Mandel als toetssteen dienen: indien de uiterst belangrijke bijdrage van het jodendom aan de mensheid vooral het werk geweest is van joden die van de eigen traditie afweken, zou dan het succes en de mislukking van onder meer het socialisme en het christendom, om slechts twee stromingen te noemen waarbij ik jarenlang intens en militant betrokken geweest ben, ook niet gedeeltelijk kunnen gemeten worden aan de graad waarmee christenen en socialisten zich al dan niet in hun eigen ideologische gelijk opsluiten? Uiteraard is dit niet meer dan een aanzet, maar het loont wellicht de moeite deze aanpak iets meer uit te diepen?

Het communisme als erfgenaam van het Bijbelse streven naar gerechtigheid

In het traditionele jodendom is de tsedeka, vertaald als ‘gerechtigheid’ én ‘liefdadigheid’ (denk aan het Arabische Zadak, één van de vijf pijlers van de islam) één van de belangrijkste deugden en eigenschappen van ‘de rechtvaardige’. Terwijl de ‘vrijheid en gelijkheid’ van de Verlichting vooral de nadruk legden op universele waarden als vrij onderzoek, vrije meningsuiting en de vrijheid van (freedom from) de middeleeuwse autoriteit van Altaar en Troon, voegden het socialisme, het streven naar een maatschappij waarin iedere burger een gezel (socius) van alle anderen zou zijn, en het communisme, dat deze gelijkheid baseerde op het gemeenschappelijke (communis) bezit van de productiemiddelen, daar een essentiële dimensie aan toe. Niemand is vrij en gelijk zolang de maatschappij uit twee fundamentele klassen bestaat. In die zin vervolledigde het communisme van Marx de eisen van de Bijbelse profeten.

Dankzij de acties van deze linkse dissidenten (anarchisten, socialisten en communisten) is onze maatschappij veel gelijker en vrijer geworden.

Het probleem is nu dat diezelfde ‘agenten voor sociale verandering’ jammer genoeg niet opgegaan (verdwenen) zijn in deze nieuwe maatschappijen en samenlevingen, maar zich aan de hun gegeven macht hebben vastgeklampt, zonder en vaak tegen de wil van de bevolking in. Dat verklaart karikaturale en/of misdadige uitwassen als de regimes van Stalin, Mao, Pol Pot en vandaag Kim Jong-un. Ondanks al hun retorische verklaringen over een ‘arbeiders- en boerenstaat’ en de ‘wil van het volk’ was hun macht (met de daarbij horende allesbehalve ‘socialistische’ privilegies) belangrijker geworden dan hun sociale en politieke overtuiging. Door zich koppig buiten en boven de bevolking te blijven plaatsen hebben de totalitaire leiders het initiële gerechtigheidsideaal volkomen geperverteerd en ongeloofwaardig gemaakt.

Het christendom en de stille kracht van de universele broederschap

Wanneer je, zoals Jezus van Nazareth uit de evangelies, uitgaat van de principiële gelijkwaardigheid van alle mensen over de hele wereld (kata holein tein gein) die als kinderen Gods boven alle verschillen heen elkaars broers en zussen zijn, ga je nog een belangrijke stap verder dan de ‘vrijheid en gelijkheid’ van de Verlichting en de daaruit volgende socialistische en communistische visies. Je solidariteit is hier meer dan een intelligente vorm van eigenliefde, gewaarborgd door de wederkerigheid van de steun, de ‘wederzijdse hulp’ zoals die door de anarchist Pjotr Kropotkin werd geformuleerd. Critici, ook uit eigen kerkelijke rangen, hebben er in de loop van de eeuwen op gewezen dat dit een quasi onmogelijke opgave is, maar ook als onbereikbare horizont blijft deze onzelfzuchtige en universele naastenliefde intrigeren en prikkelen. Zoals er binnen het vorige paradigma, dat van het socialisme, historische voorbeelden van authentieke solidariteit gevonden werden, kunnen we in het christendom voorbeelden opnoemen van christenen die deze onzelfzuchtige naastenliefde inderdaad tot in hun dood verwezenlijkt hebben.

Geperverteerde stille kracht

Daar ligt het probleem niet, wél bij de christelijke leiders en verantwoordelijken die deze stille kracht al tijdens het leven van hun stichter omgebogen en geperverteerd hebben tot een machtsapparaat dat steeds minder met de oorspronkelijk revolutionaire evangelische boodschap te maken had. Niet-christenen zoals de joden en heidenen, dissidenten en ketters werden daarbij niet langer als gelijkwaardige medemensen behandeld, de strijd tegen de mammon werd zonder enige scrupule door het geld gewonnen, het denken werd streng aan banden gelegd en de ‘ongelovigen’ werden genadeloos vervolgd, gefolterd, als slaven verkocht en massaal vermoord. In de beroemde briefing – je kan het onmogelijk een gesprek noemen – die de Spaanse Grootinquisiteur uit De gebroeders Karamasov van Dostojevski tot de gevangen Jezus richt, verdedigt hij deze machtsovername door de Kerk met twee argumenten: ten eerste is dit de enige manier om orde en welzijn in de samenleving te handhaven, en ten tweede geven de gewone mensen graag hun vrijheid op in ruil voor veiligheid en materiële welvaart. Het zijn sterke argumenten, maar ze raken de kern van de zaak niet: door te weigeren in de maatschappij op te gaan en de mensen hun vrijheid en verantwoordelijkheid te laten, zijn ze onherkenbaar van hun oorspronkelijke opdracht afgeweken. Wanneer we ons bijvoorbeeld diep ergeren aan het seksuele en emotionele misbruik van kinderen en volwassen gelovigen door kerkelijke gezagsdragers, vergeten we dat deze schandalen in de hiërarchische structuur van de kerk ingebouwd zijn en bijna onvermijdelijk in de toekomst opnieuw zullen opduiken, want niets menselijks is ons vreemd. De christenen en de bredere samenleving hebben geen behoefte aan een betere kerk, maar aan een christendom dat geen kerk meer nodig heeft om zich te ontplooien. Dat wisten de geestelijke leiders al van het begin: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht (Johannes, 12, 24). Deze gezonde boerenwijsheid was niet meteen aan de machthebbers in het Vaticaan, de opstellers van de Index en de aanvoerders van de Kruistochten besteed, maar blijft nog steeds geldig.

Hoop op de oogst, o Vlaanderland

Wanneer we de premisse aanvaarden dat de Vlaamse Beweging ontstaan is om de gewone vrouwen en mannen van dit land, dat wil zeggen de beruchte 99% van de Occupy Movement, voldoende vrijheid, opvoeding, intellectuele bagage en zelfvertrouwen te bezorgen om zelf hun lot in handen te nemen, dan kunnen we van een grotendeels geslaagde operatie spreken, ook al hebben we wellicht niet het onderste uit de kan gehaald. Juist vanwege dit succes, dat nota bene geweldloos gerealiseerd werd, iets waar we terecht fier op mogen zijn, wordt het tijd dat we eens ernstig aan onze ultieme rol als mest voor de verdere bloei van dit land en al zijn bewoners beginnen te denken. En omdat de democratie, want daarover hebben we het, nooit eens en voor altijd verworven blijft, maar altijd opnieuw kwetsbaar wordt, moeten we ermee ophouden de kleine groep van ‘vooraanstaande Vlamingen’ met het ganse volk te verwarren. Uiteraard hebben deze leiders van de beweging hun verdienste gehad (en het doet deugd onszelf af en toe in de bloemetjes te zetten), maar noemden wij onszelf ooit niet ‘het geslacht dat moet vergaan, opdat een groter rijze uit onze graven’?

Natuurlijk moeten we waakzaam blijven voor alles wat deze democratische verworvenheden bedreigt, maar zou dit verweer niet op de eerste plaats van de bevolking zelf moeten uitgaan? Bertolt Brecht schreef ooit: ‘Wee het volk dat helden nodig heeft’. Misschien moeten we dit parafraseren als ‘Wee het volk dat na meer dan 180 jaar emancipatie nog steeds leiders nodig heeft’. Goede technici, wetenschappers en opvoeders, ja. Maar zelfverklaarde ‘leiders’?

Voor wie dit verhaal zou lezen als een pleidooi voor resignatie of nietsdoen, wil ik erop wijzen dat rust, stilstaan en zwijgen volgens de traditie van het zenboeddhisme veel moeilijker en efficiënter zijn dan de beste agitatie. Hier wordt niets opgegeven, alleen even voorgesteld om ons, in tijden van een loopgravenoorlog (Gramsci) rustig en ten gronde te bezinnen. Maar, zou Rabelais zeggen, ook dàt staat je natuurlijk vrij.

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans