fbpx


Filosofie, Wetenschap
geluk

De parameters van geluk

Kunnen mensen gelukkig worden? (3)



Eerder al signaleerden we dat Finland voor de vijfde keer op rij door het World Happiness Report officieel werd uitgeroepen tot het gelukkigste land ter wereld. Maar wat wil dat zeggen? In het eerste artikel in dit minireeksje van drie bijdragen over het menselijke geluk gooiden we het over de filosofische boeg. Veel komt daar niet uit.

Maar staat elke individuele Fin dan gelukkig in het leven? Niets is minder waar. In de eerste plaats omdat er een groot conceptueel verschil bestaat tussen het geluksgevoel binnen een populatie (zoals een land) en het individuele levensgeluk.

Welke parameters spelen mee in het ‘geluk van de mensen’? Een belangrijke invloed van sociaaleconomische parameters

De verschillende scores inzake het nationale geluksgevoel in de diverse landen lopen nogal uiteen, zodat het opstellen van een hitparade mogelijk wordt. Uit de cijfertjes blijkt dan ook dat godsdienstige, historische en culturele factoren, zoals die in uiteenlopende landen gegroeid zijn, een verschil uitmaken. Een voorbeeld. Uit studies blijkt dat extraversie een invloed heeft op het geluksgevoel (zie deel 2 uit dit minireeksje). Dit verband werd door psychologen geconstateerd op individueel vlak, maar het zou wel eens mede een verklaring kunnen zijn voor de grote verschillen die de wereld laat optekenen inzake gelukscores.

Nu zijn we naadloos overgegaan van macroscopische gegevens naar ’s mensen persoonlijkheid en individuele kenmerken. Uit de beschikbare studies geven we de Doorbraak-lezer een grabbel mee.

Geluk en leeftijd

De Amerikaanse psycholoog Arthur Stone voerde samen met enkele collega’s een grootschalig onderzoek uit onder 340 000 Amerikaanse mannen en vrouwen tussen de 18 en 85 jaar. De onderzoeksgroep vond dat het geluk in een mensenleven evolueert als een U-curve.[1]

Iemand van 18 jaar voelt zich doorgaans prima in zijn vel. Maar dan gaat het bergafwaarts: de uitdagingen van het leven eisen blijkbaar hun tol (carrière, een eigen huis, kinderen, financiën). De hemel klaart pas op rond 55 jaar: de midlifecrisis is, met andere woorden, geen denkbeeldig fenomeen. De jaren daarna gaat de curve steil de hoogte in: zelfs respondenten van boven de 80 jaar rapporteren een almaar hoger wordend geluksgevoel. Datzelfde geldt voor stressgevoelens (ook dit werd meegenomen in de bevraging). Algemene onlustgevoelens over het leven (boosheid, zeg maar) ebben weg eenmaal het individu een stuk in het leven gevorderd is. Verdriet neemt op middelbare leeftijd wat toe maar daalt terug.

Levensvreugde bereikt een piek op gemiddeld 69 jaar (na een subtopje bereikt te hebben op 23 jaar, waarna het flink bergaf gaat). En, je zou het niet denken wanneer je naar de deelnemers aan een gemiddelde gezondheidswandeling kijkt: mensen van 74 zijn het meest tevreden over hun lichaam (allicht heeft dit te maken met een afnemend gezichtsvermogen).

Genderspecifieke correlaties

Dezelfde onderzoekers voerden nogal wat correlatieberekeningen uit, en corrigeerden onder meer hun subjectief verworven resultaten met objectievere factoren zoals de financiële situatie en de werkbelasting. Zij kwamen tot de conclusie dat het groeiend geluksgevoel vanaf de middelbare leeftijd te danken moet zijn aan een algemeen positievere instelling en mentaliteit: ook hier weer spelen ‘objectieve’ factoren maar een ondergeschikte rol, de volksmond die stelt dat ‘geluk in het kopje zit’ heeft het eens te meer correct voor.

Nog wat leuke wetenswaardigheidjes. Vrouwen zijn door de band genomen lichtjes gelukkiger dan mannen. Nochtans blijkt uit heel wat ander onderzoeksmateriaal dat vrouwen een stuk kwetsbaarder zijn dan mannen: 20 tot 25% van het vrouwelijke deel van de bevolking krijgt in de loop van het leven te maken met een depressie — mannen halen hier nauwelijks 10%.[2]

Datzelfde geldt in het beroepsleven: werkneemsters rapporteren systematisch meer stressgevoelens dan hun mannelijke collega’s. Verklaringen die verder gaan dan de veronderstelde zwaardere belasting van de werkende vrouw, die ook nog de verantwoordelijkheid voor de huishouding moet dragen, werden tot nog toe niet gevonden. Afgaande op de cijfers zou je kunnen stellen dat vrouwen misschien extra vatbaar zijn voor extreme emoties zoals sterke stemmingswisselingen, maar over het algemeen het leven wat aan de zonniger kant zien. Wie zal het zeggen?

Geluksgevoelens en psychisch evenwicht

Neurotische persoonlijkheden, mensen dus die te kampen hebben met dwangmatige neigingen tot angst, woede of schuld, zijn behoorlijk ongelukkig. Dat is nogal wiedes, zou je denken — want wanneer je dergelijke gevoelens koestert valt het moeilijk om je goed in je vel te voelen. Maar het gaat over meer dan pieken van onwelbevinden die te wijten zijn aan stemmingswisselingen.

Studies die individuen overheen een groot deel van hun levensloop hebben gevolgd maakten uit dat neuroticisme een stabiel persoonlijkheidskenmerk is en tegelijkertijd een goede voorspeller van geluksgevoel. Neurotische mensen zijn niet alleen meer geneigd tot negatieve gevoelens, maar ze spreiden ook weinig emotionele intelligentie tentoon. Daardoor ontwikkelen ze moeilijker bevredigende relaties, en dat leidt welhaast automatisch tot een hobbeliger parcours in hun bestaan.

Neuroses maken de dagen somber, extraversie doet het omgekeerde. Mensen die houden van contacten, graag in een groep werken en al eens een feestje zien zitten, gaan doorgaans zonniger door het leven. Zelfs de Amerikaanse staatsloterij weet dat: een bevraging onder hun auspiciën wees uit dat mensen met vijf à tien vrienden zichzelf de helft van de keren gelukkig noemden, maar het toevoegen van nog meer mensen aan de kring verhoogt dat cijfer niet significant: een tiental vrienden lijkt ideaal…

En natuurlijk bepalen feitelijkheden als het opleidingsniveau, succes in beroepsloopbaan, het verwerven van een stuk(je?) bezit hoe gelukkig je door het leven gaat. Een goede gezondheid is alvast belangrijk, maar ook de huwelijkse staat geeft je klaarblijkelijk een voorsprong. Contra-intuïtief is dan weer de vaststelling dat kinderweelde nièt zorgt voor een groter geluksgevoel: de fiscus die spreekt over kinderlast heeft het maar al te goed begrepen.

Wat rare correlaties

We hebben het hier natuurlijk over statistische verbanden. Om nog maar een cijfertje uit de onderzoeksgegevens te lichten: rokers hebben meer te kampen met onwelbevinden dan niet-rokers, stelde onderzoeksbureau Gallup in 2013 vast,[3] zonder uit het cijfermateriaal veel oorzakelijkheden te distilleren.

En wat weten we over alcoholgebruik? Daar bestaat verrassend weinig onderzoek over, en wat er terug te vinden is komt hoofzakelijk uit Australië. Dat is niet toevallig een land dat bekend staat om zijn stevig drankverbruik. Daar werd alvast geen verband vastgesteld tussen een gewijzigd drankgedrag bij individuen overheen een aantal jaren en hun niveau van tevredenheid met het leven. Wel staat het vast dat problematische drinkers niet de meest gelukkige mensen zijn, maar ook dat komt logisch over,[4] omdat die het lastig krijgen om behoorlijk te functioneren in de maatschappij.

Gelukkige juf, gelukkige kinderen

Nog iets om over na te denken, vooral met het bedrijfsleven in het achterhoofd. De provincie Antwerpen bevroeg 13 871 leerlingen uit de vierde, vijfde en zesde klas van 163 basisscholen in 54 gemeenten. De meest pregnante conclusie werd weergegeven onder de volgende kop: ‘Gelukkige juf of meester maakt kinderen gelukkig.’ Wat minder kort door de bocht gesteld: kinderen die merken, of zelfs maar denken dat de leerkracht tevreden doorheen het leven gaat, zijn op hun beurt ook vaker gelukkig.

Het is zelden verantwoord om conclusies uit een bepaalde onderzoeks-setting (hier: het onderwijs) zonder meer te transponeren naar een andere omgeving. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat de verklaring van prof. Guido Van Hal (Universiteit Antwerpen), die de studie mee begeleidde, ook voor het bedrijfsleven geldt: ‘Juffen en meesters zijn voor kinderen in de basisschool echte rolmodellen. Als de kinderen hen leuk vinden, gaan ze liever naar school en voelen ze zich ook beter in hun vel.’

Invloed van gedrag van anderen

Talrijke studies hebben uitgemaakt dat een aangename persoonlijkheid van de verantwoordelijke en een opbouwende leiderschapsstijl (dat is een kenmerk van een evenwichtige persoonlijkheid) een bepalende invloed uitoefenen op iemands welbevinden op het werk. En het omgekeerde geldt al evenzeer: ‘You join a company but you leave a boss.’ Nog een conclusie uit deze schoolbevraging die allicht getransponeerd kan worden naar de werkomgeving: onaangepast gedrag vanwege pestkoppen (laat staan vanwege de leerkracht of de verantwoordelijke van de werkeenheid) geeft geluksgevoelens een stevige knauw.

Al deze intuïtief aangevoelde wetmatigheid wordt door enquêteurs bevestigd met sterke correlaties. Maar terugblikkend op wat hieraan voorgaat: in dit alles zit een belangrijke genetische component.

Geluk en geld

Maakt geld gelukkig? Ook hier bestaat nogal wat onderzoek over, onder meer uitgevoerd door de beroemde Joodse psycholoog Daniel Kahneman. Zijn werk grijpt terug op het verschil tussen life evaluation en emotional well-being, zoals ik dit in deel 2 van deze reeks heb verduidelijkt.[5] Inkomen en het opleidingsniveau hebben een rechtstreekse impact op levenstevredenheid.

Nauwkeurige correlatieberekeningen schuiven zelfs het belang van het opleidingsniveau terzijde en behouden alleen de eerste parameter: hoogopgeleiden verdienen immers per definitie meer, en het is deze laatste relatie die bij uitstek zorgt voor het statistische verband tussen basisopleiding en tevredenheid. Wanneer we levenstevredenheid uitzetten tegen inkomen, krijgen we een steeds stijgende curve.

Maar we zagen al dat geluk, in termen van emotioneel welbevinden, een heel ander gegeven is. Wanneer je hiernaar peilt, krijg je eveneens een stijgend verloop naarmate het subject over meer geld beschikt. Maar de curve vlakt af vanaf een bepaalde drempel. Weliswaar ligt die drempel hoog: Amerikaans onderzoek schat die op een jaarloon van ongeveer $75 000 en in ons land zou deze liggen op pakweg 6000 euro per maand.[6] Kahneman en zijn collega Angus Deaton besluiten dan ook met ‘that high income buys life satisfaction but not happiness, and that low income is associated both with low life evaluation and low emotional well-being‘. [‘…dat een hoog inkomen tevredenheid met het leven koopt, maar geen geluk, en dat een laag inkomen zowel in verband wordt gebracht met een lage levensevaluatie als met een laag emotioneel welzijn.’]

Inkomensstijging gemeten aan geluksgevoel

Het feit dat niet alleen voor landen maar ook voor individuen een maximale inkomensgrens bestaat waarboven het geluksgevoel nauwelijks nog toeneemt, geldt niet alleen voor een punctuele situatie: ook in historisch perspectief ontkomen we niet aan die conclusie. De inkomensstijging overheen de voorbije decennia heeft niet noodzakelijk geleid tot een toegenomen geluksgevoel. Dat heeft de Amerikaanse hoogleraar Edward Diener, die nochtans geen econoom maar een psycholoog is, mooi uitgerekend.[7]

Prof. Diener houdt ons nog een ander principe voor, ook hier weer op basis van intensief wetenschappelijk onderzoek: geluksgevoelens worden aangedreven door de frequentie van positieve emoties, en niet door de intensiteit ervan. Extreme vreugde, een uitbarsting van opwinding, het in vervulling zien gaan van een langverwachte wens: wie in de eerste plaats dit soort sterke emoties nastreeft en daar alles van verwacht, zal nooit de Heilige Graal van het geluk vinden.

Studies suggereren immers dat een intensieve positieve ervaring ons ertoe brengt om modale gebeurtenissen af te doen als minder positief. Om dat duidelijk te maken in één zinsnede (ook academici kunnen kernachtig zijn): ‘Once you’ve landed a gold medal or won the lottery, it’s hard to take pleasure in finding a great parking spot or winning a video game.’ [‘Als je eenmaal een gouden medaille hebt gewonnen of de loterij hebt gewonnen, is het moeilijk plezier te beleven aan het vinden van een geweldige parkeerplek of het winnen van een videospel.’]

Adaptatiegedrag

In dit verband gebruiken psychologen nog een vakterm: hedonistische adaptatie, een term die uitgevonden werd door de wetenschapster Sonja Lyubomirsky, een dame die enige reputatie heeft verworven inzake wetenschappelijk onderzoek. Mevrouw Lyubomirsky schrijft in haar boek De maakbaarheid van geluk [8]: )Bij de meerderheid van de bevolking, in alle continenten en culturen, staat gelukkig worden op nummer één van de lijst met diepst gekoesterde levensdoelen. Dat wensen we niet alleen voor onszelf, maar meer nog voor onze kinderen.’

Dat gevoel herkennen we allemaal. Mensen richten, in hun zoektocht naar geluk, vaak hun hoop op een verandering van hun leefklimaat. Een indrukwekkende hoeveelheid onderzoek toont aan (dat kwam in het voorgaande al onrechtstreeks aan bod) dat een mens niet per se gelukkiger wordt door zijn levensomstandigheden aan te passen. Blijkbaar is er dan een krachtig mechanisme aan het werk dat men in die nieuwe verbeterde situatie automatisch hogere verwachtingen gaat stellen. Adaptatiegedrag dat vooral bij hedonistisch geïnspireerde persoonlijkheden zou voorkomen: mensen met een karaktertype dat gekenmerkt wordt door een bovengemiddeld streven naar directe lustbevrediging.

We gaan dat even verduidelijken. Stel dat je plots een onverwachte loonstijging krijgt. Je gaat verrukt zijn en bij het naar huis rijden weet je met je overlopende geluksgevoelens geen blijf en koop je een mooie ruiker voor je echtgenote. Maar al na korte tijd geraak je ervan overtuigd dat je die opslag meer dan verdiend hebt, raak je aan het hogere inkomen gewend en verdwijnt het oorspronkelijke effect. (Misschien heb je intussen een duurdere wagen aangeschaft en hou je aan het einde van de maand niet méér over.)

Vrijwilligerswerk

Geluk zit niet in de levensomstandigheden, maar in je manier van doen en je relaties. Zo hebben onderzoekers van de London School of Economics uitgemaakt dat, naarmate mensen zich meer engageren in vrijwilligerswerk, ze zich gelukkiger voelen. Dat werd bevestigd door een ander wetenschappelijk team[9] dat de gegevens uit 40 gepubliceerde onderzoeksrapporten analyseerde. Het kwam daarbij tot de vaststelling dat vrijwilligers een 20% lagere kans op overlijden hadden dan niet-vrijwilligers. Daarnaast hadden zij minder te kampen met depressieve gevoelens. Ze rapporteerden een verhoogd niveau van life satisfaction, hetgeen we in de vorige bijdrage van deze reeks al ruwweg gelijkstelden met geluk.

Geluk en werk

Hoezeer we arbeid ook verantwoordelijk achten voor stressgevoelens en burn-out, toch is het ontbreken van een dagtaak allesbepalend. Werkloosheid tast in een erg sterke mate de levenskwaliteit aan, en heeft eveneens een onvergelijkelijk zware impact op de levensvoldoening. De aandachtige lezer herinnert zich het onderscheid dat we in vorige bijdragen maakten tussen emotional wellbeing en life evaluation. De al eerder genoemde Gallup-bevraging wees uit dat niet-werkenden 30% meer negatieve gemoedstoestanden ervaren dan zij die aan het werk waren. Dit staat los van het feit of deze laatsten werknemer of zelfstandig waren, en hoeveel uren per week ze presteerden.

Het besef dat tewerkstelling van een overwegend belang is voor het welbevinden van individuen is een van de meest robuuste conclusies in het wetenschappelijk onderzoek naar het menselijk geluk.[10] De wijsgeren (wijsneuzen?) die pleiten voor een basisinkomen waarbij van burgers niet meer verwacht wordt dat ze uit werken gaan, kunnen we alleen maar aanraden om Hoofdstuk 6 van de laatste uitgave van het Word Happiness Report eens goed door te nemen.

Ook binnen de groep van hen die werken bestaan er belangrijke verschillen. Zelfs na het uitzuiveren van covariaties stelt onderzoek vast dat arbeidersbanen systematisch een stuk lager scoren op het vlak van algemene tevredenheid. Die lage score geldt voor gelijk welke arbeidsintensieve nijverheidstak, zoals diverse productieactiviteiten maar ook de bouw, de bosontginning, het transport, de landbouw en de visserij.

Het belang van de werk-privébalans

Andersom wordt, doorheen de hele wereld, vastgesteld dat iedereen die door het leven gaat als leidinggevende, ambtenaar of professional zijn of haar geluksgevoel een stuk hoger inschat. Deze laatsten geven zichzelf voor hun levenskwaliteit een 6 op 10, terwijl arbeiders uit de hiervoor aangehaalde sectoren nauwelijks een 4,5 halen. De verschillen in scores gelden zowel voor emotional wellbeing als voor life evaluation.

Wellicht heeft dit te maken met een andere sterke correlatie die uit bevragingen opdoemt: de werk-privébalans. Met andere woorden, de mate waarin professionele activiteiten en het persoonlijke en familiale leven goed te combineren zijn (zeg maar de werkbaarheid van de baan), heeft een krachtige voorspellende waarde voor het menselijk geluk.

Hoewel hogere bediendenfuncties vaak een langere werkweek impliceren, bieden ze gemiddeld meer mogelijkheden om de taak autonomer, soms zelfs naar goeddunken uit te voeren. Zij hebben tevens meer vrijheden om met hun werkuren te schuiven in functie van hun voorkeur. Dat zou onder meer verklaren waarom seniorkaderleden hun levenskwaliteit nog hoger inschatten en meer positieve ervaringen rapporteren dan uitvoerende bedienden zoals secretariaatsmedewerkers. En ook binnen de groep van de lagere bedienden zien we een verschil: arbeidsintensieve omgevingen leiden sneller tot minder geluk op het werk. Ook dat kan verwijzen naar een engere beslissingsruimte voor de betrokkenen.

Bij sommige correlaties doemt er wel degelijk een duidelijk onderscheid op tussen de begrippen emotional wellbeing en life evaluation. Zo leidt, in de meeste ontwikkelde landen, het werken als zelfstandige tot een hogere levenstevredenheid maar zorgt het voor een verlaagd emotioneel welbevinden (stress, onzekerheid).

Arbeidstijdregeling

En is er een invloed van de arbeidstijdregeling op het welbevinden van het subject? Zoals kon verwacht worden, hangt dat sterk af van de initiële insteek van de werknemer. Indien de respondent onder-tewerkgesteld wordt (dit wil zeggen: indien hij/zij meer uren verlangt te werken dan op het moment van de bevraging de realiteit is), dan stijgt het welbevinden wanneer de wens in werkelijkheid wordt omgezet. Dat is helemaal niet het geval voor de deeltijders-uit-vrije-wil. Parttimers rapporteren een groter geluksgevoel dan hun voltijds werkende collega’s en klagen minder over negatieve ervaringen. Denk bijvoorbeeld aan stress of wakker liggen van het werk. Maar dit geldt vooral voor vrouwen: mannen zijn daar iets minder zeker van.

We hadden het in het voorgaande al meerdere malen over bedrijfscultuur en leiderschapsstijl. Dan nog maar een Gallup-cijfertje. 67% van de werknemers wier manager vooral focust op hun goede prestaties en hun positieve mentaliteit is erg geëngageerd in het werk, terwijl dat bij mensen die vooral op hun minpunten worden gewezen maar om 31% gaat. Dat geldt overigens niet alleen in de werksfeer, maar ook voor studenten en sporters.

Symbolische beloningen helpen

Symbolische beloningen, zoals een vermelding of een eretitel, blijken ook een positief effect te hebben. In een fascinerende studie onderzocht een groep wetenschappers de prestaties van Duitse gevechtspiloten uit de Tweede Wereldoorlog.[11] In de archieven vonden ze details over de luchtgevechten van 5000 piloten. Die vergeleken ze met de vermeldingen in het dagelijkse bulletin van het Duitse leger, wat toentertijd als een grote eer werd beschouwd.

Merkwaardig genoeg blijkt dat de eervolle vermelding van een piloot die was overgeplaatst naar een ander squadron, de prestaties van zijn vroegere teamleden verhoogde. De prestatieverbetering (in dit geval het aantal gewonnen luchtgevechten) was het grootst bij de beste piloten. Het was alsof zij door de successen van hun vroegere makker waren wakker geschud. Ook bij de minder begaafde luchtacrobaten gingen de prestaties omhoog, maar dat had zijn prijs: om hun succesvolle collega’s te evenaren namen ze meer risico’s waardoor het aantal gesneuvelden opmerkelijk steeg.[12]

Naar een conclusie?

Bij wijze van besluit: op het individuele vlak geldt onomstotelijk dat de niet-materiële dimensies in een mensenleven een enorme impact hebben op de tevredenheid van mensen met hun levensomstandigheden. Daarvan zijn gezondheid en werk bovenmatig van belang, en de gelukstheoreticus én Nobelprijswinnaar Kahneman, die we hierna nog aan het woord laten, besluit dan ook: ‘Professional activities are the straightest way to social integration.’

In tweede instantie, maar eveneens erg belangrijk, zijn vrijheid en politieke rechten dat ook. Dat zijn echter geen individuele kenmerken, maar psychologische en sociaaleconomische begrippen.

Richtlijnen voor je persoonlijke leefsituatie

De conclusie is al bij al duidelijk: wanneer je geluk wil nastreven, investeer dan geen energie in het veranderen van je levensomstandigheden. Steek je handen uit de mouwen door projecten te starten, en besteed voldoende tijd aan je relaties. Dit is geluk als niet-gepland bijproduct van je handelingen en je contacten. Nogal wat academici die de voeten op de grond houden lijken het alvast op deze manier te bekijken.

Het voorgaande geeft ons ook een antwoord op de vraag: hoe komt het dat life satisfaction evenredig blijft toenemen naarmate de rijkdom van het subject groeit, maar dat dit niet geldt voor geluksgevoelens? Hierover geeft de psychologe Kathleen Vohs een interessant experiment uitgevoerd. Zij stelde een cohorte proefpersonen samen die, via bepaalde reacties op omgevingsomstandigheden, kon onderverdeeld worden in mensen die mentaal op geld voorbereid waren en een groep die dat veel minder was. Zij constateerde, via reacties op een aantal gesimuleerde situaties, dat geld en de georiënteerdheid daarop mensen individualistischer maakt.

Personen die ingesteld zijn op financieel gewin stellen zich onafhankelijker op (ze wachten dubbel zo lang om hulp te vragen bij het oplossen van een lastig vraagstuk), ze gedragen zich zelfzuchtiger (ze waren minder snel bereid om een student te helpen die speelde dat hij een bepaalde opdracht niet begreep), ze waren minder hulpvaardig (toen een andere toneelspelende student een paar potloden op de grond liet vallen, waren ze minder geneigd om een handje toe te steken) en ze waren minder gesteld op gezelschap.[13]

Het onhaalbare nastreven kan ongelukkig maken

Tot slot: sommige psychologen vragen zich af of het nastreven van geluk geen omgekeerd effect heeft. Dus het onhaalbare nastreven, in de wetenschap dat een substantieel deel ervan genetisch vastligt en er dus nauwelijks aan kan gesleuteld worden, zou je wel eens ongelukkig kunnen maken.[14] Er zijn nogal wat studies beschikbaar die aantonen dat hoe meer mensen waarde hechten aan geluk, hoe ongelukkiger, zelfs depressiever en eenzamer, ze worden. Onderzoekers hebben het dan over de worried well: mensen die gezond zijn maar zichzelf ongelukkig maken door zich voortdurend zorgen te maken over hun (fysieke, psychische, relationele, sociale) gezondheid.

Strooien met complimenten en symbolische beloningen als ‘de hotelbediende van de maand’ dienen dus oordeelkundig te worden aangestuurd: ongewenste neveneffecten zijn niet uitgesloten.

Voetnoten

[1] The U-bend of Life, The Economist, 16 december 2010

[2] J. Van Peteghem: Actuele uitdagingen voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, ISNB 978-90-8977-836-9, uitg. INNI, Heule, 2017

[3] Americans Who Smoke Suffer Emotionally, Gallup, 27 juni 2013

[4] Can alcohol make you happy? A subjective wellbeing approach, Social Science & Medicine, Volume 156, mei 2016, blz. 184-191

[5] D. Kahneman & A. Deaton: High income improves evaluation of life but not emotional well-being, Journal for Psychological and Cognitive Sciences

[6] L. Annemans: Belastingen zijn goed voor ons geluk, De Standaard, 25-26 februari 2017

[7] E. Diener (2000): Subjective well-being — The science of happiness and a proposal for a national index, American Psychologist, 55, pp. 34-43

[8] Originele titel: S. Lyubomirsky (2008): The how of happiness, Penguin Press

[9] Volunteering May Make People Happier, Study Finds, WebMD, 23 augustus 2013

[10] J.M. De Neve & G. Ward: Happiness at work (2017), World Happiness Report, Hoofdstuk 6, New York: Sustainable Development Solutions Network.

[11] P. Ager, L. Bursztyn, and H.-J. Voth (2017), Killer Incentives: Status Competition and Pilot Performance during World War II. CEPR Discussion Paper No. 11751

[12] Geciteerd door P. Vanden Houte: Complimentendag, Column in De Standaard, 18-19 maart 2017

[13] D. Kahneman (2011): Thinking fast and slow, Farrar, Straus and Giroux, New York

[14] Does Trying to Be Happy Make Us Unhappy? Granted — Adam Grant’s blog on work and psychology, 14 mei 2013

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Jan Van Peteghem

Jan Van Peteghem is emeritus-gasthoogleraar aan de Faculteit Ingenieurswetenschappen van de KU Leuven