Cultuur, Media
Hugo De Ridder

De vierde macht

Over Hugo De Ridder en Gaston Durnez


De vierde macht. Het is een titel die journalisten zich graag laten aanleunen. Maar het is weinigen gegeven die met ere te dragen.

Journalisten werken doorgaans niet voor de eeuwigheid. De kans dat hun naam hun verhalen overleeft, is gering. Iedereen kent Emile Zola  die met zijn J’accuse  een beslissende wending gaf aan de affaire-Dreyfus. Weinigen weten wie Bernard Lazare was, die jaren eerder al als eerste de heersende publieke opinie tegensprak door te wijzen op de monumentale gerechtelijke dwaling van het Franse Krijgshof dat de Joodse officier tot de strafkolonie veroordeelde op grond van gefabriceerde bewijzen van spionage en landverraad.

De journalist is veelal niet meer dan ‘een mus op het maatschappelijke dak’, zoals de dichter Jan Van Nijlen zichzelf omschreef.

Deadline-artiesten

En dan zijn er de uitzonderingen. Twee van die journalistieke uitzonderingen waren Hugo De Ridder, van wie hier vandaag een korte biografie in het licht wordt gegeven. De andere uitzondering is de auteur van dit portret, Gaston Durnez, van wie wij vorige week afscheid hebben genomen.

Onder Amerikaanse krantenjournalisten was het eertijds de hoogste onderscheiding een ‘deadline artist’ genoemd te worden. Een titel die alleen kon worden overtroffen door de toekenning van de Pulitzer.

De deadline-artiest is de journalist die tegen de klok werkend in een mum van tijd altijd terugkomt met de echte kern en de juiste achtergrond van het nieuws, en die zijn verhalen bovendien ook nog eens elegant en puntig formuleert. En dat binnen de hem of haar toegemeten ruimte in de krant.

Hugo De Ridder en Gaston Durnez waren twee deadline-artiesten, elk op hun terrein.

De Ridder en Durnez wisten dat de invloed van een krant in de verslaggeving zit, niet in de commentaar. Zelfs in de commentaren van De Ridder zat er altijd nieuws. Zoals Mark Deweerdt beschrijft in zijn nawoord bij Hugo in de jungle  was Hugo De Ridder voortdurend in de weer met het nieuws, met de primeur.

Poupehan

Ik heb Hugo De Ridder leren kennen dankzij mijn intussen ook al overleden goede vriend Guido Despiegelaere. Geregeld kwamen we in die dagen in het trefcafé E’Ville – dat was toen De Standaard  nog aan de Brusselse Jacquemainlaan was gelegerd. De buren van Het Laatste Nieuws  kwamen er nooit – zij verkozen de Mauve & Blanc.

Elke ontmoeting in de E’ville leidde tot een stroom van sterke Wetstraatverhalen. In die tijd waren Standaard-journalisten, dat was bekend, vaste leveranciers van politieke roddels in het satirische blad Pan.

Maar telkens na zo’n ontmoeting in de E’ville moest Hugo nog even naar de krant, voor dat laatste telefoontje dat een dag later op de één het verschil maakte met de concurrentie.

Bij elk verhaal hanteerde De Ridder telkens de juiste kapstok. Bij Knack  plaagde men graag Sus Verleyen, boezemvriend van De Ridder, omdat hij in zijn boek Een gegeven woord  (1985) over Wilfried Martens ook over Poupehan vertelt, zonder evenwel de naam van dorpje in de provincie Luxemburg te vermelden waar Martens samen met zijn kabinetschef en naderhand gouverneur van de Nationale Bank Fons Verplaetse, ACV-voorzitter Jef Houthuys en ACW-bankier Hubert Detremmerie sleutelden aan de sociale afwerking van de devaluatie van 1982.

Geen lezer had er aanstoot aangenomen. Wat zeven jaar later wel gebeurde toen De Ridder een en ander breeduit bracht in Omtrent Wilfried Martens. Het onthullende interview met Jef Houthuys hierover, afgenomen op diens sterfbed, verscheen overigens in Knack. Sindsdien is Poupehan een politiek begrip.

De puntdichter

Gaston Durnez kende ik via mijn vader – Durnez was tussen zijn Standaard-bedrijven door even langs Het Volk  gepasseerd. Durnez had een haast sentimentele band met de Christelijke Arbeidersbeweging, en vooral met de figuur van Jozef Cardijn, een band die hij een leven lang bleef koesteren.

Wij kunnen ons vandaag nauwelijks voorstellen wat Durnez voor veel jonge Vlamingen heeft betekend, hoe hij via de krant en via zijn boeken hun leescultuur heeft gevormd. Mijn oudere broer kende hele puntdichten van Durnez uit het hoofd en had al zijn uitgaven op de plank. Al lijkt ook de jongere generatie hem te hebben ontdekt. Zelfs de jongere succesauteur Bart van Loo verwees onlangs in zijn blog naar het voorbeeld van Durnez.

Maar in alles was en bleef Durnez de echte reporter. Zijn vriend Toon Horsten herinnerde in zijn in memoriam van Durnez aan een van diens mooie uitspraken: ‘Soms denk ik dat de dingen gebeuren opdat ik erover zou kunnen schrijven.’ Precies die kunst van de verslaggeving en zijn vertellerstalent maakten van zijn biografie van Felix Timmermans een heus meesterwerk, waar helaas nogal wat recensenten blind voor bleven.

Durnez was wat men in Engeland ‘a wit’ zou noemen, een man van een buitengewoon geestige gevatheid. Dat hem dat bij Chesterton bracht was echt geen toeval.

Kranten overstijgend

Net als Manu Ruys voor hen waren De Ridder en Durnez twee journalisten van wie de reputatie die van de krant oversteeg. Beiden hebben een briljante carrière gekend nà hun vertrek bij De Standaard. Eigenlijk kan men zeggen dat zij hun beste journalistieke en zelfs literaire werk hebben geleverd eens bevrijd van de dagelijkse redactionele besognes: de Wetstraatboeken en zijn geschriften over de gezondheidszorg van De Ridder, de tweedelige geschiedenis van De Standaard en de biografie van Timmermans van Durnez, om maar die voorbeelden te noemen. Het zegt wat over het inschattingsvermogen van uitgevers dat ze hen lieten vertrekken.

Zowel Durnez als De Ridder maakten zich al eens zorgen over de evoluties in de pers.

Eerder al in 1995 had Manu Ruys die bezorgdheid uitgedrukt in zijn toespraak na de uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw. Hij sprak toen: ‘Ik huiver voor een Vlaanderen waarin de wereld van de reclame de media volledig inpalmt en de commercie het vrije denken en het vrije woord zou versmachten. Die gevaren zijn niet denkbeeldig.’

Die gevaren waren inderdaad niet denkbeeldig. Maar het tij lijkt te keren.

Betrouwbaarheid

Het wegdrijven van de reclame-inkomsten naar de internetgiganten dwingt de bladen aan te knopen met de beproefde journalistieke tradities en het opnieuw aanhalen van de vertrouwensband met de lezers. Niet de amusementswaarde maar de betrouwbaarheid van het nieuws gaat weer primeren.

Tot voor enkele jaren kwam 60 procent van de inkomsten van een krant als The New York Times  uit de reclame, vandaag komen die inkomsten voor 60 procent van de betalende lezer. Het is een trend die ook alhier zichtbaar wordt.

Misschien wordt de krant opnieuw een heer door wie de lezer graag in vertrouwen wordt genomen. We moeten journalisten als De Ridder en Durnez dankbaar blijven omdat ze het journalistieke vuur brandend hielden.

Laat mij besluiten met een gedicht dat Gaston Durnez me ooit toestuurde en dat ik afdrukte naast één van mijn wekelijke commentaren in Knack.

De titel van het gedicht is Commentator en het gaat als volgt:

Hij schreef sinds jaren met vaardige hand
Hoofdartikels in de krant.

Binnenland, buitenland, hemel en aarde,
Onderzocht hij op hun waarde.

Hoogwaardigheidsbekleders allerhande
Maakte hij in drie paragrafen te schande.

Maar ’s avonds als hij te ruste ging,
Voelde hij geen bevrediging.

Soms dacht hij dan: Ik moet misschien
De mensen een beetje liever zien.

Hij dronk dan een whisky, met water erbij
En dan ging die stemming vlug voorbij.

Tot slot nog een kleine mededeling: door het overlijden van voorzitter Gaston Durnez komt mij als secretaris en enig overblijvend lid de droeve taak toe het Chesterton Genootschap te ontbinden.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Ik word vriend van Doorbraak.

Rik Van Cauwelaert

Rik Van Cauwelaert was hoofdredacteur en directeur van Knack en columnist voor De Tijd.