Cultuur

Gaston Durnez: ‘Alsof boeken zichzelf vermenigvuldigen’

De boekenkast van Gaston Durnez

Gaston Durnez is journalist, en schrijver van poëzie en proza, van biografiën en historische werken (zijn bibliografie op wikipedia). Een man van het woord dus, en van veel documentatie. Dat blijkt ook uit zijn boekenkast.

Ik ben op de leeftijd gekomen waarop boekengekken een dramatische beslissing moeten nemen: Ofwel een vleugel aan hun huis bijbouwen, misschien een blokhut in de tuin zetten, of gewoon enkele kamers leeg maken en de inhoud schenken aan een jonge liefhebber die nog veel plaats heeft. Ik voelde veel voor de blokhut, maar dan moesten er struise bomen worden gekapt. En mijn boeken hebben in de loop der tijden al zoveel bossen uitgedund! Ik bond mijzelf een blinddoek voor en koos de titels die ik in ballingschap moest zenden.’

Wanneer begint zo’n keuzeproces? Wanneer komt het moment dat je beslist: nu moet ik bijbouwen of opruimen?

Gaston Durnez: ’Het gebeurde in een periode waarin mijn liefde voor de gedrukte kranten sterk op de proef werd gesteld door de opmars van wat men “de sociale media” noemt (alsof de papieren voorvaderen nooit sociaal zijn geweest!). Heel mijn jarenlang gekoesterde verzameling van De Nieuwe en de oude Standaard plus de SportwereldHet Algemeen Nieuws werd op een morgen opgehaald door een vrachtwagen van het barmhartige Letterenhuis. Dat was dan alvast één grote kamer van ons huis die wij konden laten herschilderen en behangen. Maar ook een kamer in mijn journalistenhart was leeggehaald en daar is geen herschilderen aan. Manmoedig troostte ik mij met de gedachte dat de langzaam wegkwijnende collectie in Antwerpen beter verzorgd zou worden en dat ik ze toch nog altijd kon gaan raadplegen in de leeszaal. (Een mens probeert vaak voor zijn giften een ontvanger te vinden die iets kan terugdoen).’

Het was maar een eerste oefening in onthechting dan?

‘Na een rouwperiode heb ik de Antwerpse vrachtwagen nog eens laten komen ten einde een archiefkast weg te slepen. Daar zat al het materiaal in waaruit mijn twee dikke boeken over de geschiedenis van een bepaalde krantengroep uit de Brusselse Jacqmainlaan zijn voortgekomen. Ik was blij dat de boordevolle kast weg ging en bedroefd dat ik ze kwijt was.’

‘In dezelfde geest van moeizame onthechting keerde ik mij naar de kamer waar andermans boeken over de pers, haar daden en haar dwaasheden, sinds jaren tegen mekaar aanleunden. Ik heb ze verdeeld over enkele nakomelingen die zich, in de voetsporen van opa, in de media hebben gestort. Als ik nu bij hen op bezoek ga, kijk ik stiekem of zij (de boeken) nog leven en gezond zijn. Ja, het is mij al gebeurd dat ik eentje mee terug nam naar huis, “om het even te raadplegen”.’

Uw onthechting lijkt thematisch te verlopen. U werkte ook mee aan de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, hebt u die documentatie ook uitgedund?

‘Alweer met mijn blinddoek op, ten einde mijn slachtoffers niet in de ogen te moeten kijken, schonk ik Vlaamse Beweging en andere historieboeken aan de geschied- en oudheidkundige kring die ik ooit als piepjonge man hielp oprichten in het dorp van mijn jeugd. Nu is die kring een Koninklijke Vereniging, geeft een tijdschrift uit, beheert een bibliotheek en bidt zoals iedereen :”Heer, bescherm onze subsidies”. (Als ik iets nodig heb, kan ik daar altijd te rade voor hulp en raadpleging).’

Hoewel u spreekt over een ‘rouwperiode’ lijkt het nog vlot te gaan om een bibliotheek op te ruimen.

‘Ondertussen heb ik een merkwaardig verschijnsel ontdekt, dat de bibliomensen niet vreemd zal zijn. Hoe meer een mens zijn bibliotheek uit wil dunnen, des te meer probeert Het Boek terrein te heroveren. Er zijn boekenplanken in mijn huis, die ik volledig leeg heb gemaakt en die, zonder dat ik het in de gaten heb, zichzelf opnieuw vullen. Nieuwe titels voegen zich stilletjes bij de titels die ik niet weg heb gedaan en die ik ook nooit weg zal doen, zo helpe mij God en Ludo Simons. (Ik denk aan de literaire Oude Vlamingen die mijn jeugd hebben verblijd). Ik koop natuurlijk af en toe nog eens een boek, waarvan mijn vrouw zelden gelooft dat het meestal koopjes zijn die ik voor een prikje kon krijgen. Ik constateer trouwens dat ik, ouder wordend, meer en meer naar de oude-boekenwinkel trek, ja, meer en meer naar de antiekwaren op internet surf. De aldus verworven nieuwelingen zet ik op een treffelijke plaats op de plank, waarbij ik, echt waar, niet denk aan de oude wijsheid, dat je een boek best verbergt tussen andere boeken. Na verloop van tijd is het net alsof ze zich automatisch vermenigvuldigen, zegt mijn vrouw.’

Welke boeken hebt u dan na  de uitdunning nog over gehouden? Welke zijn uw dierbaren?

Wie is er op mijn boekenplanken blijven staan? Bij de perslui enkele van de grote Franse kroniekschrijvers als J.F. Revel, de filosoof die in de grote tijd van L’Express vlijmscherp Les idées de notre temps besprak en La tentation totalitaire bestreed. Hij verdiende er zijn zetel in de Académie Française mee. Een journalist die onsterfelijk wordt, in Frankrijk is dat niet uitzonderlijk. Revel was, als commentator, een tijdgenoot van François Mauriac, wiens journalistieke dagboek een echte chroniqueur nog altijd, zo vele jaren later, moet gelezen hebben. Mauriac was een der Grootmeesters in het genre en zijn kronieken zijn als de betere Old Timers: zij verbergen hun leeftijd niet, maar zij rijden nog.’

‘Evenmin heb ik afscheid kunnen nemen van de onovertroffen Sebastian Haffner, de Duitse kroniekschrijver die zijn loopbaan in Engeland begon. Zijn Kanttekeningen bij Hitler is nog altijd een model van een journalistiek essay. Een andere Duitse krantenman, die een geschoold historicus was, behoort tot mijn absolute favorieten: Joachim Fest. Zijn boek vol herinneringen, Ik niet, heb ik lange tijd bij elke gelegenheid gepropageerd, omdat het zulk sterk beeld geeft van de nazi-tijd in Duitsland en omdat het een voorbeeld geeft van persoonlijke politieke en geestelijke moed. En van goed schrijvende historici gesproken : ook Pieter Geyl blijft bij mij. De Nederlandse auteur van Geschiedenis van de Nederlandse stam, (in mijn jeugd voor velen bijna een bijbel, nu opzij geduwd), was ook een vurige krantencommentator, die een van onze grootste literaire prijzen kreeg. Historici die goed schrijven, moeten wij koesteren. Want geschiedenis is allereerst een verhaal.’

Dat is allemaal non-fictie, zijn er ook fictiewerken die tot uw vaste collectie blijven behoren?

‘Ik ga niet alle overlevenden in mijn boekenwereld opnoemen. Twee van hen nemen een heel bijzondere plaats in: Felix Timmermans en G.K. Chesterton. Timmermans werd onlangs postuum benoemd tot wat hij al lang virtueel was: ereburger van de stad die hij naam en faam heeft gegeven, Lier dus. Een achtste deel van mijn leven (ik heb het uitgerekend) heb ik mogen besteden aan een biografie van deze man die zijn bijnaam “goede Fee” ten volle verdient en die ook gerust ereburger van Vlaanderen zou mogen zijn. Er zullen bij ons niet veel schrijvers zijn die in de loop der jaren zo veel fans hebben gekend als hij. Ook nu nog, bijna zeventig jaar na zijn dood, bestaan er twee verenigingen die de herinnering aan hem levend houden, o.m. met een jaarboek dat zijn werk bestudeert en dat nu al aan zijn 43ste editie toe is. Ik mag daar al de hele tijd bij zijn en ik leerde er Timmermans kennen, zoals hij werkelijk was, een man wiens werk veel dieper ging dan de waterverf van zijn tekeningen suggereert.’

Is een bibliofiel als u ook uit op bijzonderheden: eerste drukken, zeldzame exemplaren, waardevolle boeken?

Ik ben geen verzamelaar van dure boekbanden, prenten en schilderijen. Boeken zijn er allereerst om te lezen. Ik ben blij met een eerste druk, als ik mij die kan permitteren. Ik ben ook blij met een goed leesbare en degelijke heruitgave. Dat ben ik ook als ik Gilbert Keith Chesterton ontmoet. Van hem heb ik nog meer in huis dan van Felix Timmermans. Hij was dan ook veel productiever dan Felix die nochtans niet stil gezeten heeft. En hij heeft veel goedkope heruitgaven gekend. De Engelse journalist, redenaar, romancier, dichter, tekenaar was niet alleen een omvangrijke en letterlijk grote figuur, hij heeft ook een zeer omvangrijk oeuvre op zijn actief, een record in het genre. Bovendien: wie Chesterton zegt, noemt tegelijk enkele vrienden en medestanders van hem op: Hilaire Belloc, R.A. Knox, Bernard Shaw, om maar die te noemen. Wie een schrijver wil verstaan, moet ook bij zijn vrienden gaan. Ik heb alle zijwegen ingeslagen die mij naar hen konden voeren. Net als bij Timmermans.’

U maakte een biografie van Felix Timmermans, waarom begint een mens daar aan? Wat is het plezier van de biograaf?

‘Ook over Chesterton heb ik een boek geschreven, in 2005 bij Lannoo verschenen. Tot mijn groot verdriet kreeg De lach van Chesterton, in tegenstelling tot mijn Timmermans-biografie, weinig weerklank in Vlaanderen. Vreemd, op een ogenblik dat in Engeland en Amerika (zijn volledige werken verschijnen in San Francisco) de belangstelling voor G.K.C. groeit, onder meer via verscheidene academische studiegenootschappen en dank zij Internet. Tegenwoordig kan men ook zijn werk grotendeels op het Net terugvinden. Ook in Frankrijk verschijnen nieuwe uitgaven van vertalingen, bij “Les Amis de Chesterton” en bij commerciële firma’s. Die wederopleving heeft zeker te maken met de interesse voor de sociale en economische kant van het werk. Wie zoekt naar een “derde weg” komt zeker terecht in de gedachtewereld van hen die weleer door Hilaire Belloc “de distributisten” werden genoemd. De hedendaagse lezer mag dan wel niet gehinderd worden door een ouderwets en kortzichtig anti-klerikaal gevoel. Want Chesterton was een katholieke bekeerling en was daar trots op. Noem hem evenwel niet zomaar een conservatief. Zijn “behoefte aan loyauteit jegens de dingen” ging gepaard met een behoefte aan “ruineuze hervorming”. Zo drukte hij dat in zijn paradoxale taal uit.’

‘G.K.C. heeft veel facetten. Een der schitterendste is zijn liefde voor de nonsens-literatuur. Natuurlijk was hij een liefhebber van Lewis Carroll en Edward Lear. Ook die heren kregen in mijn boekenwereld een plank vanwaar zij, als het van mij afhangt, nooit zullen verdwijnen.’

Hebt u vijf recente boeken die u de Doorbraaklezer zou kunnen aanbevelen?

‘Welke vijf recente boeken zou ik Doorbraak ter lectuur willen aanbevelen ? Ik heb er geen vijf, ik heb er zeven. Dat zijn de zeven werken van W.G. Sebald die thans in Nederlandse vertaling beschikbaar zijn bij De Bezige Bij. Sebald (1944-2001) was een Duitser die in Engeland professor Duitse literatuur was geworden en die vrij laat van zijn academische geschriften overstapte naar de literatuur (in zijn moedertaal). Bij de Engelstaligen, niet het minst in Amerika, en in Duitsland, is hij spoedig een grote naam geworden. Susan Sontag werd zijn profeet. Er was al vlug sprake van een mogelijke Nobelkandidaat. Bij ons in Vlaanderen kom ik weinig volk tegen dat “Ha, Sebald!” uitroept, als ik over hem begin. En ik kan er niet over zwijgen. Zijn bekendste werk is Austerlitz, een plaatsnaam die een persoonsnaam werd. De centrale figuur is een jood uit Engeland, op zoek naar zijn geschiedenis. De roman begint in Antwerpen, in het oude Centraal Station en de wijk daarrond, en loopt verder via Breendonk naar andere dramatische plaatsen. Alleen al om de confrontatie daarmee wil ik het boek bij Vlamingen aanbevelen. Maar er is natuurlijk veel meer.’

‘Sebald heeft in dit en andere boeken een eigen vorm gecreëerd: een mengeling van fictie met non-fictie, van essay met document. Telkens maakt hij gebruik van foto’s die als het ware de “echtheid” moeten ondersteunen, al worden ze soms bewust bijna zo wazig afgedrukt dat ze vooral “het verleden” benadrukken. Een paar boeken zijn vooral geschreven portretten van kunstenaars die hij interessant vindt voor zijn visie of die hij bewondert. Altijd loopt hij op een of andere manier in “de sporen van vernietiging”. Een toppunt is in die zin het essay over De natuurlijke historie van de verwoesting, handelend over de onvoorstelbaar dramatische bombardementen op Duitsland in de Tweede Wereldoorlog. Ik heb de zeven boeken na mekaar gelezen, alsof ik een marathon liep. Daarna kon ik een tijd lang geen gewone roman meer aan. Ze staan nu in het boekenmolentje in de woonkamer naast mijn Chesterfield-leeszetel. Tenslotte vond ik deze zomer in Oostenrijk een achtste Sebald-boek, dat ik in het molentje heb laten aansluiten: een bundel interviews, verschenen bij Fischer Taschenbuch Verlag: Auf ungeheuer dünnen Eis. Gespräche 1971 bis 2001. Twee van die gesprekken (zeker niet de minste) werden gevoerd met Vlamingen : Piet de Moor en Jean-Pierre Rondas. Een andere Vlaming die een belangrijk essay over hem schreef, is (niet verwonderlijk) de auteur van de “non-fictie roman” en best-seller Oorlog en terpentijn, Stefan Hertmans. Het staat te lezen in zijn essaybundel De mobilisatie van Arcadia, De Bezige Bij, 2011.’

‘Het wachten is nu op een postume bundel met wonderbaarlijk teruggevonden nagelaten werk. Een schrijver die naam waardig mag nooit nalaten enig werk na te laten. Lezers kunnen zich zo verweesd voelen.’

 

Dit boekenkastgesprek verscheen oorspronkelijk op Doorbraak op 20 december 2014.

Pieter Bauwens

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Pieter Bauwens?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbaak.

Ik help Doorbraak groeien.

Dit artikel delen of afdrukken




Commentaren en reacties


Kijk vooraf even op onze Spelregels en technische problemen
Reacties - klik hier

Voeg een reactie toe

https-doorbraak-be

Lees ook

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans