fbpx


Cultuur, Europa, Literatuur

Groetjes uit het Avondland

Dagboekaantekeningen (27)


Ruse

Woensdag 5 augustus

Heb ik u ooit verteld over onze cruise?

Ik was uitgenodigd als spreker en ook Joy mocht aan boord van het schip, dat tien dagen over de Donau voer, stroomopwaarts, van Roemenië naar het westen, gevuld met welgestelde gepensioneerden, die overdag op het bovendek tevreden in de zon zaten, de dames al vroeg met een versnapering, de heren achter hun embonpoint, waarop soms een boek rustte. Vriendelijk gekwetter, beschaafd gelach, boven het zachte gepuf van de motoren. Onze cabine was vlak boven het water en we sliepen met het raam open. Om drie uur ‘s nachts werd ik gewekt door nachtegalen, die in een bos op de noordelijke oever hun trillers sloegen, kwelend dat de kroonprins was vermoord, daarom woonden ze nu helaas in zo’n lullige republiek, maar de maan was nog altijd de zilversmid van de rivier, dat zou nooit veranderen.

De eerste haven die we aandeden was Ruse, Pyce in het Bulgaarse schrift, voorheen onder het Ottomaanse juk en Rusçuk geheten.

We passagieren op zoek naar het geboortehuis van Elias Canetti. Ruse is warm en stoffig en burgerlijk en provinciaal en heeft zich in de late negentiende eeuw zoals zoveel Midden-Europese provinciesteden opgedoft à la de bakkersvrouw die de opera bezoekt in een geleende veren boa: grote herenhuizen met balkons en torentjes en Medusahoofden, gulle klodders bouwkundige slagroom, een ietwat overspannen theater, een iets te grote bibliotheek, parken, fonteinen, een engel op een zuil… aan de burgerij ontspruit de liberale geest, de wil met ontwikkeling te pronken, het gymnasium voor iedereen met hersens. Het is niet erg dat je de boa geleend hebt, voortgedreven door je verlangen erbij te horen ontmoet je Mozart en Goethe.

Hij is hier in 1905 geboren, toen Bulgarije semi-autonoom was; drie jaar later werd het een zelfstandig koninkrijk. In dit Ruse, dat zich afkeerde van de pasja en het stoombad en het Ottomaanse verval, dat hunkerde naar Wenen, waar het staatkundig niet bij hoorde, vragen we naar Canetti Geburtshaus, naar writer, Schriftsteller, ik google ook nog писател, pisatel Canetti… maar hoewel de halve bevolking in zijn kleutertijd uit Turken, Joden Armeniërs, Duitsers, zigeuners en Russen bestond, en hoewel de kleine kosmopolitische Elias zowel Ladino als Bulgaars en wat Turkse woorden kende, en zijn ouders met elkaar Duits spraken, is Ruse als het ware achteruitverschrompeld tot zijn oorspronkelijke provinciale geestelijke dimensies en begrijpt niemand ons.

Stof. Warmte. Biertje.
Naast ons op het terras, onder de gestreepte luifel, een schichtige schriele man, met een tas vol boeken. Ik waag het erop. Hij heet Petro. Seksueel geremde kamergeleerde, doceert Duits, valt jaarlijks op een nieuwe puber, schrijft een meesterwerk of pleegt een moord – God spare hem.

‘Beetje enge man,’ fluistert Joy.
‘Hij weet waar Elias woont,’ zeg ik. Voor die informatie mag er wel een pubermeisje sneuvelen.

We staan voor het Geboortehuis. Een bungalow in neoklassieke stijl achter een gietijzeren hek, geschilderd in bedorven-eigeel en licht vervallen, in elk geval onbewoond. Geen gedenkplaat. ‘Wij hebben geen respect voor hoge cultuur,’ zegt Petro. ‘En zeker niet voor niet-Bulgaarse.’
Hij neemt ons mee naar de winkel van grootvader Canetti, in een steile straat, iets verderop. Twee verdiepingen, rode baksteen, verknoeide pui, het gebouw zou in Brussel kunnen staan.
‘La butica. Zo noemde men de winkel van zijn grootvader. Men verkocht er koloniale waren en gros. De meeste dingen waren eetbaar, maar er waren ook lucifers, zepen en kaarsen, messen, scharen en dergelijke meer.’

Ik registreer de excentrieke Petro: verwrongen metalen brilletje, alsof hij recent is gemolesteerd; plukken baard afgewisseld met bloedkorsten: in zijn badkamer ligt een mes dat tijdens het scheren ongemerkt in zelfverminking overgaat. Achter de bruine haag van zijn tanden slist hij letterlijke fragmentjes uit Die gerettete Zunge.

Donderdag (hittegolf)

De mussen slepen zich naar de dakrand en zijn dan te moe om eraf te vallen. Zo heet is het. Ik slaap – voor zover ik slaap – in een doorweekte spons, voorheen beddengoed.

Ik poog te lezen in de tuin. Het watervalletje klatert. Bij het kitscherige ornament scharrelt een merel, die straks nog helemaal naar de nok van het huis moet vliegen voor zijn avondlied. De hond van de buren keft. Ik lees zoals altijd met een potlood in de hand, waarmee ik de maat van het gelezene sla: passages willen aangestreept worden, woorden vertaald, vragen gesteld. Bruce Chatwin leunt tegen het woordenboek. Tik-tik. De hond keft weer. Mijn akoestische favoriet is de goudvis. De buurkinderen plonzen in hun opblaaszwembad. Een insect zoemt boven mijn hoofd als een Heinkel boven Londen. Plons. Gil. Kef. Zoem. TIK-TIK. Het liefst sla ik honden, kleine kinderen en insecten dood. Wat betekent blackamoor ook alweer? Kutkinderen.

Vrijdag

Bij Mary kunnen Christopher en Joy zwemmen. Mary is afkomstig uit Utah en woont sinds 1962 achter Hare Farm. Haar man was kapitein bij de Britse koopvaardij. Het zwembad, beschut door smaakvol struikgewas met witte bloemen, biedt aan de achterkant uitzicht op de vallei van de Brede, waar hompen bruin vee in de schaduw van een eik liggen te wachten tot Constable zijn ezel neerzet; maar de door mij verwekte atleet, de in het zonlicht golvende zwembadtegeltjes, het terras met het tafeltje waarop de wijnglazen, de bosschages… dat is allemaal door Hockney geschilderd.

Joy zit nog wat na te druipen in de zon, waartegen Mary juist haar glas omhooghoudt. De wijn is door Hockney in dat glas geschilderd. Ik soes. Ik ben dol op haar, dat aan de mormonen ontsnapte meisje van bijna tachtig. De eerste keer dat ik met haar sprak, op ditzelfde terras, vertelde ze over Sarah, haar dochtertje van elf, dat even verderop rondfietste, veilig rondfietste in 1982, geborgen in het groene licht van de landweg, tot ze werd doodgereden door de enige auto van die middag.

Zondag

Mijn lectuur is toeval – het was logischer geweest Utz in 1989 te lezen – maar bedient me niettemin altijd op mijn wenken. Uit de pagina’s komt het gewenste, toepasselijke inzicht als een man op mij af. Terwijl ik nadenk over het iconoclasme als dwangmatige collectieve handeling van mijn tijd, staat hij daar opeens, die kalme wijsgeer: ‘Is there, alongside the tendency to worship images – which Baudelaire called “my unique, my primitive passion” – a countertendency to smash them to bits? Do images, in fact, demand their own destruction?’

‘s Avonds

In zijn prozadebuut Coniferen beschrijft Max Temmerman het kerstfeest van een broer en een zus, beiden eenzaam en op eigen wijze ongelukkig. Godlof, de schrijver psychologiseert nergens, maar beschrijft stoffelijke details in detail, tot en met de gekromde weerspiegeling van de kamer in een kerstbal. Hij is als een beeldhouwer die de eenzaamheid uit het concrete te voorschijn hakt; alle onverdraaglijke gewauwel over verdrongen herinneringen of een dysmorf zelfbeeld, tegenwoordig op elke krantenpagina te vinden, ontbreekt. Hij lijkt wel wat op Chatwin. Beiden schrijven, als u mij dit choquerende anachronisme toestaat, mannelijk proza.

Maandag 10 augustus

Als schrijver wil ik het gevoel hebben dat ik even goed ben als deze of gene internationale beroemdheid. Eerlijk, er zijn nogal wat grote stukken geschut die bij lezing erg tegenvallen: hun knallen worden alom geprezen, maar ook met je hand achter je oor hoor je niet veel; en van de weeromstuit is het een genoegen van hun middelmatige plofjes kennis te nemen. Zo heb ik ontdekt dat ik een betere dichter ben dan die Kavafis, en dat het verhalende proza van Camus een wijsgerig skelet is waar weinig vlees aan zit (mijn eigen werk is dan weer vlees zonder skelet).

Waarschijnlijk is mijn oordeel vertroebeld door het kabaal van de plonzende buurkinderen.
Hé, komt daar nu een goudvis voorbij?

Dinsdag

Op de universiteit horen studenten dat de bibliotheek een kerkhof voor westerse mannen is. In ruil krijgen ze de leer van de wraak voorgeschoteld. En voor hun wraak benutten ze het Engels, het communicatievehikel van het kapitalisme, zonder ooit Trollope of Auden gelezen te hebben. De Engelse taal legt de wereld het zwijgen op.

Woensdag

We hebben de elfde en laatste aflevering van Heimat bekeken en zijn ondersteboven, als verslagen door de moffen. Ik zoek samen met Christopher naar een definitie van ‘heimat’…

‘Zijn dat niet bovenal de mensen met wie je over Europa kunt praten zonder voetnoten nodig te hebben,’ opper ik.
‘En een schild om de slagen af te weren,’ zegt hij.

‘s Avonds in bed (het verse beddengoed wordt alweer klam)

Terwijl een paar zomers geleden Bulgarije en Roemenië aan bakboord respectievelijk stuurboord voorbijglijden, overweeg ik dat onze graad van melancholie recht evenredig is aan die van ons kosmopolitisme, en omgekeerd evenredig aan onze kleinburgerlijkheid. Dat gelijk opgaan van een kosmopolitisch leven en de fantoompijn van het verleden vind je bij Canetti en Joseph Roth in gelijke mate. Al schrijvende reconstrueren ze een verloren heimat, die ze eigenlijk heruitvinden.

O tijdvak waarin je met geleend geld, gebietst van rijkere vrienden, in hotels kon resideren (zoals ik een verstekeling ben aan boord van een cruiseschip, waar alleen mijn verstand is uitgenodigd)… In een hotelkamer met een Venetiaans moriaantafeltje, roze lampenkapjes en antieke gravures kon je je typemachine neerzetten.

We zijn wat we kwijt zijn – tot er een wonderrabbi opstaat die de rivier gebiedt de andere kant op te stromen.

Donderdag (koeler)

De buurkinderen vinden het te koud voor hun opblaasbad en dus kan ik me rustig concentreren op de autobiografie van Charles Darwin. Vooral het hoofdstuk over ‘religious beliefs’ is interessant. Zijn vader en een broer waren atheïst en volgens de orthodoxen dus zo rijp voor de hel als broodjes voor de oven. Hij noemt dat soort calvinisme een ‘damnable doctrine’. Mooi, nu kunnen hij en ik door één deur, die toegang geeft tot…

Maar kijk, nu is er een vlinder op het gras geland, een schoenlappertje, schitterend productje van de evolutie, een compositie van ragfijne changeantzijde, rood, zwart, het bleekst denkbare geel, met twee starre blauwpaarse ogen om de vijand af te schrikken… maar wat is dat bruine hoopje aarde, zijn behaaglijke plekje in de zon, is dat niet een hondendrol? Stront: mijn vlinder zit op stront, ongetwijfeld om een metafoor te vormen… begrijpt u wel?

Die deur, intussen, geeft toegang tot de twijfel. Ook de grote opa van de evolutieleer twijfelt en ik twijfel met hem mee, al was het maar omdat hij zo aardig is en op foto’s de schedel van een mensaap heeft en omdat een bezoek aan zijn huis bij Londen ons indertijd zoveel plezier heeft verschaft. Kan het menselijke brein, gegeven onze uiterst primitieve herkomst, wel ‘grand conclusions’ over de oorsprong van alles trekken? Dat vraagt hij zich af en daarna noemt hij zich een agnosticus.

Zaterdag 15 augustus 2020

Vandaag wordt mijn vader honderd –van die honderd jaar is hij er tien dood.

Ik denk aan hem bij Downton Abbey: in de aflevering die we bekijken wordt het hulpeloze conservatisme van de tot ondergang gedoemde landadel in een scène van twee minuten verbeeld zonder belachelijk te worden gemaakt.

Er moet geld worden opgehaald voor een hospitaal en voor het eerst wordt het enorme huis opengesteld voor het publiek. Jaren twintig: de National Trust, die als een grote theemuts de Britse geschiedenis warmhoudt, bestaat al en wat we zien is een voorafschaduwing van de huidige toestand, waarin honderden landhuizen met meubilair, spook en al zijn overgenomen – in het geval van Churchill is ook zijn laatste gemorste sigarenas bewaard en zijn laatste kegel geconserveerd.

Milord en Milady en de vruchten van hun verbintenis snappen helemaal niet wat er nu aan hun huis te zien valt, en ze kennen hun eigen huis ook niet, want wat er nu allemaal precies op de buffetten aan porselein staat en aan olieverf tegen de wanden hangt… ‘Dat is geloof ik een Reynolds,’ zegt Milady tegen een schare dorpsbewoners die met open monden in de hal staan.

Lord Grantham kan niemand verwelkomen: de edelman ligt onder kranten en een dienblad met ontbijt te herstellen van een maagzweeroperatie (hij ligt hier nog wel even te lezen, een exemplaar van The Times uit 1925 meet een vierkante furlong). Dan stapt er een ontsnapt jongetje zijn slaapkamer binnen, het vranke kind van een van zijn pachters. En het volk vraagt zonder omwegen waarom de aristocratie in zo’n groot huis woont.

‘Ik weet het niet,’ zegt de eigenaar van de heerlijkheid.
‘Een gewoon huis is toch gezelliger?’ zegt het gepeupel.

En dan volgt die sublieme definitie van conservatisme: ‘I suppose we all like what we’re used to.’

Maandag 17 augustus

Wie zou mijn vader in die wereld zijn geweest? Welke aan hem analoge schim wandelt er in 1925 rond, toen hij zelf een kleuter in rijglaarsjes was?

Lord? Hij had er de snor en het Engels voor.
Butler? Zijn ouders dreven een sepia kapperszaak die gedoemd was met de wereldeconomie in te storten.
Varkensboer? Hij zou een opruiend pamflet tegen de heren hebben geschreven.
Dorpsdominee, liefhebberend in poëzie, sterrenkunde of botanie, naar wie een variant uit het geslacht Althaea rosa zou zijn genoemd, of anders wel een ster in het sterrenbeeld Slangendrager, een deel van het Britse Rijk op zes lichtjaren van Engeland?

Ik moet het hem toch eens vragen.

Dinsdag

Verder maar weer, stroomopwaarts.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.