JavaScript is required for this website to work.
BINNENLAND

Heilig Cahier

Dagboekaantekeningen (112)

NieuwsBenno Barnard9/2/2025Leestijd 6 minuten

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Neem zelf ook een abonnement en lees alle plus-artikelen én ons driemaandelijks magazine.

Ik neem ook een abonnement

Dinsdag 31 december
Etentje bij Judy en Steve. We zijn met de aan hun tafel gebruikelijke gasten – Duncan, Gary, Darryl, Vivien, John, Poppy en ik – en genieten het voordeel van onze gebruikelijkheid: we hoeven ons niet op te prikken en in de voortdurend verstarrende beweging van welopgevoede Engelsen naar elkaar over te buigen om een volstrekt oninteressante anekdote aan te horen van Lucia Riseholme of Susan Wyse MBE, of andere personages van E.F. Benson. ‘We’re all Members of the British Empire’, verklaart John, ‘of wat ervan overschiet.’

…doden kloppen tegen de binnenkant van het deksel, bruiden raken maar niet deugdelijk ontmaagd, in de boekhoudkundige tabellen vertienvoudigen uit inktvlekken gegroeide komma’s de geldbedragen…

Bedroefd staar ik naar een denkbeeldige globe, waarop de resterende rotspartijen die aan de Britse kroon toebehoren, Pitcairn, Sint-Helena, Montserrat en de rest, over het immense blauw van de oceaan liggen verstrooid, als de keutels van een muis.
Onopgeprikt, niet verstijfd in rok, kunnen we roddelen over Owen, die volgens Steve, lid van de kerkraad, ook van de administratie een puinhoop heeft gemaakt. Begrafenissen zijn niet geregistreerd, van bruiden en bruidegommen ontbreekt de geboortedatum, verslagen ontbreken – doden kloppen tegen de binnenkant van het deksel, bruiden raken maar niet deugdelijk ontmaagd, in de boekhoudkundige tabellen vertienvoudigen uit inktvlekken gegroeide komma’s de geldbedragen… Heel deze schilderachtige ruïne wekt verbijstering en ontlokt lacherige commentaren.
‘Tegen ons zei hij dat Sue incompetent was’, zegt Poppy.
‘Sue is incompetent’, zegt Judy sans MBE, ‘maar ze doet al drie jaar de boeken niet meer.’
‘Daarvan gesproken’, zegt John, die beweert dat hij zijn Kousenband in een la bewaart maar hem niet kan terugvinden, ‘Trish is een dyslectische koe. Ze doet de opmaak van het parochieblad en ik moest de vorige keer alles opnieuw doen.’
‘Weten jullie wat Owen in zijn laatste stukje voor het parochieblad schrijft’, zeg ik, schildknaap van de geestesadel (ik ben verantwoordelijk voor de inhoud van het periodiek). ‘Hij wiegt je eerst in slaap met zijn gebruikelijke vrome praat en dan slaat hij ineens zijn klauwen uit. ‘‘Vrienden, het ga jullie goed, maar pas op voor de wolven in jullie midden.’’ Het verschijnt in het februariummer.’
Rumoer. Ik leun tevreden achterover: ik zat me er al de hele avond op te verheugen de vertrekkende zwartrok met dit citaat te bekladden. Maar achter mijn tevredenheid, zoetig verlicht door de guirlandes van kerstlichtjes die door het vertrek heen zijn geweven, ontstaat een schaduw – achter mijn stoel verrijst het zwijgende feit dat ik Owen belachelijk maak uit gemakzucht, uit verlangen naar succes onder mijn vrienden… Die dikke man, die uit een ongelukkig kind te voorschijn is gekomen, dat zijn hele schoolleven lang is gepest en dat ik nu ook pest.

Achteraf
Mijn spot is de livreiknecht van mijn ernst. Maar je moet voorzichtig zijn met je personeelsbeleid.

Nieuwjaarsdag 2025 (een woensdag)
Het is 1 minuut over 12 en Christopher zou bellen; de secondewijzer van mijn horloge snijdt traag een nieuwe schel tijd af, 2 over, 5 over, en wanneer ik om kwart over twaalf ben volgelopen met de angst die me nu al acht jaar telkens weer besluipt, de angst dat er iets mis is, neem ik de telefoon en bel zelf met Christopher. Goddank neemt hij meteen op. ‘Je zou toch bellen?’
‘Gelukkig Nieuwjaar, papa!’
‘Gelukkig Nieuwjaar. Waarom belde je niet?’
Ik hoor knallen en gejoel. ‘We zijn bij vrienden en het is hier een gekkenhuis…’
Gelach. Op de achtergrond tjirpt het Vogeltje: ‘Should auld acquaintance be forgot…’

Zondag 5 januari

Bij een Indiër naast het stationnetje even buiten Northiam, aan de stoomspoorlijn tussen Bodiam en Tenterden. Mist hangt in klamme arabesken boven het afwerende zwarte water van de Rother, die tot stilstand is gekomen achter het spoor. Binnen is het warm, koud, lawaaierig, rustig, kitscherig, smaakvol, gezellig en ongezellig. Ik trek mijn trui uit; Poppy rilt. ‘Waar wij zijn is het toch gezellig?’, zegt Oliver, die hier net als wij nooit eerder is geweest.
‘Ik vind de lichtjes zo mooi’, zegt Corren (4), terwijl een regenboog van sprankelende kitsch telkens in haar ogen oplicht en dan weer uitdooft, ad infinitum.

Hun ouders zijn een generatie jonger dan wij, maar negeren het leeftijdsverschil zoals je voorwendt iemands schele blik niet op te merken

Laurie (7) kijkt met een half geopende mond van verbazing naar een groep luidruchtige kerels twee tafels verderop. Het is een kwetsbaar kind, introvert, verlegen, het tegendeel van zijn babbelzieke zus, een kleine dromerige naturalist, met rossig haar en de bijbehorende sproeten, die de voorbije zomers blijk gaf van een studieuze belangstelling voor amfibieën. Hun ouders zijn een generatie jonger dan wij, maar negeren het leeftijdsverschil zoals je voorwendt iemands schele blik niet op te merken.
We eten en kletsen. Laurie kijkt naar de mannen, die zitten te schransen, luistert naar hun luidruchtige gepraat en fluistert: ‘Dad, waarom laten ze zoveel letters weg?’
Ik kijk naar het afzichtelijk stucwerk, waarin de builenpest woedt. Door de karikaturale muur stappen we naar buiten met twee halfslapende kinderen. Ik wou dat ze mijn kleinkinderen waren, al zou ik Christopher nu ook weer niet voor Oliver willen ruilen. Tegen de zoom van de nacht stijgen de oncontroleerbare wilde mistslierten op als kosmische wingerd.

Maandag 6 januari 2025
Poppy vertrekt naar haar werk in Brussel.
Ik wandel met Sammie en lees. Zo lees ik in de commentaren op een artikel van mijn hand online: ‘Stijl is enkel het inpakpapier om een idee verkocht te krijgen.’
Deze domme opvatting ga ik nu al jaren te lijf. Maar het is alsof je de muur ervan probeert te overtuigen dat hij zonder baksteen niet bestond. Nee, zegt de muur, mijn essentie is de scheiding van twee ruimten. De baksteen is bijkomstig.

’s Nachts
Kiespijn. Ik eet Dafalgan en deel het bed met een ijskompres.

Zondag 12 januari
Op Viviens jaarlijkse feest, dat de hele middag duurt, raak ik aan de praat met Jeff, die een roze hemd en een dito driedelig pak draagt, als een butler in het huishouden van een buitenissige homoseksuele miljonair, en bezig is een bord vol te laden met een kunstzinnige salade. We zien elkaar een keer per jaar bij Vivien: we hebben geen idee van elkaars leven. ‘Ben je getrouwd?’, vraag ik (alsof ik wereldvreemd ben).
‘Ben je gek’, zegt Jeff. ‘Een ouwe kunstnicht als ik?’
‘Partner dan?’
‘Darling, ik maal niet om vastigheid. Dat zit het schilderen maar in de weg. Expressie, weet je wel.’
Ja, dat weet ik wel.
‘Heb je mijn schilderij gezien?’
Er hangen vele schilderijen in Viviens huis. Boven elke sofa, ladekast, bijzettafel en fauteuil hangt een schilderij. Hoe meer ik kijk, hoe meer schilderijen ik zie: een universum van verf en linnen verzamelt zich om ons heen, dringt zich aan ons op… en ziedaar, in de woonkamer, waar we inmiddels zijn aanbeland, hangt het door Jeff geschilderde schilderij, een realistisch portret, dat een knappe jongeman voorstelt, wiens oogopslag zich aan de mijne hecht. Ik kijk naar hem en hij glimlacht terug; de rode verf van zijn volle lippen druppelt op de grond: onder mijn blik verliest het gezicht zijn samenhang en lost op in de substantie waaruit het is geschapen…
Heb ik soms per ongeluk paddenstoelen gegeten? Viviens feestbanketten zijn vermaard.
Verzenuwd draai ik me om en bots op Cormk, een ouwe muzikant, die ik me van de vorige jaren herinner. Hij heeft een lange grijze baard, die vijftig jaar geleden is gevlochten, een doolhof van knopen, en draagt een exotisch hoofddeksel. Met opgewonden gebaren begint hij zonder aanleiding te vertellen: hij is een Ier en als dusdanig katholiek (wat anders) en als kind moest hij biechten, maar omdat hij zonder zonden was, bedacht hij zelf maar wat zondigheid, gepruts met zijn piemel, weet je wel…
Precies dezelfde anekdote heb ik hem vorig jaar ook horen vertellen, en ook toen herinnerde ik me deze anekdote al van het jaar ervoor. Heeft hij een punt? Hij heeft een punt gekregen door het vaak genoeg te herhalen.
‘Feck!’ schreeuwt hij (half schreeuwend, half lachend), ‘Drink! Arse! Girls!’

Ik hoef geen paddenstoelen te eten om de wereld te ervaren alsof ik paddenstoelen heb gegeten.

Lichthoofdig rijd ik naar huis.

Zaterdag 18 januari
Vandaag is mijn opstel over het verband tussen de Confessiones en het moderne puritanisme in De Standaard verschenen. Goed zo.

De kern van mijn stelling is dat Augustinus vandaag ongetwijfeld hoogleraar psychologie zou zijn geweest. ‘Zeg maar Aurelius.’ Hij zou van het christendom zijn afgevallen, waar hij zo moeizaam op was geklommen, en nieuwe vormen van zondigheid hebben ontdekt. De formule van het moderne puritanisme is immers moralisme gebaseerd op schuldgevoel, een soort christendom dus, maar dan zonder God en liturgie.
Anders dan de hedendaagse intellectueel associeerde Augustinus zondigheid met seks, in plaats van kolonialisme, homofobie en dergelijke. Het lijkt wel of Augustinus op dat punt de moderniteit gedienstig de stok aanreikte om het christendom mee af te tuigen.
O, het beest met de twee ruggen! Zou die obsessie van Augustinus met onthechting te maken kunnen hebben met het sterven van de oude beschaving om hem heen? Ons tijdsgewricht omhelst zijn eigen ondergangsstemming, maar het heeft door zijn puritanisme een flinke dosis hedonisme geroerd, een terugkeer naar de toestand van voor de bekering, als het ware.
Drukken ons narcisme en getherapeutiseer en onze zoveelste partner niet onze decadentie uit? Is omgekeerd dat verlangen naar zuiverheid, die obsessie met correct eten en onschadelijke manieren om ons uit te drukken geen vorm van boetedoening? Onthult ons prijzenswaardige bewustzijn van historische misdaden niet dat we de erfzonde missen?
Enfin, een bescheiden bijdrage aan het ondermijnen van de tijdgeest, dus.

Zondag (theetijd)
Professor Torfs heeft het in een column over het Heilige Schrift. Dit irriteert me in dezelfde mate als het me vermaakt. Welk cahier zou hiermee bedoeld kunnen zijn? ‘Heilig Cahier’ is anders best een goeie titel.

Maandag 20 januari
De tweede inauguratie van Donald Trump, door zijn volgelingen gevierd als een wederkomst.
De straten vullen zich bij 12 graden onder nul met rode petjes. Het brood zal het volk moeten afwachten; de spelen van de nieuwe keizer bestaan uit bals en toespraken, die in zijn geval deel uitmaken van het vermaak.
Joe Biden verwelkomt hem vanaf het terras voor het Witte Huis met de woorden: ‘Welkom thuis.’
Hij veracht Trump; waarschijnlijk is hij tot een dergelijk zwierig, anti-pompeus gebaar in staat omdat hij de verkiezingen niet zelf heeft verloren.
‘Het is een even vrolijk als angstaanjagend feest’, zegt Christopher aan de telefoon – een oordeel in de vorm van een raadsel.
Zo zweeft ons intellectualisme vrijblijvend boven de feiten.

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.

Meer van Benno Barnard

Zondag 12 april Het is de sterfdag van mijn moeder. Ze ging op bed liggen – ‘Ik ben een beetje moe’, zei ze tegen mijn zus – en haar ogen braken. Dat is 31 jaar geleden. Ik was op bezoek bij Peter, die even buiten Lausanne in een zonnige kliniek lag te herstellen van zijn eerste hartoperatie. Het Meer van Genève …

Commentaren en reacties