Cultuur

Het gezin Van Paemel: Ontstaansgeschiedenis

Op zondag 25 januari 1903, ruim honderd jaar geleden, wordt in de Gentse zaal Choeurs, Feestlokaal van de Samenwerkende Vennootschap Maatschappij VOORUIT in de Bagattenstraat, het toneelstuk Het Gezin Van Paemel van Cyriel Buysse [1859-1932] voor het eerst opgevoerd. De organiserende toneelvereniging is de Gentse Multatulikring, een van de zovele indertijd bestaande Sport- & Cultuurverenigingen van de Belgische Werkliedenpartij [BWP*] – [* > zie noten] 

De weliswaar liberale maar Fransgezinde directie van de Gentse Vlaamse Schouwburg zag een eigen productie niet zitten. De taal was Vlaams [Oost-Vlaams – streek Afsnee-Deurle] en het stuk voldeed niet aan de literaire codes. De afwijzing toont aan dat het een omslag markeerde in de Vlaamse toneeltraditie waarin indertijd voor het naturalisme geen interesse bestond, eenvoudigweg omdat het ‘uit de mode’ was.

Het avondvullend stuk, door Buysse ‘mon drame paysan’ genoemd, werd voorafgegaan door een antiklerikale eenakter van Herman Heijermans [1864-1924] uit 1898, Puntje. Het is het verhaal van een katholieke vereniging waarvan de secretaris, arbeider in een chemische fabriek, de uitbuiting van de fabrieksbazen beu is en tot afgrijzen van de pastoor socialist wordt.

Het naturalisme bestond dus al in Nederland en dat dit met het stuk van Buysse ook het geval is vindt zijn oorsprong in zijn landelijk leven van de Leiestreek [Nevele/Afsnee/Deurle]. Hij werd er dagelijks geconfronteerd met de miserie van de boeren, zijn mindere klasse. Als overtuigd liberaal is hij namelijk niet blij als socialist te worden bestempeld. Tien jaar na de première in een interview zal hij dat onderstrepen: ‘U zult zeggen Het gezin Van Paemel is een socialistisch stuk, maar ik verzeker u dat het toevallig is en het zou net zo goed kunnen gebeuren dat ik een stuk schreef dat antisocialistisch was. Maar aangezien de mindere klasse mensen zijn die veel onrecht wordt aangedaan in de maatschappij voel ik mij daartoe meer aangetrokken.’ De sociale bezorgdheid van Cyriel Buysse heeft, kortweg gezegd, nooit een politieke dimensie. ‘Buysse is inderdaad geen socialist,’ mailde professor emeritus Herman Balthazar, als proeflezer van dit artikel, ‘maar hij was er, zoals vele progressieve liberalen sterk voor geïnteresseerd.’ Herman Heijermans daarentegen leunde wel dichter aan bij de Nederlandse SDAP.  Beide auteurs waren van gegoede klasse, hielden afstand van de simpele mensen – net als tijdgenoten Henrik Ibsen, Anton Tsjechov trouwens en Maksim Gorki [**] – maar zagen wel waar maatschappelijk het schoentje wrong.

Het kan niet beter 

Het voorprogramma kent veel succes, maar het stuk van Buysse slaat in als een bom. Het publiek is dolenthousiast, maar ook de auteur is verbaasd door de inleving van de acteurs en de reacties van het publiek. Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de Multatulikring zal Buysse in een bijdrage aan het feestprogramma schrijven: ‘Als de dag van gisteren herinner ik mij nog die eerste opvoering van Het gezin van Paemel, nu reeds zooveel jaren geleden. Het is voorzeker aan niet veel toneelschrijvers gegeven hun werk in de vertolking der acteurs sterker, intenser, kleurrijker een aangrijpender te zien leven, dan zij het in de drang hunner verbeelding geschapen hebben.’ Ook vriend Maurice Maeterlinck [***], aanwezig op de première, was zwaar onder de indruk, zoals blijkt uit de getuigenis van Buysse in dezelfde bijdrage: ‘Mijn oude vriend Maeterlinck, die naast mij zat, verklaarde mij: “Het kan niet beter; in het Théâtre Antoine, te Parijs, zoudt ge geen volmaakter spel bijwonen.”’

Algemeen gebruik

De vertolking was sterk door het groeiend sociaal bewustzijn van de brave, eenvoudige mensen van de maatschappij, maar bovendien omdat het stuk zelf zo sterk was. In de geschiedenis van het Vlaamse toneel is het tussen toen en nu nooit overtroffen. Ook niet door Hugo Claus. Diens beroemdste sociale drama is trouwens zwaar geïnspireerd, ja zelfs gebaseerd op een kort verhaal van Cyriel Buysse. Vrijdag uit 1969 vertelt het verhaal van een man die uit de gevangenis terugkeert, na een veroordeling tot twee jaar. De reden doet hier niet toe, wel dat het een noodlotsgegeven is rond drie mensen. Welnu, dat punt gaat ook op voor het eerste literaire succes van Cyriel Buysse, met het korte verhaal De biezenstekker uit 1890. Een man, Cloet, komt uit de gevangenis na een veroordeling wegens een bloedige vechtpartij, de zoveelste op rij, en vindt zijn vrouw terug en merkt wat merkwaardig:

‘Sta eens recht’ sprak hij haastig, met verkropte stem. Een hevig rood had haar kaaksbeenderen gekleurd en, op dit onverwacht bevel, scheen zij gansch ’t hoofd te verliezen. Zij maakte een beweging op haar stoel maar stond niet op. De kleinen, gapend en verschrikt, staarden beweegloos hunne ouders aan. ‘Eeiwel! … Zijt ge doof?…’ riep Cloet met nog vervaarlijker gelaat. En eensklaps, rond de tafel gaande, kwam hij zelf tot haar. Als onder eenen zweepslag sprong zij recht.’ Hij ziet dat zij zwanger is. 

Claus’ toneelstuk volgt een identieke verhaallijn. Tijdens de hechtenis van Georges heeft zijn vrouw, Jeanne, een verhouding met een buurman. Wat zich verder in het verhaal van Buysse en het toneelstuk van Claus afspeelt, is de ontwikkeling en de verwerking van de buitenechtelijke verhouding van de twee minnaars en, in mindere mate, het kind. Bij Buysse is de vrouw hoogzwanger, bij Claus is het kind kort voor de vrijlating van de man geboren. Zowel bij Buysse als bij Claus besluiten Cloet en Georges pas na het probleem van het ‘vreemde’ kind te hebben opgelost, opnieuw met hun vrouw naar bed te gaan.

Van de Leiestreek naar Den Haag en Amsterdam

Is Vrijdag van Hugo Claus leenrecht verschuldigd aan De Biezenstekker van Cyriel Buysse, ook Buysse was niet vies van leentjebuur spelen. Door de al eerder genoemde Conventie van Bern zijn de auteurs wel voorzichtiger geworden. Ze nemen, zoals aangetoond met Claus, niets meer klakkeloos over. Ze laten zich daarentegen zwaar inspireren door vrienden of voorgangers. Daar is niks fout mee. Het toont wel aan dat onderwerpen zich in varianten herhalen. Een mooi voorbeeld hiervan is Het Gezin Van Paemel.

Cyriel Buysse, zoals eerder al gezegd, woonde en werkte in de Leiestreek, maar verbleef soms weken of maanden in Den Haag. Zijn vriendin en latere echtgenote woonde er. Samen met haar was hij aanwezig op de première van Op hoop van zegen van zijn goede vriend Herman Heijermans (1864-1924). De eerste voorstelling ging door op 24 december 1900 in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam bij de Nederlandsche Tooneelvereeniging. Het werd een triomf. Vrij snel had het een afzetgebied in het buitenland gevonden. Producties werden opgezet in Berlijn, Moskou en Londen. Zelfs in Tokio werd het op het repertoire genomen. Algauw zat men met de oerproductie aan honderd voorstellingen en het succes zou blijven duren.  

Hetzelfde huis

Dankzij een grote kennis van zaken, zowel maatschappelijk als toneeltechnisch, ontwikkelde Heijermans zich tot de unieke auteur van het geëngageerde, actuele drama’s, naturalistisch voor zover de personages geheel overgenomen zijn in hun milieu, idealistisch voor zover de schrijver partij kiest tegen dwang, onrecht en verouderde levensverhoudingen.

Engagement en alertheid zoals Heijermans had, had Buysse dus ook. Dat wordt aangetoond door zijn enthousiasme na de première van Op hoop van zegen. Zo sterk was zijn geestdrift dat de gloed zich omzet in de wens om iets soortgelijks te schrijven. Het wordt, zoals vermeld in de eerste alinea, Het Gezin van Paemel. Gaat het in Op hoop van zegen over de ellende in het vissersbestaan, bij Buysse is de vissersschuit verruilt voor de boerderij. Tegen het decor van de economische crisis en het opkomende socialisme schetste Buysse de ondergang van het pachtersgezin Van Paemel. Een onwaarschijnlijke hoeveelheid ellende daalt neer over het gezin. Ziekte en dood, verkrachtingen, onechte kinderen, faillissement, invaliditeit – niets blijft ze bespaard. Vader Van Paemel reageert op iedere nieuwe catastrofe met zijn eeuwige antwoord: ‘An ‘t wirk, nondedzu! tot da’k er bij cravere.’ Zijn gelatenheid staat in schril contrast met het verzet van zijn kinderen, zodat in het gezin niet alleen een politieke strijd, maar ook een generatieconflict wordt uitgevochten. De halsstarrige en onredelijke boer heeft geen begrip voor de nieuwe denkbeelden van zijn kinderen, en bewerkstelligt zo zijn eigen isolement.

Is vader Van Paemel, de centrale figuur in Het gezin Van Paemel, in Op hoop van zegen is dat de vissersvrouw, Kniertje. Voor haar is er geen andere wereld denkbaar dan het vissersbestaan. Zij heeft al haar man en twee zonen verloren op zee. Na echter onder druk gezet te zijn door de reder, dwingt zij haar beide nog levende zonen aan te monsteren op de drijvende doodskist, want Op hoop van zegen, zoals het drijvend wrak heet. Die in een storm met man en muis vergaat, zodat zij kinderloos achterblijft.

Zelfs het slot van beide stukken treft eenzelfde sfeer. Eindigt dat van Heijermans op de spelaanwijzing: ‘… Een stilte. Kniertje zit onbewogen, smartelijk-versuft, mumt met de lippen, staat moeilijk op, strompelt het kantoor uit. Het geklos van haar klompen klinkt na in de stilte.’ Bij Buysse klinkt het als volgt (de boer is als vanouds bij opgekropte gevoelens hout aan het hakken): ‘Eduard af en Vader Van Paemel, hevig snikkend, weer gehurkt bij ’t hoopje brandhout.’
Beide hoofdpersonages leggen zich dus uit onmacht bij de situatie neer. Want de macht ligt in het beroemdste stuk van Heijermans bij de reder, bij Buysse bij de baron. Twee mensen uit de hogere klasse.

De derde man

Heeft Buysse min of meer leentjebuur gespeeld bij Heijermans, ook deze is niet ‘zonder zonden’. Kort na de première van Op hoop van zegen wordt Herman Heijermans beschuldigd van plagiaat door de Utrechtse prozaschrijver, journalist en schilder, de vrijwel in zijn eentje vertegenwoordiger van de Joodse letteren in Utrecht, Bernard Canter (1870-1956). Een driftige en rusteloze kerel. Al heel jong schreef hij literaire kritieken in Nederlandse bladen, week uit naar Parijs en Berlijn, keerde terug naar Nederland en werd toneelrecensent en redacteur Buitenland voor De Telegraaf. Maar ook daar vond zijn zitvlak geen passende kruk. Hij verhuisde met zijn pen naar andere bladen. Ondanks, of misschien dankzij zijn zwerversbestaan is hij de grondlegger van de sociale reportage in Nederland. In 1894 schrijft hij een artikel dat niet onopgemerkt blijft. Het gaat over de misstanden in de haringvloot. De titel luidt: ‘Een droomer ter haringvangst’. Is dit het oerverhaal van Op hoop van zegen? Canter vindt van wel en reageert op zijn manier. Als enige schrijft hij een vernietigende kritiek over het toneelstuk. Een aanklacht bij het rechtbank over letterdieverij is er wel geweest, maar het is niet tot een proces gekomen. Vermoedelijk omdat Canter gaandeweg tot het besef kwam dat hij als eenvoudige auteur, die allerlei toeren moest uithalen om van zijn pen te leven, niet op kon tegen de hogere status van de veel beroemdere, onder lauweren bedolven Heijermans.

Hoe dan ook, een journalistiek artikel is de inspiratiebron geweest voor Heijermans meesterwerk, en dat van de Nederlander voor het chef-d’oeuvre van Cyriel Buysse.

Noten:

* – In april 1885 vond een vergadering van 112 arbeiders plaats in een lokaal van het nog steeds bestaande café De Zwaan op de Grote Markt te Brussel (waar ook de Belgische afdeling van de Eerste Internationale bijeenkwam en waar Karl Marx destijds het Communistische Manifest had geschreven; plaquette op de gevel) en werd de Belgische Werkliedenpartij opgericht.

**  – Maksim Gorki zit niet alleen in de gist van Buysse’s toneel, maar ook in dat van Herman Heijermans. De beroemde schrijver heeft Gorki via een eenakter bedankt voor zijn invloed. Ahasverus werd ‘voor het eerst opgevoerd op 18 mei 1893 in het “Salon des Variétés” in Den Haag. De handeling heeft plaats in een klein gehucht van Nizhni-Novgorod.’ De lijst van Dramatis Personae completeert de adoratie. Karolyk, de moeder; Petrushka, de grootmoeder; Kasja, de meid; Petroff; Battushka, pope; een hoofdman; kozakken.

*** – Maurice Maeterlinck [1862-1949] – Nobelprijs voor literatuur 1911 – Behoorde tot de Franstalige Gentse bourgeoisie – raadde Buysse aan in het Vlaams te schrijven, omdat zijn Frans niet deugde en om nog een andere reden: ‘Sans toi, je crois bien que j’oublierais complètement le flamand.’ Na de première schreef hij aan Buysse: ‘Quel dommage qu’il soit intraduisible! Il serait impossible de transponer, même dans un patois français, la saveur de ce dialogue.’
De diepe band tussen Maeterlinck en Buysse wordt bevestigd de eerste n.a.v. een ‘Huldebetoon Cyriel Buysse’ op zondag 9 april 1911 op het Antwerps stadhuis, n.a.v. de verschijning van diens roman Het Ezelken. Hij is niet aanwezig maar heeft zijn oratio opgestuurd. Het wordt voorgelezen door Louis Franck, volksvertegenwoordiger en voorzitter van het inrichtend comité, waarvan het begin en de slotzin wordt geplukt: ‘Je place mon vieil ami Buysse parmi les trois ou quatre grands conteurs rustiques de ces cinquante dernières années. C’est notre Maupassant, … Toute la Flandre est en lui, vivante et immortelle.’

 

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans

[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]