fbpx


Binnenland
Eric Ponette

Hoe relativeer je de transfers?

Eric Ponette zet alle mechanisme op een rij


Een geldtransfer van het ene gewest naar een ander binnen een bepaald land is het bedrag dat een gewest meer of minder krijgt dan het zou krijgen, wanneer zijn aandeel in de uitgaven van de overheid gelijk zou zijn aan zijn bijdrage tot de inkomsten van die overheid in een bepaalde sector. Als een gewest meer krijgt dan het zelf bijdraagt, spreekt men dus over een transfer naar dat gewest, en wanneer een gewest meer bijdraagt dan het krijgt, spreekt men over een transfer vanuit dat gewest.

Binnen België verlopen die transfers hoofdzakelijk via 4 kanalen: de federale begroting, de dotaties aan gemeenschappen en gewesten op basis van de bijzondere financieringswet (BFW), de Sociale zekerheid (SZ) en de intrestlasten op de federale overheidsschuld. Sommige auteurs bestuderen de vier kanalen samen, andere beperken zich tot de studie van enkele kanalen of van slechts één kanaal.

1. Reductie

Er zijn talloze manieren om het bedrag van de geldtransfers te reduceren. De voornaamste reden waarom door verschillende instanties niet steeds hetzelfde transferbedrag wordt vermeld, is dat er in beknopte mededelingen of in discussies niet altijd gezegd wordt over welk transferkanaal (of kanalen) men het heeft.
Het is dus belangrijk bij elk vermeld transferbedrag na te gaan of het gaat om één, meerdere of alle transferkanalen samen. Zo lazen we bijvoorbeeld recent de titel “Solidariteit met Walen kost Vlaanderen 1,2 miljard euro” (Knack.be, 13.01.12). Het ging over een studie van het “Centre de recherche et d’information socio-politiques” (CRISP) over het jaar 2010. Door de titel werd, wellicht ongewild, de indruk gewekt dat het gaat om het totale transferbedrag. Bij nader inzien ging het slechts om één transferkanaal van de vier: de dotaties aan gemeenschappen en gewesten via de BFW.
Een tweede techniek bestaat erin de discussie over de geldtransfers te reduceren tot verschillen in uitgaven tussen Vlaanderen en Wallonië en waarbij dus niet gesproken wordt over de inkomstenverschillen.

Een eerste voorbeeld daarvan is de studie van de Christelijke Mutualiteiten (CM) over de uitgaven in de sector van de ziektekostenverzekering bij de CM-leden gerealiseerd in het jaar 2001. Uit die cijfers kan men wel afleiden dat de uitgaven in Wallonië per CM-lid 6,74 % hoger liggen dan in Vlaanderen, doch aangezien de studie geen cijfers geeft over de bijdragen van beide gewesten aan de ziektekostenverzekering, is berekening van de transfers niet mogelijk. Wanneer men beseft dat de Vlaamse bijdragen in de SZ ongeveer 20 % hoger liggen dan de Waalse, begrijpt men goed het belang van deze parameter voor de geldtransfers. Blijkbaar wordt er in de studie van de CM en de volgende twee voorbeelden van uitgegaan dat de hogere Vlaamse bijdragen vanzelfsprekende solidariteit zijn.

Een tweede voorbeeld zijn de cijfers die minister Rudy Demotte vrijgaf over de uitgaven voor gezondheidszorgen voor de ganse bevolking gerealiseerd in het jaar 2002. Ook daaruit kan men afleiden wat het Waals-Vlaams uitgavenverschil is, in casu 2,85 % per hoofd, doch ook hier is de berekening van het transfer niet mogelijk bij gebrek aan bijdragencijfers. Noteer bovendien dat de minister zelf zegt dat hij 20,86 % van deze uitgaven niet gewestelijk kan lokaliseren, hierbij verwijzend naar de ziekenfondsen.

Een derde voorbeeld is de studie van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) over de uitgaven voor de ziektekostenverzekering gerealiseerd in het jaar 2006. Wallonië geeft per hoofd 2,32 % meer uit dan Vlaanderen, doch ook hier ontbreekt elke verwijzing naar de bijdragencijfers.

Een derde techniek bestaat erin een onvolledige opsomming van de uitgaven te geven. Een voorbeeld daarvan werd hogerop reeds gegeven in de cijfers die door R. Demotte werden verstrekt. Doch in meerdere studies, onder meer in die van het RIZIV over het jaar 2006, wordt de melding van de Waals-Vlaamse uitgavenverschillen beperkt tot die voor de geneeskundige verzorging en worden de vervangingsinkomens voor invaliditeit in de studie niet opgenomen. Die uitkeringen zijn in Wallonië nochtans per hoofd 10 % hoger dan in Vlaanderen.

Een vierde techniek bestaat erin de echte uitgavencijfers te vervangen door “gecorrigeerde” cijfers via het statistisch invoeren van variabelen die een invloed kunnen hebben op de uitgaven, hetgeen standaardisatie wordt genoemd. Zo werd in de RIZIV-studie over 2006 na standaardisatie voor 4 groepen factoren (leeftijd, geslacht, “voorkeurstatuut tegemoetkoming” en het behoren tot het “algemeen stelsel” of het stelsel van “zelfstandigen” en “religieuze ordes”) berekend dat, in tegenstelling tot de echte cijfers (meeruitgave van 2,32 % in Wallonië), Vlaanderen per hoofd 0,43 % meer uitgeeft dan Wallonië.

Tijdens een VRT-uitzending op 26 oktober 2009 noemde RIZIVtopambtenaar Ri De Ridder dat: “de cijfers met een andere bril bekijken”. Wanneer we echter standaardiseren voor enkel leeftijd en geslacht, is de kost in Wallonië 4 % hoger dan in Vlaanderen. De resultaten worden dus duidelijk beïnvloed door de ingevoerde parameters.

Die techniek werd reeds eerder toegepast door toenmalig secretaris-generaal van het ministerie van Arbeid Michel Jadot, voorzitter van de Algemene Raad van het RIZIV, die in de jaren ’90 vier rapporten publiceerde over de uitgaven in de ziektekostenverzekering in en binnen de drie gewesten. Hij gaf bovendien de opdracht aan een team van onderzoekers van de ULB en de KU Leuven om die uitgavencijfers te bekijken door de bril van een aantal factoren die aanleiding kunnen geven tot verschillende verbruiksprofielen. Dat team, dat reeds eerder studies uitvoerde om het geld “naar behoeften” te verdelen over de ziekenfondsen, voerde in de uitgavencijfers van de gewesten correctiecoëfficiënten in op basis van meerdere parameters met betrekking tot demografie, sociaaleconomische kenmerken van de rechthebbenden, gezondheidstoestand, sociaaleconomische omgeving, enz…Zo presenteerden zij naast de echte uitgavencijfers ook “gecorrigeerde” cijfers. Journalist Guy Tegenbos kreeg vóór de publicatie van het vierde rapport Jadot inzage in de uitgavencijfers van het jaar 1996 en toonde aan dat het onderzoeksteam van Jadot een Vlaamse onderconsumptie (t.o.v. het Belgisch gemiddelde) van 8,5 miljard frank en een Waalse overconsumptie van 3 miljard frank omtoverde tot een Vlaamse overconsumptie van 1,35 miljard frank en een Waalse onderconsumptie van 1,36 miljard frank (De Standaard, 18.02.98). Er is dus niets nieuws onder de zon in de wereld van de “Spielerei” met virtuele cijfers die men tracht te laten vertellen wat men wil.

De ultieme vorm van reductie is de negatie, doch die komt eerder zelden voor. Zo ontkent Prof. Koen Schoors (Economie UGent) het bestaan van Vlaams-Waalse geldtransfers behalve die via het kanaal van de BFW (De Tijd 04.06.11), goed voor een goede 1 miljard euro volgens VIVES van de KU Leuven. Confrontatie met de woorden van premier Di Rupo “Het noorden … is solidair met de 3,2 miljoen Walen, onder meer op het vlak van sociale zekerheid en gezondheidszorg en dat voor zeven miljard euro per jaar” kan wellicht helend werken.

2. Etikettering

Een andere tactiek om de geldtransfers te relativeren bestaat erin op een bepaald transferkanaal, of een onderdeel ervan, het etiket “gerechtvaardigd” te plakken. Dat is onder meer het geval met de Waals-Vlaamse uitgavenverschillen door de hogere werkloosheidsgraad in Wallonië, die aan Franstalige kant beschouwd worden als vanzelfsprekende door Vlaanderen te aanvaarden solidariteit. Men kan daarop antwoorden dat de hogere Waalse werkloosheidsgraad weliswaar dikwijls geen individuele doch wel een collectieve Waalse verantwoordelijkheid is. Volgens een nota van het “Centre d’études politiques, économiques et sociales” (CEPESS), is de economische achterstand van Wallonië hoofdzakelijk te wijten aan een gebrek aan dynamisme; het verdwijnen van de delfstoffenindustrie zou daarin slechts “een uiterst zwak belang” hebben (De Standaard 18.09.96).

Een andere sector, waarin de hogere Waalse uitgaven door de Franstaligen als gerechtvaardigd, en dus als vanzelfsprekende Vlaamse solidariteit worden aanzien, is die van de invaliditeit (uitgaven: + 11 % in 2007) en de beroepsziekten (aantal beroepszieken: + 151 % in 2007). Hierbij kan echter de vraag gesteld worden of de criteria om de status en graad van invaliditeit en de status van beroepsziekte toe te kennen, dezelfde zijn in Vlaanderen en Wallonië.

3. Mist spuien

Er zijn nog andere technieken om de vis te verdrinken, onder meer de stelling dat geldtransfers niet enkel tussen Vlaanderen en Wallonië voorkomen doch ook tussen andere regio’s in België evenals binnen andere landen. Daardoor worden de VlaamsWaalse geldtransfers als een banaal, bijna normaal, verschijnsel voorgesteld. Zo poneerde Michel Jadot ter gelegenheid van zijn derde rapport over de uitgaven in de ziektekostenverzekering in 1994 dat er een oplopende uitgavengradiënt was van het oosten naar het westen van België, hetgeen in de media verwoord werd als een “transfer van oost naar west” (De Standaard 26.01.96).

Meer recent publiceerde Prof. Bea Cantillon (UA) een studie met als besluit dat er vooral een afnemende inkomensgradiënt is van de Vlaamse ruit en Waals-Brabant naar de rest van België. Die studies gaan echter voorbij aan het feit dat Vlaanderen en Wallonië, zowel qua gewest als gemeenschap, door de grondwet vastgelegde politieke entiteiten met eigen regeringen zijn, wat niet het geval is met West- en Oost-België of met centraal en perifeer België.
Er wordt ook meermaals verwezen naar geldtransfers in andere landen, onder meer van West- naar Oost-Duitsland. Uit de vergelijking van de cijfers blijkt echter dat het transfer van Vlaanderen naar Wallonië en Brussel 5,9 % van het Vlaams bruto regionaal product (BRP) bedraagt tegenover 4 % van het West-Duitse bruto binnenlands product (BBP) voor de transfers van West- naar Oost-Duitsland.

4. Culpabilisering

4.1 De meest agressieve tactiek, die door tegenstanders van Vlaamse autonomie wordt gebruikt, is de stelling dat het in vraag stellen van de geldtransfers een egoïstische houding is. Dat verwijt kan gemakkelijk weerlegd worden. Vooreerst verloopt solidariteit in concentrische kringen: van gezin en familie over wijk, gemeente of stad, volksgemeenschap of deelstaat, staat, Europese Unie (EU) tot de wereld. “Het hemd is nader dan de rok.” Verder berust solidariteit op vrijwilligheid. Toen de SZ kort na de tweede wereldoorlog verder werd uitgebouwd, was die basis blijkbaar aanwezig. Intussen zijn we 55 jaar verder en evolueerden Vlaanderen en Wallonië meer en meer naar afzonderlijke, gedeeltelijk autonome, naties en wordt het eenrichtingsverkeer van de grote geldstromen in Vlaanderen meer en meer als onrechtvaardig aangevoeld. Prof. Ludo Abicht formuleerde het zo: “Want solidariteit die niet op vrijwilligheid berust zal vroeg of laat, en voor wie de politieke actualiteit volgt eerder vroeger, door de meerderheid van de Vlaamse bevolking als onaanvaardbaar want intrinsiek onrechtvaardig worden aangevoeld …” (L. Abicht: Geen solidariteit zonder soevereiniteit, Naar een Vlaamse Sociale Zekerheid en Fiscaliteit, Uitgave AK-VSZ, juli 1998 (www.akvsz.org)).

Door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen zijn Vlaanderen en Wallonië in principe bevoegd geworden voor het gezondheidsbeleid, voor het gezinsbeleid, voor het bejaardenbeleid en voor belangrijke elementen die met arbeid te maken hebben, namelijk het economisch beleid, de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding. Het ligt in de lijn van de logische verwachtingen dat de SZ-sectoren, die de hefbomen zouden moeten zijn voor die verschillende beleidsvormen en nu nog grotendeels in de handen van de federale regering gebleven zijn, naar de deelstaten zullen overgeheveld worden. Na die overheveling zal de interpersoonlijke solidariteit dan georganiseerd worden op het niveau van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap.

De financiële solidariteit tussen de gemeenschappen zal dan op een onderhandelde basis worden ingericht: dan pas zullen de randvoorwaarden van vrijwilligheid en democratische inspraak gegarandeerd zijn. Ludo Abicht verwoordde die voorwaarde als “Geen solidariteit zonder soevereiniteit”. Doch solidariteit veronderstelt ook verantwoordelijkheidszin van de gever. Nu de vergrijzing in Vlaanderen harder toeslaat dan in Wallonië kan men zich afvragen of Vlaanderen het zich nog kan veroorloven jaarlijks 5,9 % van zijn BRP, hetzij bijna 1.900 euro per inwoner, weg te schenken.

In Vlaanderen wonen vandaag 69.000 ouderen in woonzorgcentra. Volgens minister Jo Vandeurzen zal er, als gevolg van de snellere vergrijzing in Vlaanderen, concreet nood zijn aan 2.000 extra woongelegenheden per jaar (Medinews.be 22.12.11). Dat betekent 20.000 bijkomende rusthuisbedden in de eerstvolgende tien jaar. Concreet komt dat neer op 166 bijkomende bedden, of ongeveer drie bijkomende rusthuizen van gemiddelde grootte, elke maand tot 2021. Om die doelstelling te halen, zal de uitbouw dubbel zo snel moeten verlopen als in de laatste twee decennia (De Standaard 14.06.11). De bouw van rusthuizen komt nu reeds hoofdzakelijk ten koste van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA). En de werkingskosten zullen, naast de bijdragen van de inwoners, door de komende staatshervorming eveneens ten laste van de Vlaamse overheid vallen. Vandaar de stelling van Prof. Erik Buyst (VIVES, KU Leuven): “Bovendien mag men niet vergeten dat Vlaanderen, zelfs als het dat wil, die transfers niet zal kunnen blijven financieren als gevolg van de vergrijzingskosten (Knack 01.12.10).

Er zijn trouwens nog andere dringende Vlaamse noden, zoals de 22.055 personen met een handicap die nu op een wachtlijst staan voor een plaats in de gehandicaptenzorg en waarvoor minister Jo Vandeurzen op dit ogenblik een oplossing zoekt.

Verder veronderstelt solidariteit ook verantwoordelijkheidszin van de ontvanger. De verwachting dat de geldtransfers Wallonië uit het slop zouden helpen en zouden worden omgezet in duurzame Waalse groei werd echter niet ingelost: ze hebben integendeel een hangmateffect. De belangrijke kloof in werkloosheidsgraad en werkgelegenheidsgraad tussen Vlaanderen en Wallonië blijft desondanks bestaan. En dat is nu juist de voornaamste oorzaak van de geldtransfers via de SZ van Vlaanderen naar Wallonië.

Jaren geleden waren sommige Waalse socialistische prominenten zich reeds bewust van het probleem. De inmiddels overleden ex-vakbondsman Jacques Yerna verklaarde in een interview: “De politici hebben bewezen dat ze die bevoegdheden kunnen aanwenden voor persoonlijke voordelen of voor cliëntilisme. Maar om een coherent en toekomstgericht programma van de regio op te zetten hebben ze hun macht nooit gebruikt” (Financieel Economische Tijd 12.08.97). Ook voormalig, eveneens overleden, PS-topman Alain Van der Biest bekende: “Eigenlijk is de PS nooit verder gekomen dan het beheer van de crisis, de vernieuwing van het Waals economisch weefsel is nooit aangepakt. Wij zijn blijven hangen bij de welvaartsstaat, vermindering van de werktijd, kortom het laisser-aller. Als er banen sneuvelden in de privé-sector, maakten wij er wel snel enkele honderden bij in de openbare. En in plaats van actie te voeren voor investeringen, lieten de vakbonden zich afkopen met twee frank meer per uur” (De Standaard Magazine 07.03.97).
Meer recent, in mei 2010, berekende een studie van het Vlaams Instituut voor Economie en Samenleving (VIVES) dat een vermindering van de interregionale verdeling met een derde, zou leiden tot een extra groeibonus van 0,30 percent punten per jaar in Vlaanderen, doch ook van 0,42 percent punten per jaar in Wallonië. Prof. Erik Buyst formuleert het zo: “Eigenlijk zit Wallonië in de val door die transfers … Wallonië heeft vooral investeringen in de economie nodig” (Knack 01.12.10).
Een recente studie van drie Franstalige economen verbonden aan de Luikse universiteit, Mathieu Lefebvre, Sergio Perelman en Pierre Pestieau, leidde tot een analoog besluit. Zij onderzochten voor het “Institut de recherches économiques et sociales” (IRES) het prestatievermogen van de Belgische verzorgingsstaat door een analyse van vijf sociale parameters: armoede, ongelijkheid, langdurige werkloosheid, voortijdige schoolverlaters en levensverwachting. Daaruit blijkt dat Vlaanderen in de kop van het Europese peloton zit, terwijl Wallonië helemaal in de staart belandt en dat de Vlaams-Waalse welzijnskloof tussen 2003 en 2009 verder toeneemt. En dit ondanks een sociaal opvangnet dat voor het hele land gelijk is en dus een nivellerend effect moet hebben. Dus moet er gesleuteld worden aan de Waalse economie, de Waalse arbeidsmarkt, de kwaliteit van het Waalse onderwijs en aan het Waalse leefpatroon (De Tijd 28.12.11/ De Standaard 29.12.11). Dat heet responsabilisering.

Tenslotte veronderstelt financiële solidariteit politieke loyaliteit van de ontvanger. Die politieke loyaliteit is echter ver te zoeken in Brussel, wanneer men vaststelt dat patiënten vaak niet in het Nederlands terecht kunnen in Brusselse ziekenhuizen en dat de toepassing van de taalwetten in Brussel hetzij onbestaande is, hetzij met grote weerzin verloopt. Politieke loyaliteit is nog verder zoek in de Vlaamse Rand rond Brussel en verder in Vlaams-Brabant, wanneer men vaststelt dat de meeste Franstalige inwijkelingen het vertikken zich aan te passen aan de taal van hun vrijwillig gekozen nieuwe woonplaats en dat de Franstalige partijen blijven aandringen op gebiedsuitbreiding van Brussel. Elk ander volk dan het Vlaamse zou in die omstandigheden de geldstroom onmiddellijk stoppen. Men spuwt toch niet in de hand van de gever.

De meeste Vlamingen zullen wel akkoord gaan om, na de splitsing van de SZ, de geldtransfers via die weg te vervangen door een onderhandelde voorwaardelijke solidariteit: transparant, resultaatsgebonden, bilateraal, degressief in de tijd en mits politieke loyaliteit.

4.2 Een tweede vorm van culpabilisering is het verwijt van Vlaamse ondankbaarheid. Vroeger, toen Wallonië welvarender was, zou de geldstroom omgekeerd, dus van Wallonië naar Vlaanderen gelopen hebben. Zo beweert onder meer PS-topman Paul Magnette (De Tijd 28.09.11).

Laten we die stelling retrograad chronologisch en zakelijk testen. De uitgebreide SZ zoals we die nu kennen, dateert pas van na de laatste wereldoorlog. Welnu, Prof. Paul Van Rompuy en zijn Leuvense collega’s, evenals anderen bestudeerden de periode vanaf 1975 en toonden continu transfers van Vlaanderen naar Wallonië aan. En de periode tussen 1955 en 1975, in haar geheel bekeken en bestudeerd door licentiaat economie Gerd Dottermans (KU Leuven), brengt ook alleen transfers aan het licht van Vlaanderen (en Brussel) naar Wallonië.

Vóór de laatste wereldoorlog was er ongetwijfeld tewerkstelling van Vlamingen in Waalse industriebekkens, doch die Vlamingen hebben actief bijgedragen tot de Waalse welstand en hebben zich op een loyale wijze in het nieuwe milieu geïntegreerd: de familienaam van menig Waals politicus liegt er niet om.

Prof. Juul Hannes (VUB en UGent) toonde aan dat Vlaanderen in de periode 1830-1914 zelf bedruipend was: het percentage afgedragen belastingen stemde in die periode namelijk overeen met het bevolkingspercentage. Anderzijds werd Vlaanderen in die periode door het Belgisch investeringsbeleid niet verwend: het percentage van de openbare investeringen (wegen, spoorwegen, waterwegen) in Vlaanderen was beduidend kleiner dan het bevolkingspercentage. In die periode van het economisch arme Vlaanderen was er dus geen geldstroom van Wallonië naar Vlaanderen.
4.3 Er is nog een derde vorm van culpabilisering: het verwijt van Vlaamse kleingeestigheid.
Vlaanderen zou te klein zijn voor een eigen SZ en voor zelfbestuur in het algemeen. Men vergeet dan wel dat 11 van de 27 EU-landen een kleiner aantal inwoners tellen dan Vlaanderen: Denemarken, Ierland, Finland, Luxemburg, Slowakije, Slovenië, Litouwen, Letland, Estland, Cyprus en Malta.

Een ander verwijt luidt dat we navelstaarders zijn en grootschalig Europees moeten denken. Samen met vele politici en andere opiniemakers meen ik dat de Europese lidstaten hun SZautonomie niet snel zullen opgeven. Hierbij enkele citaten om die stelling te staven. Wijlen Prof. Lode Van Outrive (KU Leuven): “Het is geenszins de bedoeling een doorgedreven harmonisatie van de sociale zekerheid in de Europese Gemeenschap voor te stellen. Dit is onmogelijk en waarschijnlijk onwenselijk” (, De Standaard 26.12.91). En journalist Paul Goossens: “Het sociaal beleid is en blijft een nationale bevoegdheid, en elk voorstel om daaraan te sleutelen botst bij elke verdragswijziging op de hardste veto’s. Veel meer dan rommelen in de marge zit er in de volgende decennia voor Europa niet in” (De Standaard 19.12.08). Tenslotte journalist Dirk De Wilde: “Sociale eenmaking is – alvast wat de voorspelbare toekomst betreft – onmogelijk. Ieder land is ervan overtuigd dat zijn sociaal model het beste is. En dat sociaal model zit meestal zo diep verweven in de maatschappij dat het zeer gevoelig ligt wanneer eraan geraakt wordt. Daardoor kon Europa de afgelopen decennia op sociaal vlak niet verder raken dan het formuleren van de kleinste gemene deler. En die is heel klein” (De Tijd 03.03.12).Terloops herinner ik eraan dat het totale transfer van de Belgische staat naar de EU kleiner is dan 0,50 % van het Belgisch BPP. Vergelijk dat getal met het transfer van 5,9 % van het Vlaamse Bruto Regionaal Product (BRP) naar Wallonië enBrussel.
Wat we wel kunnen verwachten is dat er een zekere harmonisering van de wetgeving zal ontstaan met bvb. akkoorden over minimumvoorzieningen voor de SZ in de EU, en dat er een beperkte interstatelijke financiële solidariteit voor de SZ zal georganiseerd worden.

5. Vreesaanjaging

Een laatste tactiek, gebruikt om de Vlaamse autonomisten de mond te snoeren over de geldtransfers uit Vlaanderen, is de stelling dat die transfers weldra zullen omkeren. Dit werd onder meer beweerd door toenmalig ACV-vakbondsleider Peirens (De Standaard 24.02.92) en oud-minister Willockx, gevolgd door een late echo van Prof. Jan Blommaert (Knack 22.12.10). Zij steunen zich hiervoor op de snellere vergrijzing van de Vlaamse bevolking in vergelijking met de Waalse. Die stelling wordt tegengesproken door simulatiestudies. Volgens de studie van Michel Dethée (SERV) zal, alleen rekening houdend met de demografische evolutie, het SZ-transfer in het jaar 2040 nog steeds in noord-zuid richting verlopen.

Ook de auteurs van de reeds vermelde KBC-groep komen tot een analoog besluit: “Onze berekeningen geven aan dat de snellere bevolkingsveroudering in Vlaanderen in 2000-2030, de transfers slechts tijdelijk zal verminderen tot 2010, waarop terug een stijging zal volgen. Enkel als Wallonië en Brussel erin slagen tussen 2000 en 2030 een inhaalbeweging te maken tot het Vlaamse niveau inzake werkgelegenheidsgraad, zouden de transfers duurzaam worden afgebouwd. Dit veronderstelt wel een drastische ommekeer van de tendens van de voorbije drie decennia.” De ABAFIM-studie van de Vlaamse Administratie komt tot hetzelfde besluit als dat van de KBC-groep. Ook Prof. Bea Cantillon bevestigt dat de sociale uitkeringen in 2050 in Wallonië nog steeds hoger zullen zijn dan in Vlaanderen.

Besluit

Wanneer we de stortvloed aan relativeringstechnieken van de geldstroom uit Vlaanderen analyseren, komen we automatisch tot het besluit dat de machten, die meer zelfbestuur voor Vlaanderen tegenwerken, daar grote belangen moeten bij hebben.Dat is vooreerst het geval voor de unitair gestructureerde vakbonden en traditionele mutualiteiten. Dat is ook het geval voor de Franstalige politici die in de geldtransfers via SZ en andere kanalen een gemakkelijk mechanisme zien op hun verantwoordelijkheid voor de Franse Gemeenschap te ontvluchten ten koste van de noden van de Vlaamse Gemeenschap.

Wat nog het meest tegen de borst stoot is dat de Franstalige politici desondanks niet het elementaire respect opbrengen voor de Vlaamse Gemeenschap in Brussel en Vlaams-Brabant, door het territorialiteitsbeginsel te negeren, door de taalwetten naast zich neer te leggen en door gezamenlijk Vlaams-Waals cobestuur van de hoofdstad Brussel te weigeren.
Dat gebrek aan Franstalige politieke loyaliteit en politieke solidariteit met de Vlaamse Gemeenschap zal door de Vlaamse politici hoe langer hoe minder verdragen worden en wordt een belangrijke hefboom voor Vlaams zelfbestuur met een eigen SZ. Het gaat om de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen.

Deze tekst verscheen in Periodiek het tijdschrift van het Vlaams Geneeskundigenverbond (www.vgv.be)

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Eric Ponette