JavaScript is required for this website to work.
post

Leve het vrije denken!

ColumnEric C. Hendriks3/4/2018Leestijd 9 minuten
Baruch Spinoza, een vrije denker.

Baruch Spinoza, een vrije denker.

foto © Reporters

Het advies van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) over academische vrijheid vermijdt de echte problemen.

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) publiceerde haar advies over vrijheid van wetenschapsbeoefening.

Ik nam begin vorig jaar deel aan de discussie over linkse bias en de buitensluiting van rechtse academici, waar de opdracht tot het KNAW-advies uit voortkwam. Pieter Duisenberg, toen VVD-kamerlid, inmiddels voorzitter van de Vereniging van Universiteiten, en ik stuurden gelijktijdig opiniestukken over dit onderwerp naar kranten. Duisenberg werd op dit spoor gezet door de rechtse filosoof en polemist Sid Lukkassen, die hem de islamkritische passages toonde die de leescommissie uit zijn proefschrift geschrapt had. Lukkassen, tevens VVD-raadslid in Duiven, bracht het hele zaakje aan het rollen. Eind 2016 had hij premier Rutte op de ALDE-conferentie voor Europese liberale partijen in Warsaw aangeklampt met zijn zorgen over de linkse censuurcultuur en werd toen doorverwezen naar Duisenberg. Terwijl Lukkassen en Duisenberg hun stukken op The Post Online plaatsten (28 januari, 6 februari), verscheen mijn stuk na enige vertraging in de NRC (12 februari 2017).

We stelden dat delen van de sociale- en geesteswetenschappen zulke homogene linkse bolwerken zijn, dat de intellectuele diversiteit en openheid er onder lijden. Mijn kritiek richt zich op postkolonialisme, cultural studies, gender studies en queer theory, disciplines die, naar mijn mening, zo overmatig en eenzijdig gepolitiseerd zijn, dat ze niet meer in staat zijn tot wetenschappelijke zelfreflectie.

Duisenbergs motie met Karin Straus (VVD) leidde uiteindelijk tot de KNAW-opdracht. Het KNAW hield de twee vragen van de motie aan: ‘of zelfcensuur en beperking van diversiteit van perspectieven in de wetenschap in Nederland een rol spelen’ en ‘hoe te allen tijde het vrije woord binnen de wetenschappelijke waarheidsvinding de ruimte zou moeten krijgen’.

Nou, wat is er uitgekomen? Het advies ziet geen structurele beperking van de wetenschappelijke vrijheid, maar roept wel op tot waakzaamheid voor beknellende schoolvorming en bespreekt de actuele gevaren van het gehamer op ‘maatschappelijke relevant’ onderzoek en de afhankelijkheid van geldschieters uit het bedrijfsleven.

Onvolledig

Het advies, opgesteld door vijf hoogleraren onder aanvoering van rechtsgeleerde en oud-sociaaldemocratisch senator Nico Schrijver, is integer en genuanceerd, maar toch is het cruciaal onvolledig. Het is onvolledig, omdat het de specifieke probleemdisciplines niet durft te identificeren. Het advies spreekt alleen in algemene bewoordingen over de potentiële gevaren van ‘vrijheidsbeperkende schoolvorming’. Bij deftige adviezen aan de overheid past een zekere terughoudendheid, maar in deze kwestie is het niet bespreken van specifieke disciplines een fatale omissie. Dat is omdat schadelijke ideologisering op Nederlandse universiteiten zich concentreert in een tal kleinere (deel)disciplines. Het grote probleem is níét dat de onderzoekers en docenten in die disciplines vaak GroenLinks stemmen, noch dat de sfeer er te linksig is, als dat gepaard gaat met afdoende professionaliteit en zelfreflectie, máár dat de genoemde disciplines zélf, in aanleg en essentie, politiek-ideologisch zijn.

Gender studies

Zo is de wetenschappelijk weerlegde, politieke doctrine dat alle – niet sommige, maar alle – sekse- en seksuele categorieën contingente sociale constructen zijn en geen biologische basis hebben, wat gender studies tot een eigen discipline maakt. De website van de UvA beschrijft gender studies als volgt: ‘Gender studies is evenals feministische literatuurkritiek geïnteresseerd in de manieren waarop “vrouwelijkheid” gedefinieerd wordt; het verschil tussen de twee benaderingen ligt hierin dat gender studies de nadruk legt op de constructie van alle sekse- en seksuele categorieën.’ Als je sekseverhoudingen bestudeert vanuit een wetenschappelijk in plaats van een radicaal feministisch perspectief, of analyseert waar socioculturele variabiliteit ophoudt en de biologische determinering begint, dan is dat al geen gender studies meer. Want gender studies wordt gedefinieerd door radicaal feminisme en anti-biologisme.

Postkolonialisme

Hetzelfde geldt voor postkolonialisme: al heb je decennia lang onderzoek gedaan naar de erfenis van westers kolonialisme, als je er geen eenduidig negatief oordeel over velt of je academische werk niet activistisch inzet, hoor je er niet bij. Wikipedia meldt dat postkolonialisme ‘ageert tegen het westerse kolonialisme en de overblijfselen daarvan na de dekolonisatie’. De UvA deelt postkolonialisme in onder ‘postkoloniale kritiek’. En die kritiek moet altijd neomarxistisch zijn en nooit liberaal. ‘Westers imperialisme’ is het nieuwe ‘kapitalisme’; het ‘gekoloniseerde subject’ is de nieuwe, te bevrijden ‘proletariër’. Als één van de drie wezenskenmerken van postkolonialisme noemt de UvA: ‘de afwijzing van het dominante discours van het westerse imperialisme waarbinnen het gekoloniseerde subject gemarginaliseerd wordt en het recht onthouden wordt op een eigen cultuur en identiteit.’ Je moet het met die hele trits eens zijn én vinden dat er nú ín westerse landen nog steeds iets is om te ‘dekoloniseren’, om tot de discipline te behoren.

Terwijl een econoom, filosoof, rechtsfilosoof of natuurkundige links of rechts, of gewoon apolitiek, kan zijn, moet je voor gender studies en postkolonialisme radicaal links zijn. Leidt dat binnen zulke ideologische bastions tot een vernauwing van de perspectieven? Ja. Buitensluitingen op politieke basis? Ja. En in reactie daarop: zelfcensuur van andersdenkenden? Ja. Maar de commissie brandt zich hier niet aan. Het advies besteedt geen aandacht aan de ideologische organisatie van disciplines zélf, maar heeft het alleen in algemene zin over ideeën en “lokale schoolvorming” bínnen disciplines.

Ideologische olievlek

Het advies stelt vervolgens vast dat de ‘diversiteit van ideeën niet noodzakelijkerwijs op het niveau van individuele onderzoeksgroepen hoeft te worden gerealiseerd; essentieel is dat diversiteit op landelijk niveau ontstaat en dat hoeft lokale schoolvorming dus niet in de weg te staan.’ Als de filosofiefaculteit van Universiteit X dol is op Duitse denkers, terwijl Universiteit Y zich op de Anglo-Amerikaanse analytische filosofie richt, hoeft dat dus geen belemmering voor de academische diversiteit op landelijke niveau te zijn. Een terechte observatie, maar ze raakt niet aan de problematiek van politisering. Bovendien zijn disciplines als gender studies en postkolonialisme overal ideologisch en op dezelfde manier. Het maakt niet uit op welke gender study-afdeling je leert dat het kapitalistische patriarchaat de mythe van de man-vrouw binariteit gebruikt om minderheden te onderdrukken, want je blijft in dezelfde ideologische olievlek rondzwemmen.

Toch bezit het advies een zekere ambivalentie, omdat het impliciet toch strategieën tegen de politisering van gehele disciplines lijkt formuleren. De door het advies geformuleerde strategieën tegen ‘ongewenste, vrijheidsbeperkende schoolvorming’ zijn namelijk ook toegesneden op geïdeologiseerde disciplines. Het advies pleit voor ‘voldoende externe inbreng van aanpalende disciplines bij de samenstelling van benoemingsadviescommissies’ en het stimuleren en ondersteunen van ‘wetenschappers om zich breed te ontwikkelen en ook onderzoekservaring op te doen bij andere kennisinstituten of in de beroepspraktijk’. Misschien dachten de commissieleden hierbij toch ook aan politiek-ideologische bubbeltjes, want die breek je inderdaad open door contact met andere disciplines, externe kennisinstituten en beroepspraktijken te forceren.

‘Maatschappelijke relevantie’ en de markt

Ondertussen identificeert het advies, naast het potentiële gevaar van excessieve schoolvorming, twee verdere en naar hun mening urgentere bedreigingen voor de wetenschappelijke autonomie: ten eerste kan de nadruk op maatschappelijk relevant onderzoek, de wetenschap de waan van de dag intrekken. Ten tweede kan de toegenomen afhankelijkheid van projectfinanciering voor onderzoek, ertoe leiden dat geldschieters van buiten de universiteit invloed uitoefenen op de onderzoeksconclusies. Denk bijvoorbeeld aan een farmaceutisch bedrijf dat medisch onderzoek op de universiteit financiert en belang heeft bij bepaalde uitkomsten.

Volgens het advies bedreigen beide de wetenschappelijke autonomie op een reëlere en meer structurele wijze dan iedere mogelijke politieke bias. Dat is wellicht waar voor het onderzoek, vooral in de bètawetenschappen, maar ik denk dat het academisch onderwijs een ander beeld oplevert. Bovendien zou het bestaan van grotere problemen niet betekenen dat het probleem van overmatige en eenzijdige ideologisering in delen van de sociale- en geesteswetenschappen, helemaal niet bestaat. Er zijn meerdere problemen tegelijkertijd. De wetenschappelijke autonomie moet namelijk staande worden gehouden tegenover verschillende soorten inmengingen en verstorende krachten. In de sociologie heten die ‘heteronomiseringen’.

Afhankelijkheid van de staatsbureaucratie
Het advies wil niet pretenderen een ‘alomvattende verkenning van het thema vrijheid in wetenschapsbeoefening te geven’, maar nu we toch al drie verschillende types van heteronomisering hebben zien langskomen, mag de echte grote boef niet ontbreken. Dat is de te diepe inbedding van de wetenschap in de staatsbureaucratie. De wetenschap bevindt zich in een afhankelijkheidsrelatie, een die haar onderwerpt aan staatsbureaucratische evaluatiecriteria, die ten dele haaks staan op een rein wetenschappelijke logica.

Dat moet ik uitleggen, want de staat is er toch juist om de wetenschappelijke autonomie te faciliteren? Het is inderdaad zo dat de wetenschap grotendeels uit belastinggeld wordt gefinancierd en zonder die financiële ondersteuning veel zwakker zou staan, vooral tegenover de grillen van de markt. Bovendien bemoeit de regering zich gelukkig niet met de inhoud van colleges en onderzoekspublicaties, wat autoritair zou zijn. De Nederlandse staat is daarom een grote steun, wellicht zelfs een netto-aanwinst voor de wetenschappelijke autonomie, maar haar bescherming heeft ook een prijs.

Die schuilt in het feit dat de staatsbureaucratie de kwaliteit van het onderzoek en onderwijs meet in kwantitatieve eenheden, die de kwaliteit uiteindelijk niet echt kunnen vatten, maar de illusie van een objectieve kwaliteitsmeting scheppen, één waar de wetenschap vervolgens wel op anticipeert. Dat schept een perverse dynamiek. Een voorbeeld is de dominante nadruk op papers in wetenschappelijke tijdschriften.

Veel meer dan vroeger, hangt je carrière als jong academicus af van hoeveel onderzoekspaper je in hooggerankte vaktijdschriften publiceert. Een belangrijke reden voor de verder oprukkende papergekte in Nederland en elders, is dat bureaucraten zoeken naar kwantificeerbare eenheden en papers simpelweg een meer gestandaardiseerde eenheid zijn dan boeken, essays en praatjes. Een paper is tussen de vier- en tienduizend woorden lang, volgt hele vaste stijlregels en verschijnt in vaktijdschriften die je met indexes ook weer kunt ranken om zo hun ‘kwaliteit te kwantificeren’. Een boek daarentegen kan heel dik of dun zijn, heel belangrijk of onbelangrijk zijn en jaren op zich laten wachten, terwijl visitatiecommissies regelmatig jaarlijks de faculteit evalueren. Logisch dat papers dan de voornaamste meetlat worden.

Maar papers tellen kan een vertekend beeld geven van de ware kwaliteiten van onderzoekers en onderzoeksteams. Het ondergraaft zelfs het vermogen van de wetenschap tot autonome zelfevaluatie. Stel er solliciteren twee natuurkundigen: de één is een jonge Einstein, die net twee baanbrekende papers heeft gepubliceerd, maar nog geen grote naam heeft; de ander is meer het ambtelijke, bureaucratie-aangepaste type en heeft – in formaties met vier tot tien co-auteurs – dertig onbelangrijke papers gepubliceerd. De autonome wetenschappelijke logica gebiedt dat die jonge Einstein de leerstoel krijgt, maar de faculteit zou, in anticipatie op de naderende onderzoeksvisitatie, misschien toch het paperkanon nemen om de cijfertjes op te krikken.

Tenslotte trekt de eenzijdige oriëntatie op papers de geesteswetenschappen uit balans. Het papersysteem komt uit de natuurwetenschappen, maar wordt nu vanuit een bureaucratische uniformeringsdrang, ook tot de standaard verheven in de geesteswetenschappen, terwijl deze van nature eigenlijk sterker gericht zijn op boeken, essays, recensies, praatjes en onderwijstaken.

Wetenschappers die lijden onder publicatiedruk en perverse prikkels en zich bont en blauw ergeren aan oppervlakkige rankings, indexes en managementpraatjes (‘top’ dit, ‘top’ dat), weten dat er iets mis is. Velen kunnen het echter niet goed benoemen. Er waren verwarde verhalen rond over ‘vermarkting’, ‘de prestatiemaatschappij’ en ‘neoliberaal rendementsdenken’, omdat men de vijand nog steeds zoekt in iets dat lijkt op ‘kapitalisme’. Maar in werkelijkheid is dat wat op ons drukt en zo onprettig aanvoelt, niet de invloed van een ideologie of van de markt, maar de kille omhelzing van de bureaucratie – van een machine die uniformeert en kwantificeert, ook als de materie zich daar niet voor leent, omdat dit de enige categorieën zijn die ze begrijpt.

Het is ironisch dat ik als opinieschrijver zo vaak discussies over linkse politisering in wordt getrokken, want ik probeer in mijn omgeving mensen al jaren te overtuigen dat in Nederland, niet de linkse politisering, maar het samensmelten met de staatsbureaucratie, de grote sluipmoordenaar is. Ik maak me binnen de Nederlands context, minder zorgen om de linkse ideoloog, die het alleen in bepaalde hoekjes voor het zeggen heeft, dan om de stille heerschappij van de verbureaucratiseerde academicus, die volgens de cijfers een ‘topwetenschapper’ is, maar vooral in de pas loopt.

Maar ja, als een KNAW-advies dat de discriminatie van rechtse wetenschappers had moeten bespreken, dat probleem niet eens noemt of het impliciet zelfs ontkent, moet ik er helaas toch weer over schrijven.

Laten we het advies lezen als een belofte

Het advies schiet te kort qua probleemanalyse, maar is toch waardevol, omdat het op eloquente wijze de voorwaarden voor wetenschappelijke autonomie verwoordt. Uit de aanbevelingen voor universiteiten, het NWO, de overheid, onderzoekers, opdrachtgevers en het KNAW zelf, spreekt een vrijheidslievend credo. Ik stel daarom voor het advies te lezen als een grondvest en een belofte.

Zo stelt het: ‘Zorg bij de werving van wetenschappelijk personeel voor een open vizier bij het opstellen van profielschetsen voor leerstoelen.’ Dit betekent bijvoorbeeld dat een vacature voor een leerstoel in maatschappelijke genderverhoudingen idealerwijs zo is opgesteld, dat een conservatieve christen met een wetenschappelijke achtergrond in het onderwerp, zou kunnen denken: ‘Goh, echt iets voor mij!’ Als de vacature echter seint dat je wel, bij wijze van spreken, een radicaal links partijprogramma geheel moet onderschrijven, dan mag zo’n conservatieve christen met een printje van de KNAW-tekst op tafel slaan.

En over de algemene sfeer: ‘Stimuleer een open organisatieklimaat, een cultuur waarin verschillen worden gewaardeerd en waarin niet te angstig wordt gereageerd op onderzoek en mogelijke uitkomsten daarvan, inclusief keuze van onderzoeksthema’s die politiek of maatschappelijk niet onmiddellijk hoog aanzien genieten.’ Amen. Dit betekent dat als het onderzoek van Ruud Koopmans (Nederlands socioloog aan de Berlijnse Humboldtuniversiteit) een erg negatief beeld schetst van de sympathie onder moslims voor religieus geweld, zijn collega’s niet meteen zijn wetenschappelijke integriteit in twijfel trekken, zoals dat wel gebeurde in Berlijn. Maar wij in de Lage Landen, wij de erven van Spinoza, kunnen wel tegen een politiek onwelgevallige uitkomst, toch? Alles is voor ons salonfähig. Heterodoxie is onze hobby. Leve het vrije denken!

Eric C. Hendriks (1985) is een Nederlandse socioloog verbonden aan de universiteit van Bonn en daarvoor in Peking, China. Hij werkt aan een boek over de politieke verschillen tussen de westerse democratieën en China.

Commentaren en reacties