fbpx


Onderwijs
Paul Catteeuw

Non tene, quod non bene (behoud niet, wat niet goed is)

Opinie


Bij de opening van het nieuwe academiejaar krijgen we ook nu – naar jaarlijkse gewoonte – een discussie over alle mogelijke problemen die blijkbaar steeds meer met het hoger onderwijs verbonden zijn. Dit jaar zijn de slaagkansen van eerstejaarsstudenten aan onze Vlaamse universiteiten aan de orde. Het probleem is uiteraard niet nieuw, maar het wordt nu wel cijfermatig kenbaar gemaakt.

Jammer dat we alleen het cijfermateriaal voor de universiteiten kennen, want bij de hogescholen zullen de resultaten niet anders zijn. Vermoedelijk – volgens mijn buikgevoel – misschien zelfs nog iets lager. En dat maakt het probleem alleen maar groter en duurder, aangezien de hogescholen nog veel meer studenten herbergen dan de universiteiten.

Enveloppefinanciering

Dit probleem zit er al een tijdje aan te komen. De lesgevers – op alle niveaus – die met beide voeten in de werkelijkheid staan, voelen deze tendens al jaren aan. Gesprekken in de koffiekamer gaan vaak in die richting. We leven nu met de gevolgen van foute beslissingen in het verleden. Wellicht de grootste oorzaak van de huidige situatie is de enveloppefinanciering die toenmalig minister Luc Van den Bossche in 1996 door de strot van het hoger onderwijs ramde. Deze besparingsmaatregel genereerde – naast enkele positieve effecten zoals sommige broodnodige fusies – een moordende concurrentiestrijd tussen de hogescholen, respectievelijk universiteiten onderling. Hoewel nooit uitgesproken was kwantiteit de toetssteen voor het succes. Hoe meer studenten je inschreef, des te meer geld je kreeg. Met andere woorden, elke student die je van een andere instelling kon/kunt afsnoepen was/is pure winst. En bij inschrijving was/is  de vooropleiding van geen enkel belang. Zolang je maar inschreef.

Dit fenomeen kende catastrofale gevolgen. Het hoger onderwijs verwijt het secundair onderwijs een overvloed aan studierichtingen te organiseren, maar is in hetzelfde bedje ziek. Zeker aan de Vlaamse hogescholen swingde het aantal nieuwe afstudeerrichtingen de pan uit. Elke hogeschool wou de concurrentie voor zijn en steeds een nieuw deel van de markt inpikken, want uiteindelijk vissen we allemaal in die relatief kleine Vlaamse vijver. En marktaandeel was het codewoord.

De gevolgen hiervan zijn echt pijnlijk en leiden tot de desastreuze resultaten en discussies van vandaag.

Omwille van het democratische gehalte van het Vlaamse onderwijs krijgt elke Vlaamse jongen of meisje de kans om hoger onderwijs te volgen. Dit in combinatie met de concurrentiestrijd leidde tot een fel veranderde instroom. Plots gingen TSO-studenten en masse ook naar de universiteit en schreven BSO-studenten zich in aan hogescholen. Politiek correct denken leidde ertoe dat men daar niet graag en openlijk durfde over te praten, terwijl iedereen wist dat dit eigenlijk voor heel wat afstudeerrichtingen wegens ontoereikende vooropleiding niet kon en dat je in die bepaalde groepen tot slaagcijfers van twee procent (cfr. rector Van Cauwenberge) kwam. Realiseert men zich wel wat dat betekent: twee procent? Da’s heel wat anders dan de student links of rechts van je, zoals Yves Desmet van zijn professor hoorde.

Gefrustreerde leerkrachten en studenten

Die steeds lagere slaagcijfers hadden nog een ander pervers effect. In hun zoektocht naar de oorzaak daarvan kwamen de besturen initieel bij de lesgevers terecht. Het gevolg was dat die zich gingen aanpassen aan de studenten. En aanpassen betekent hier letterlijk niveauverlaging. De kwaliteit van het eindproduct ging achteruit en bovendien zat je plots ook aan de andere kant van het scala met een unserved audience die wegens te makkelijk afhaakte. Of men dacht aan een deus ex machina: wanneer een opleidingsonderdeel te moeilijk lijkt, cluster het dan met een ander makkelijker opleidingsonderdeel en het probleem is op zijn minst voor enige tijd van de baan.

Pas naderhand werd op de instroom gefocust, maar toen was het kalf eigenlijk al verdronken. Met gefrustreerde leerkrachten en studenten tot gevolg. Want vergeet niet, ook voor een student betekent niet slagen een harde dobber en dat kan leiden tot ernstige demotivatie, met uiteindelijk mogelijk dure gevolgen voor de maatschappij.

Ik vind het in deze wel erg flauw van een aantal rectoren om de verantwoordelijkheid voor de slechte slaagcijfers bij het secundair onderwijs te leggen. Door de leerkrachten in het middelbaar onderwijs te culpabiliseren, ontloop je de eigen verantwoordelijkheid. Eigenlijk lijkt dit op een soort omgekeerd Peter’s principle, waarbij hoger onderwijs het middelbaar verantwoordelijk stelt. Op dat niveau wijst men dan misschien naar het lager onderwijs. En zo kom je via het kleuteronderwijs uiteindelijk bij de ouders zelf terecht en verwijten we hen incompetentie bij de schoolkeuze voor dochter- en zoonlief. De omgekeerde wereld, toch?

We moeten bijvoorbeeld nadenken of de hogescholen en universiteiten leerkrachten afleveren die kwalitatief voldoen om aan onze jeugd hoogstaand onderwijs te verstrekken, want wanneer leerkrachten in het middelbaar niet voldoen kan dit mogelijk ook aan hun opleiding in het hoger onderwijs liggen.

Ook het leerkrediet, de flexibilisering en het verander(en)de studentenprofiel spelen een belangrijke rol. Maar de studenten van vandaag zijn kinderen van hun tijd, van onze hedendaagse maatschappij dus. Een mentaliteitsverandering dient zich misschien wel aan, maar dan is die niet enkel nodig in het onderwijs en bij onze studerende jeugd.

Heilige huisjes slopen

Zijn er mogelijke oplossingen zonder aan het democratische gehalte van ons onderwijs te tornen? Ja, maar dan moeten we bereid zijn om enkele heilige huisjes te slopen en om te durven zeggen waarop het staat. Ik wil hier drie denkpistes aanreiken die kunnen helpen om de discussie over ons hoger onderwijs te voeden in de zoektocht naar goede, voldragen en democratische oplossingen. Die denkpistes zijn weliswaar niet nieuw, maar ik denk dat je ze niet los van elkaar kunt zien om tot een bevredigend resultaat te komen.

Een eerste deeloplossing is een oriëntatieproef in het secundair onderwijs. Ik laat in het midden of dat nu in het vijfde dan wel in het zesde jaar moet gebeuren. Maar die proef kan en mag nooit op zichzelf staan. In dat geval kunnen de middelbare scholen opnieuw verantwoordelijk worden gesteld, wanneer de resultaten zouden tegenvallen, en blijft het hoger onderwijs buiten schot. Bovendien lijkt het me erg moeilijk om testmateriaal aan te maken dat het volledige spectrum van opleidingen kan bevatten.

Die eerste weg moet gepaard gaan met een ijkingsproef. Elke hogere opleiding zou – naar het model van de toelatingsexamens voor geneeskunde – een toelatingsexamen kunnen organiseren dat toegespitst is op de opleiding die de student wil volgen. Het verschil met een toelatingsexamen ligt in het feit dat zo’n ijkingsproef voor de student niet bindend is, zodat hij of zij op een democratische manier een keuze kan blijven maken. Maar die student moet op zijn minst dan al twee waarschuwingslichten voorbij. Je maakt hierdoor de student mee verantwoordelijk voor het welslagen van zijn studie(keuze). En de slaagcijfers voor geneeskunde bewijzen het effect van zo’n examen.

Proeven op dit vlak hebben trouwens bewezen dat dit helpt. Professor Alex Vanneste organiseert sinds 1986 aan de UA instapproeven Frans (met voor- en natest bij de propedeuse). Die tonen enerzijds die kwaliteitsdaling aan, maar ze zorgen er anderzijds ook voor dat studenten in laatste instantie beslissen dat een studie Franse taalkunde niet voor hen is weggelegd. Misschien niet leuk om vast te stellen, maar het voorkomt toch wel immense ontgoocheling na een volledig mislukt academiejaar. Quod erat demonstrandum… Dit is zeker niet het enige experiment op dat vlak. Aan mijn eigen hogeschool experimenteert men onder andere met instapproeven voor Duits en rekenvaardigheden. Kleine stapjes die ertoe doen.

Hoger inschrijvingsgeld

De derde pijler is wellicht de meest problematische. Ik pleit er onomwonden voor om het inschrijvingsgeld drastisch te verhogen tot 1500 euro. Met het behoud van het systeem van studiebeurzen en begeleidende maatregelen. Op dit ogenblik betaalt een student 610 euro voor een academiejaar. Dat is ongeveer 1000 euro onder het Europese gemiddelde en onder het bedrag dat je als student in Nederland moet betalen. 1500 euro lijkt een erg ondemocratische maatregel. Maar het hoeft dat niet te zijn, wanneer je aan het totale bedrag over de totale studiecarrière heen een soort van terugbetalings- of bonussysteem zou vastkoppelen. Studenten die een modeltraject doorlopen zouden dan een restitutie van een deel van het inschrijvingsgeld kunnen krijgen. De modaliteiten van dit systeem moeten uiteraard besproken worden om ervoor te zorgen dat er geen nieuwe barrières worden opgeworpen. Het blijft mijn absolute bezorgdheid dat het onderwijs democratisch blijft. Maar ik blijf geloven dat dit een cruciale factor is in deze discussie.

Duur, zal men zeggen. Misschien wel. Maar uiteindelijk een besparingsactie tegenover de massa’s geld die letterlijk elk jaar omwille van een foute studiekeuze door deuren en ramen worden gegooid. Geld dat binnen het onderwijs beter zou kunnen worden besteed. Die honderd miljoen (dat is een kleine 20 euro per Vlaming per jaar) waarvan sprake is slechts een deeltje van het geheel. Een langere studieloopbaan betekent ook later op de arbeidsmarkt, een grotere belasting op (en voor) de maatschappij en druk op het hoger onderwijs zelf.  Dit klinkt natuurlijk niet populair, maar soms moet je radicaal het roer durven omgooien. Il faut reculer pour mieux sauter.

Ons onderwijs is te waardevol om dit niet voor ogen te blijven houden. Onze kinderen zijn onze toekomst. En net daarom moet we durven springen.

En misschien nog dit als uitsmijter. Ik lees op dezelfde pagina van De Morgen met de slaagcijfers van onze universiteiten dat 10 tot 20 procent van de professoren niet geslaagd is voor de taaltest Engels. Nochtans liggen de eindtermen voor Engels in het ASO derde graad tussen B1 en B2. Wie treft hier dan schuld?

De auteur is lector Karel de Grote-Hogeschool Antwerpen (sinds 1985) en schrijft dit artikel in eigen naam.

<Vindt u dit artikel informatief? Misschien is het dan ook een goed idee om ons te steunen. Klik hier.>

 

 

 

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Paul Catteeuw