JavaScript is required for this website to work.
Politiek

Partijvoorzitter speelt in zwaargewichtsklasse

Mark Deweerdt8/11/2019Leestijd 4 minuten
Bijna-ex-partijvoorzitter en Wouter Beke en nog-steeds-partijvoorzitter Bart De
Wever

Bijna-ex-partijvoorzitter en Wouter Beke en nog-steeds-partijvoorzitter Bart De Wever

foto © Reporters / STG

In de particratie is een partijvoorzitter een machtige actor. En toch zullen ze bij sp.a en CD&V dit keer niet uit de eredivisie komen

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

Zelden of nooit waren er op zo een korte tijd zoveel partijvoorzittersverkiezingen als deze herfst. Niet alleen voor de betrokken partijen zijn ze een gewichtig gebeuren, ook voor het politiek bestel zijn ze dat.

Particratie

Partijen zijn nu eenmaal onmisbaar in een parlementaire democratie. Ze werken mee aan de politieke wilsvorming door onder meer het formuleren en bundelen van maatschappelijke vragen, het ontwerpen van oplossingen en het beïnvloeden of bepalen van het beleid. Ook dragen ze bij aan de vertegenwoordiging van het volk in het parlement door onder meer de rekrutering van politiek personeel en deelname aan verkiezingen. Zeker in België, dat doorgaat als particratie. Particratie, dat wil zeggen: een parlementaire democratie waarin de impact van de politieke partijen op de besluitvorming doorslaggevend is. Dan zijn partijen machtige actoren — en hun voorzitters machtige personen.

In onderzoek van Wilfried Dewachter uit 1967 en van Dewachter en Erwin Das uit 1991 stond in de machtshiërarchie de partijvoorzitter telkens op de derde plaats, na de premier en de vicepremier. Of dat vandaag nog zo is, zou eens onderzocht moeten worden, maar daar vinden onze politologen blijkbaar geen tijd voor, druk als ze het hebben met het schrijven van columns en het deelnemen aan praatprogramma’s. ‘Je donnerai tous les portefeuilles ministériels pour la présidence du parti’, zei de socialistische minister Antoon Spinoy (1906-1967).

Ledenstemrecht

De aanwijzing van de voorzitter was lange tijd het voorrecht van een partijcongres of een partijraad: een selecte verzameling van afgevaardigden van arrondissementsafdelingen of federaties van de partij.

De Franstalige christendemocraten (PSC) waren de eersten om, in 1970 al, hun voorzitter door alle partijleden te laten verkiezen. De Vlaamse partijen zijn schoorvoetend en beduidend later gevolgd: VLD in 1992, CVP in 1993, de SP in 1995, de Volksunie in 2000, Vlaams Belang pas in 2012. Agalev had geen partijvoorzitter; sinds de omvorming tot Groen, in 2003, wordt de partijvoorzitter door het ledencongres verkozen.

Ledenstemrecht is niet zonder risico’s. Voor de opvolging van Guy Verhofstadt had Patrick Dewael in 1995 de uitdrukkelijke steun van de VLD-top, maar al in de eerste ronde (met elf kandidaten!) moest hij met 28,5% van de stemmen de duimen leggen voor Herman De Croo (49,4%). Hij trok daarop wijselijk zijn kandidatuur in, zodat er geen tweede ronde nodig was. Bij de Volksunie draaide de eerste algemene voorzittersverkiezing begin 2000 uit op een verscheurende tweestrijd tussen Patrick Vankrunkelsven en Geert Bourgeois, die een voor de partij dodelijk vervolg zou krijgen.

Algemeen ledenstemrecht betekent niet dat de voorzittersverkiezingen een hoog democratisch gehalte hebben. In zijn doctoraal proefschrift Partijvoorzitters in België  (1998), een onderzoek over de periode 1981-1996 dat ook al om actualisering schreeuwt, schrijft Stefaan Fiers dat gemiddeld maar 27,3% van de partijleden aan de verkiezingen deelnam.

Bij Groen moeten de leden lijfelijk op het verkiezingscongres aanwezig zijn. Op 18-19 oktober spoorden van de zowat 9000 leden maar een tiende naar Brussel om er te kiezen tussen Meyrem Almaci, Björn Rzoska en Christophe Steyaert — een bedroevend laag cijfer voor een partij die basisdemocratie hoog in het vaandel voert.

Ook de leden van het Vlaams Belang moeten zich verplaatsen om op 16 november Tom Van Grieken, de enige kandidaat, als voorzitter te kunnen bevestigen. Van echte verkiezingen is bij het Vlaams Belang overigens nooit sprake: volgens de statuten kunnen de leden zich op het congres enkel uitspreken over de kandidaat die door de partijraad is voorgedragen.

Geleide democratie

Meervoudige kandidatuurstelling was zeker tot 1990 meer de uitzondering dan de regel, blijkt uit onderzoek van Marc Maes. Hij berekende (Res Publica, 1990, nr. 1) dat er in de periode 1944-1990 bij driekwart van de voorzittersverkiezingen slechts één kandidaat was. Sindsdien zal, met de veralgemening van het ledenkiesrecht, dat aandeel gedaald zijn, maar hierover zijn helaas geen recentere cijfers beschikbaar (ja, politologen, er is werk aan de winkel…).

De transformatie van een meervoudige in een enkelvoudige kandidatuurstelling is maar één voorbeeld van ‘geleide democratie’ die bij de verkiezing van een partijvoorzitter wel eens toegepast wordt — en waarvan Stefaan Fiers in Partijvoorzitters in België  nog andere vormen vermeldt. In de pers is, naar aanleiding van de lopende CD&V-voorzittersverkiezingen, herinnerd aan de markante manier waarop Herman van Rompuy in 1988 CVP-voorzitter is geworden.

Voor de opvolging van Frank Swaelen hadden zich zeven kandidaten gemeld (en niet acht, zoals De Standaard  op 19 oktober schreef; Hendrik Bogaert, die volgens de krant een van de kandidaten was, studeerde op dat ogenblik nog in Leuven en werd pas in 2000 politiek actief). Enkele weken vóór de gemeenteraadsverkiezingen kon de partij openlijke strijd en diepe verdeeldheid missen als kiespijn. De trojka Dehaene-Martens-Swaelen kon Herman van Rompuy overreden om zich kandidaat te stellen en de zeven kandidaten om zich, de ene al gewilliger dan de andere, terug te trekken.

Partijtenoren

Van sturing is bij de christendemocraten deze keer geen sprake. De partijleden kunnen écht kiezen tussen zeven kandidaten. Even opmerkelijk is dat er bij die zeven geen toppers zijn — en dat Hilde Crevits, de ‘natuurlijke’ kandidaat voor de opvolging van Wouter Beke, in tegenspraak met Spinoy zelfs niet één ministerportefeuille wenst in te ruilen voor het partijvoorzitterschap.

Ook bij de Vlaamse socialisten laten voor de opvolging van John Crombez de — voor zover die er nog zijn —  partijtenoren het afweten en zal de nieuwe voorzitter niet uit eredivisie komen. CD&V en sp.a spreken daarmee de vaststelling van Stefaan Fiers tegen dat het, gezien het belang van de functie, ‘geen verwondering wekt dat de partijvoorzitter gerekruteerd wordt onder parlementsleden met relatief veel parlementaire ervaring’. Een vaststelling die wel wat nuance behoeft, want verscheidene succesvolle partijvoorzitters zijn zonder parlementaire ervaring begonnen: van Wilfried Martens en Karel van Miert over Guy Verhofstadt en Bart De Wever tot Tom Van Grieken.

Mark Deweerdt (1952) was journalist bij De Standaard en De Financieel-Ekonomische Tijd/De Tijd, en schreef als kabinetsmedewerker toespraken en teksten voor Yves Leterme, Kris Peeters, Herman Van Rompuy en Geert Bourgeois.

Commentaren en reacties