JavaScript is required for this website to work.

Grote geschiedenis van de Nederlandse taal

Wim van Rooy12/1/2023Leestijd 5 minuten
TitelGrote geschiedenis van de Nederlandse taal
AuteurJelle Stegeman
UitgeverAmsterdam University Press
ISBN9789462989252
Onze beoordeling
Aantal bladzijden1284
Prijs€ 79
Koop dit boek

In 2021 verscheen van de hand van Stegeman een ‘Grote Geschiedenis van de Nederlandse Taal’, het volledigste werk over onze taal ooit.

‘Voor wie haar soms geweld aandoet’ was in de jaren zeventig een bescheiden taalprogramma van de socialistische politicus Marc Galle. De luisteraar werd tijdens het korte praatje vergast op allerlei gekke en minder gekke taalwenken. Ik herinner me dat Galle het woord ‘pannenlap’ een beetje verkeerd vond. Het moest ‘aanvattertje’ zijn. Ik heb dat rare woord dan ook maar één keer gehoord, en dat was toen.

De intentie echter was goed, want het Nederlands wordt al meer dan twee eeuwen gemaltraiteerd (ja, dit werkwoord staat in Van Dale, maar heeft u al gemerkt dat op het voorplat van dat woordenboek ‘van Dale’ gedrukt staat, met kleine ‘v’? Niemand heeft er een uitleg voor, al is het natuurlijk wel Johan Hendrik van Dale). Gemaltraiteerd, zegt u? Verbalemond, zoals men het gewestelijk uitdrukt: ‘bal/balo’ is een Middelnederlands voorvoegsel en betekent ‘slecht’. Laten we eens kijken hoe slecht.

Snobisme

In de dertiende en veertiende eeuw groeide het aantal teksten in de moedertaal en werden mensen door de ‘scholasticus’ (de schoolmeester van het kapittel) of door religieuze instellingen meer en meer gealfabetiseerd. Aan het eind van de late middeleeuwen werden ook overal scholen gesticht. Toen al waren er schrijvers (de Nederlandse schrijver Melis Stoke bijvoorbeeld) die hun ‘karakters’ geaffecteerde leenwoorden in de mond legden (‘onnoyaelhede’ in plaats van ‘ontrouw’, niet loyaal).

Het is een terugkerend verschijnsel, want ook vandaag zijn er op dit forum mensen die wijzen op een zeker snobisme wanneer men ‘vreemde’ woorden gebruikt, ook al drukken die soms beter uit wat bedoeld wordt dan het inheemse equivalent en is de Franse ‘punaise nog altijd te verkiezen boven de puristische ‘duimspijker’. Purisme is immers taalkundig zuiverder willen zijn dan de taalpaus, en dat is bijvoorbeeld Van Dale Johan Hendrik.

Omdatic Vlaminc ben

In de vijftiende en zestiende eeuw verlaat men het Middelnederlands en ontstaat een bovenregionale taal, en dat in een omgeving van handelskapitalisme en vroeg humanisme. Er is nog geen eenvormigheid en ook is er nog geen algemene benaming voor die stilaan zich uniformerende taal.

Begrippen als dudesc, Diets, Dietsch, Duuts en Duits kunnen verwijzen naar het Nederlands. In 1275 schrijft Jacob van Maerlant, die zich van heel wat toenmalige taalvariëteiten zeer bewust was, ‘Ende omdatic Vlaminc ben’. Al in de middeleeuwen schreef de overheid haar ambtenaren uitdrukkelijk voor om onder bepaalde omstandigheden Nederlands te gebruiken.

Verlooy

Tijdens de Oostenrijkse en de Franse tijd wint het Frans bij vooraanstaande burgers aan prestige. De geprivilegieerde klasse en de overheid bekommeren zich weinig om de moedertaal. Ere wie ere toekomt: het zijn de twee Jannen, de juristen Jan Frans Vonck en Jan Baptist Verlooy die bezwaar aantekenen tegen het toenemende gezag van het Frans, een klacht die ik ten volle onderschrijf wanneer ik merk hoeveel Franstalige wendingen – een overblijfsel uit dat Frans – de modale Vlaming zoal gedachteloos heeft geïnterioriseerd. Gedachteloos omdat hij zich van geen kwaad bewust is en zich zelfs boos maakt als men hem erop attendeert.

De titel van Verlooys manifest is duidelijk: ‘Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden’ (in 1788 anoniem in Maastricht uitgegeven om represailles te vermijden). Ik citeer een stukje dat, buiten de spelling en bepaalde grammaticale eigenaardigheden, perfect op vandaag toepasbaar is: ‘Ja, men ziet-er sommige (in casu sommigen die hun taal ‘mismeesteren en aan ‘Fransdolheyd’ lijden), terwyl het hun vry staet de moederlyke tael te gebruyken, zoo onverdraegelyk frans schrijven, dat zij daer toe schynen gedoemt geweest te zijn by wyze van schandboet (i.e. schande).’ Verlooy wilde ook Nederland en Vlaanderen op taalkundig gebied één houden, wat in de negentiende eeuw tot het zogenoemde ‘integrationisme’ en de eerste Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen leidde.

Verlooy redevivus

Wat Verlooy aanklaagt, de onachtzaamheid ten opzichte van de Nederlandse taal, geldt nog altijd. En dan heb ik het niet over Engelse of Franse leenwoorden in onze taal, kakkineuze woorden die uit snobisme kunnen voortkomen, maar die ook een taal sterker kunnen maken. Tenslotte stammen zovele Nederlandse woorden uit het Latijn of het Grieks en werden uiteindelijk vernederlandst.

Ook spelling is een mineur deel van de taal, want berustend op conventie en van buiten leren. Ik heb het meer over zinsbouw, de incongruentie van onderwerp en werkwoord, verkeerde voegwoorden, verkeerd woordgebruik en letterlijk vertaalde uitdrukkingen uit het Frans of het Engels (soms zelfs nog uit het Duits), strijdig met het Nederlandse taaleigen. Die vindt men volop in Vlaams-Nederlandse teksten.

Taalfascisten

Taal evolueert, en dus wordt wat ‘taalkrom’ is in de loop van de geduldige tijd soms ‘taalrecht’. Wat algemeen wordt gebruikt, wordt op den duur ook algemeen aanvaard. Zo werd het Duitse ‘einbürgern’ gewoon inburgeren en Grosswarenhaus werd grootwarenhuis (nu supermarkt), hoe letterlijk vertaald ook. Maar vele fouten worden uit luiheid en onverschilligheid gemaakt en – jawel – uit onachtzaamheid, zoals Verlooy al terecht betoogde.

Men heeft de eigen taal niet lief. Klinkt het niet, dan botst het maar. En wie schoolmeestert is een vervelende taalklier, of wordt als een taalgestapo aangezien. Raar toch dat zulke malle ideeën zich in de rekenkunde bijvoorbeeld nooit voordoen.

Een wankel evenwicht

Moet onze taal dan verhollandsen? Natuurlijk niet. Maar zoals hier door een aandachtig commentator werd opgemerkt: het Verkavelingsvlaams aan de ene kant en het gerochelde modieuze Randstadhollands aan de andere kant, zijn twee kanten van een verroeste medaille. Het zijn aspecten van luiheid en snobisme. Maar nogmaals en uitentreuren: vreemde woorden of uitdrukkingen in het Nederlands zijn niet per se fout.

Wie zegt: ik was er helemaal stupéfait van (een beetje de taal van de Haagse chic van Louis Couperus), heeft geen fout gemaakt. Wie zegt dat hij naar huis gaat ‘voor’ zijn werk te maken, spreekt vertaald Frans. Waarom moest Verlooy zo hard vechten tegen de arrogantie van de Franse taal als achteraf blijkt dat we ondertussen vertaald Frans praten? Dat Nederlanders ondertussen ook Vlaamse woorden overnemen (goesting) en wij Hollandse is alleen maar een verrijking, en dat dialectwoorden een tekst smeuïg kunnen maken is een certitude en is niet per se verkeerd.

Hij wilt teveel wetten stemmen

Erger is het soort taalfout dat perfect vermijdbaar is. De verwarring tussen niet het minst/niet in het minst; tussen beide/beiden; tussen te veel en teveel; tussen wiens en wier, is groot. Ik zag op dit forum al heel wat wetten en resoluties stemmen (in plaats van goedkeuren); ik zie tot mijn grote verwondering dat landen en steden vrouwelijk worden, terwijl ‘media’ dan weer enkelvoud is geworden.

Ik stel vast dat men rijdt aan een snelheid of werkt aan een gemiddeld werknemersloon, of dat men ‘had geweest’ in plaats van ‘was geweest’, of dat men iets ‘wilt (in plaats van wil, en dit onder invloed van het dialect). Ik merk dat ‘het medisch-virologisch comité hun (ja!) advies geeft in plaats van zijn advies, enzovoort enzoverder. Ik zie er zo honderden, maar de Vlaming maalt er niet om: als we maar ‘verstaan worden’ (‘begrepen’ worden dus).

De meest complete geschiedenis (of de compleetste geschiedenis?)

In 2021 verscheen van de hand van neerlandicus en germanist Jelle Stegeman (universiteit Leiden en Zürich) een ‘Grote geschiedenis van de Nederlandse taal’, het volledigste werk over onze taal dat ik ooit las. Ik ben dan ook jaloers op wat Stegeman presteerde en ik vraag de lezer in alle bescheidenheid dit omvangrijke werk te lezen en daarom of daardoor het Nederlands in al zijn facetten de eer te bewijzen die het toekomt. Laat Verlooy zich niet omdraaien in zijn graf.

Wim van Rooy (1947) is publicist en essayist. Hij is licentiaat Letteren en Wijsbegeerte afdeling Germaanse Filologie en licentiaat Zweedse Taal- en Letterkunde (RUGent, 1971) - bijkomende specialisatie: godsdienstwetenschap. Hij is auteur van o.a. ‘De malaise van de multiculturaliteit’ en ‘Waarover men niet spreekt. Bezonken gedachten over postmodernisme, Europa, islam’.

Commentaren en reacties