fbpx


Cultuur, Geschiedenis

Meer Vlaams dan Frans: de Frans-Vlaamse stad Sint-Omaars

Titel
Het Nederlands in Sint-Omaars door de eeuwen heen
Auteur
Cyriel Moeyaerts
Uitgever
Eigen beheer
Onze beoordeling
Aantal bladzijden
60
Prijs
€ 16

De nestor van de Vlaamse Beweging, Cyriel Moeyaert, zal dit jaar in mei de gezegende leeftijd van 100 jaar bereiken. Onlangs vierde hij nog zijn 75ste priesterjubileum. Om deze hoogdagen passend te huldigen, trakteert hij ons met een opvallend kleinood: Het Nederlands in Sint-Omaars door de eeuwen heen. Het is geen nieuwe studie, wel de bundeling van artikels verschenen in enkele jaargangen van de Nederlanden extra muros, het jaarboek van vereniging/stichting Zannekin.

Lof van Vlaanderen

Met Moeyaert deel ik zijn passie voor Sint-Omaars. Deze stad, vandaag nog 15.000 inwoners groot, is strategisch gelegen op de aloude grens tussen Artesië en Vlaanderen. Maar ze behoort historisch en cultureel tot Vlaanderen en de oude Nederlanden. Een baken voor de cultuurgeschiedenis van de hele regio is de Sint-Bertijnsabdij waarvan je in Sint-Omaars de ruïnes kan zien. Hier, in de 12de eeuw, is de Liber Floridus ontstaan, de eerste encyclopedie geschreven door Lambrecht van Sint-Omaars. In dit werk werd De Laude Flandriae opgenomen, een lof van Vlaanderen door Petrus Pictor (Pieter de Schilder). Verzen die geen twijfel laten over de liefde van de auteur voor zijn Vlaamse vaderland.

Met haar 50 meter steekt de toren van de Onze Lieve Vrouwbasiliek, ooit de kathedraal van het vroegere bisdom Sint-Omaars, hoog boven het rijk architecturaal patrimonium van de oude stad. Samen met het uniek natuurgebied van de moerassen die Sint-Omaars omringen heb je een uitstekend doel voor een fijn en afwisselend verblijf over de schreve.

Godfried, die niet van Bouillon was maar van Bonen, sprak, naast Romaans, het Diets van zijn geboortestreek. Mede door zijn tweetaligheid werd hij gekozen tot leider van de Eerste Kruistocht.

Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu…De beroemde Olla Vogala verzen, uit de 11de eeuw, een kruising van oud-Nederlands en oud-Engels, zijn met quasi zekerheid geschreven door iemand die de streektaal van Sint-Omaars kende. Cyriel Moeyaert voegt er fijntjes aan toe dat de onbekende schrijver van deze markante verzen uit onze taalgeschiedenis waarschijnlijk in Sint-Omaars naar school ging.

De Franse vijand

Hoe stonden de Sint-Omarenaars ooit ten overstaan van de Franse veroveraars? Moeyaert wist me te vertellen dat de bevolking van Sint-Omaars lang de jaarlijkse herdenking vierde van de bevrijding op de Franse bezetter op 11 februari 1488. Elk jaar, op de vooravond van 30 november, de dag dat Sint-Andries, patroonheilige van de Bourgondische Nederlanden werd gehuldigd, bestond in de stad de traditie om vreugdevuren op de markt te ontsteken. Er werden ook acht kanonschoten gelost in de richting van de vijand. Richting Frankrijk dus.

Deze traditie werd gehandhaafd tot in 1677. In dat jaar veroverden de Franse troepen Sint-Omaars en Frans-Vlaanderen. Maar de bevolking gedroeg zich zo vijandig dat de Fransen de zaak niet vertrouwden. Ze plaatsten drie geladen kanonnen voor het stadhuis. Deze kanonnen zouden er nog, naar het schijnt, zijn blijven staan tot kort voor de Franse Revolutie.

De Drie Kalders

Vandaag kan je nog de regionale Vlaamse keuken proeven in het restaurant De Drie Kalders. Deze opvallende Vlaamse naam op de grote markt is een laatste spoor van de Nederlandse streektaal die hier ooit overal in de stad klonk.

Tot in het begin van de twintigste eeuw kon men onze taal nog horen spreken in Sint-Omaars op de wekelijkse markt. Het was de taal van de Broekers of Broekanen gebleven, de tuinders uit het omringende moeras die er hun groenten kwamen verkopen. De Broekers woonden in de voorwijken, in Hoge Brigge en IJzel, gemeenten die, in het verleden, alleen via de watergangen te bereiken waren. Ook de tuinvelden waren uitsluitend met platte vaartuigen bereikbaar. De Broekers vervoerden hiermee hun groenten, alsook de dieren en landbouwtuigen, waarmee ze hun velden bewerkten. Moeyaert noteerde de specifieke Vlaamse namen van deze vaartuigen naargelang hun grootte: ijkingen, bakoggen, berkoggen, bijlanders en dubbele bijlanders.

De Zoene

Aloude documenten in de archieven van Sint-Omaars bewijzen dat de stad nog lang tweetalig was voor het Nederlands geleidelijk naar de buitenwijken van de stad werd teruggedrongen. Moeyaert is in het bezit van een fotokopie van een Nederlandstalig gerechtelijk document genaamd ‘de Zoene’ daterend uit 1570. De Zoene, aldus Moeyaert, is de ‘verzoening tussen een moordenaar en de verwanten van de vermoorde tegen een zekere vergoeding, bezegeld door een plechtige samenkomst van beide. Ze heeft een oeroude oorsprong, die al bekend was in de Salische wet (…)’. De Zoene bestond als gebruik in veel steden in de Nederlanden maar is het langst bewaard gebleven in Sint-Omaars, en wel tot in de 17de eeuw.

Werkmethode

Moeyaert is geen kamergeleerde. Tot op gevorderde leeftijd hield hij vooral van het veldwerk, van de contacten met zijn vele Frans-Vlaamse vrienden, en van het grasduinen in de plaatselijke archieven zoals deze studie overvloedig bewijst.

De auteur zocht eeuw na eeuw naar sporen van de aanwezigheid van het Nederlands in Sint-Omaars. De geschiedenis van elke schoolinstelling in de stad komt aan bod. Het is niet omdat in sommige scholen in het Latijn werd gedoceerd en namen gelatiniseerd werden dat men de Vlaamse oorsprong van leraren en leerlingen niet kan ontleden. Hij verstaat in de conflicten tussen de Vlaamse monniken van de Sint-Bertijnsabdij en enkele Franse allochtonen uit de abdij van Cluny, de sporen van een onafhankelijkheidsgevoel van de Vlaamse monniken. Geholpen door de plaatselijke notabelen, slaagden de Vlaamse geestelijken erin deze Franse indringers naar huis te sturen.

Trouw aan zijn werkmethode als taalkundige brengt de auteur ook in deze studie steeds nieuwe bewijzen en argumenten aan en ontleedt hij onvermoeibaar aloude Nederlandse teksten, woorden en toponiemen. Zijn inzichten en stellingen kunnen soms gedurfd overkomen maar zijn steeds wetenschappelijk onderbouwd.

Wie doet Moeyaert na met een nieuwe publicatie in zijn 100ste levensjaar? Zijn studieuze leven blijkt een uitstekend recept, alsook het gedicht van de Frans-Vlaamse dichter Renaat Despicht die hij tot zijn levensmotto heeft gemaakt: Wil je lange leven? En oud 100 jaar weven, hou jen hoofd koud; voel je voeten warm; vul met mate jen arm; houd jen achterpoorte wyd open en laat den docteurs soorte by den duivel lopen!

De uitgave kost 16 euro en kan worden besteld via overschrijving bij het museum Huis van de Slag aan de Peene, 200 Rue de la Mairie F-59670 Noordpeene, rekeningnummer FR76 1670 6050 1016 3916 7110 201.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Wido Bourel

Wido Bourel (1955) is Frans-Vlaming, publicist en promotor van de Nederlandse taal en cultuur in zijn geboortestreek.

Dit artikel delen of afdrukken




Commentaren en reacties


Kijk vooraf even op onze Spelregels en technische problemen
Reacties - klik hier
Talk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *