JavaScript is required for this website to work.
BINNENLAND

Regen en duisternis

Dagboekaantekeningen (111)

ColumnBenno Barnard2/2/2025Leestijd 5 minuten

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Neem zelf ook een abonnement en lees alle plus-artikelen én ons driemaandelijks magazine.

Ik neem ook een abonnement

Zondag 1 december 2024
Wat houdt mij zoal bezig nu ik alleen thuis ben?
De regen. Het regent. De tranen sluiten mij van de anderen af. Ergens achter de tranen is Poppy, maar de tranen maken haar onvindbaar. Ook in mijn geest is ze onvindbaar – hoe ziet ze er eigenlijk uit, die mooie vrouw van mij? Ik weet dat ze mooi is, maar evengoed zie ik haar niet.
Ik ga naar de woonkamer en van een burgerlijk bijzettafeltje vol fotolijstjes pak ik mijn favoriete portret op: een Christopher van zeventien achter de rugleuning van de met rood fluweel beklede stoel waarop zijn mooie moeder zit – een studie in uiterlijke gelijkenis. De nog niet helemaal gedroogde klei waaruit dat jongensgezicht is geboetseerd heeft nog iets weeks, iets androgyns, het haar bootst hetzelfde goud na, zijn ogen lijken op dezelfde zee. Maar zodra ik me omdraai, kan ik me hun gezicht al niet meer voor de geest halen, de naglans dooft uit en ik ben weer alleen.
De eenzaamheid houdt mij bezig. Zo moet mijn vader zich gevoeld hebben na de dood van mijn moeder. Hij aanbad haar dwars door haar Alzheimer heen en schreef toen zijn allermooiste regels, die ik niet voor het eerst overschrijf:

Worden is niets, maar het ontworden.

Wreed is het, wreed en zoveel te wreder

nog dat zij het weet. Intussen


zit zij daar beeldschoon hoewel reeds verweerd

rechtop te treuzelen met haar leeftijd

of er een ochtend oprees uit zee.

Wat klaag ik? Wat vergelijk ik met wat? Ik neig zowaar tot zelfmedelijden, wat helemaal indruist tegen mijn opvatting van de trotse mens.

’s Avonds
Duisternis: in Brede branden geen straatlantaarns. Regen en duisternis. Sneeuw zou de duisternis van onderaf verlichten, maar het regent.

Dinsdag
Ik denk na over het transhumanisme en artificiële intelligentie, wat allebei deprimerende onderwerpen zijn.

De mens zal een mythische herinnering worden, een verhaal dat machines elkaar vertellen

Net zoals de oude Griekse goden hebben we entiteiten gecreëerd die steeds meer met hun makers versmelten. Zeus wilde ons de goddelijke vonk onthouden, zodat ons denken dierlijk bleef, maar Prometheus negeerde zijn wens… Enfin, u kent de mythe. Ook nu zal iemand het vuur stelen en weggeven. De mens zal een mythische herinnering worden, een verhaal dat machines elkaar vertellen.
Misschien is dat ons Golgotha.

Zondag
Ik lees in het Handboek Benno Barnard, verschenen ter gelegenheid van mijn zeventigste verjaardag; het bevat essays over alle mogelijke aspecten van mijn werk.
Bij kennisneming van de sterk uiteenlopende, mij nu eens verbazende, dan weer verheugende inzichten over mijn geesteskinderen, begint vrijwel onmiddellijk een zekere bevreemding mij te besluipen, ongeveer zoals mist je tijdens een winterse wandeling in een natte wazigheid dompelt. Dat begint al bij het zien van mijn naam, die van auteurspositie naar titelpositie is verschoven, alsof ik met een schokje in een studieobject ben veranderd, wat ook zo is natuurlijk. Ik behoor nu tot de mineralen of de dode auteurs, wat hetzelfde is.

…tot er een nieuwe generatie opstond, van schrijvers allereerst, die mijn stijl ontdekten als ornithologen een onbekende zangvogel

O, ik ben hoogst erkentelijk, het boek bevat geen of weinig onzin, en ik leer eruit dat ik mijn eigen werk ken zoals ik mezelf ken: veel intiemer en veel slechter dan de anderen. Ook zie ik bevestigd dat theatercritici chimpansees zijn, die zich overgeven aan het vlooien van schrijvers door wie Shakespeare in een hinderlaag is gelokt. En, dat zou ik bijna vergeten, het onthaal van mijn werk heeft een hele ontwikkeling doorgemaakt. Mijn eerste bundeltjes en de helft van mijn eerste prozawerk zou ik zelf het liefst vernietigen, maar ze oogstten veel onverdiende lof, wat na veertig jaar aanvoelt alsof de academie de kleutertekeningen van een vooraanstaand schilder prijst. Later ben ik jarenlang min of meer genegeerd, tot er een nieuwe generatie opstond, van schrijvers allereerst, die mijn stijl ontdekten als ornithologen een onbekende zangvogel.

Dinsdag
In de tuin zit een roodborstje met witte vleugels. Het verschijnsel blijkt leucisme te heten. In Engeland is 1 op de 30.000 roodborstjes leucistisch, en aangezien er ongeveer 7,4 miljoen broedende paren zijn, behoort mijn exemplaar tot een selecte groep van ongeveer 500. Hij is anders.
Ik vreesde dat mijn vogeltje gepest werd, want roodborstjes zijn rotvogeltjes, maar mijn bronnen vertellen me dat leucistische dieren juist agressief zijn. Goed zo. Overleef. Tik maar veeleisend tegen het raam, tin tin tin. Welke antropomorfe mogelijkheden zijn er verder nog?
Maar de lyriek wenkt. Voor het eerst in dagen is het helder weer en het gevederde anderszijn blinkt in de zon. Wij zijn anders, jij en ik. Ik zal je iets verklappen: ik ben een leucistische schrijver.

Woensdag 18 december
Ze is vandaag acht jaar dood. Ieder jaar glipt ze weer weg door het onmeetbaar smalle oog van de naald die de tijd registreert. En ik ervaar het als een tekortkoming van mijn overgevoeligheid dat ik het exacte moment-waarop niet ervaren kan, zelfs niet met een minieme trilling.
Uitgerekend vandaag – maar uitgerekend door wie – ligt de rekening van de dierenarts op de keukentafel en lees ik, bij het licht van haar kaars als het ware, zijn rekening voor het doodmaken van Roffel: ‘Euthanasia, Qty 1, £91.76 + VAT…’

Vrijdag
Poppy komt tevoorschijn uit haar wagon, eerst in de vorm van haar koffer, die een oudere heer voor haar op het perron neerzet, een vooroorlogse oudere heer, die zijn antediluviale hoed voor haar afneemt, alvorens hij wegwandelt, tikkend met zijn wandelstok, een Poirot die een raadsel schept in plaats van het op te lossen; en nu verschijnt zijzelf, gloeiend van lieftalligheid onder haar rode wollen muts, waarmee haar blos accordeert, de gestifte mond die een subtiele openbare kus verlangt… En dan liggen we al in bed en het woord incarneert zich te barsten tot zijn kleine dood.

Zondag
Na afloop van de rituelen vertelt Owen ons met een kop alsof hij aan het kaarten is dat hij vertrekt naar Truro, waar de bisschop van Oswestry zijn baas wordt. Dat obscure bisdom is in de jaren negentig speciaal gecreëerd voor een stuk of honderd parochies waar men zich tegen de benoeming van vrouwelijke priesters verzette. John slaat bij de koffie keihard op de kop van de bijbehorende spijker: ‘Dit is erg verdrietig uitstekend nieuws.’

…een Don Camillo, maar een asociaal karakter en het verkeerde weer maken het onmogelijk hem in een trillend zonnewaas te italianiseren

Het voorbije jaar heeft Owen, aanvankelijk een onduidelijke klerikale levensvorm, zich als een in veel zwarte stof gehulde luilak ontpopt, uiterlijk wel het type van de joviale drinkebroer die ons tot vergiffenis van zijn zonden zou kunnen vermurwen, een Don Camillo, maar een asociaal karakter en het verkeerde weer maken het onmogelijk hem in een trillend zonnewaas te italianiseren. Bovendien is uit bepaalde incidenten gebleken dat hij misogyn is, of bang voor vrouwen, in elk geval door zijn houding tegenover die sekse heel geschikt voor het bisdom Oswestry.
Ons vorige interregnum was een goeie periode, en dat was na een priester die iedereen graag mocht; helaas is een deel van de toenmalige parochianen inmiddels gestorven.

The Red Lion gaat trouwens ook in andere handen over. Als nu de nieuwe kastelein het maar niet in zijn hoofd haalt dat een glas bitter met een klein scheutje limonade, dat nergens beter smaakt dan onder het schellakkleurige geraamte van zestiende-eeuwse balken, waar wonderbaarlijk genoeg de rest van het plafond niet doorheen zakt, beter smaakt bij de opeenvolging van ergerlijke geluiden die de simplistische notenbalken van de voorbije zestig jaar vullen.

Kerstdag (woensdag)
Mijn zus heeft een kerstpreek teruggevonden die onze vader in 1943 onder zijn mededwangarbeiders in Berlijn heeft gehouden (Kerstmis viel toen op een zaterdag). Traditie is de democratie van de doden; deze twintigers konden morgen dood zijn: tegen aardige Berlijnse collega’s in de wapenfabriek van Siemens zeiden ze aan het eind van de werkdag ‘Bleib übrig!’ en nu vierden ze de democratie van de nog-levenden. ‘Wij romantiseren het licht met onze kaarsen,’ zei Willem, drieëntwintig jaar oud. ‘Maar licht is de normale toestand.’
Hij citeerde Heine, net als het kindeke een Jood, wat hij heel goed wist. Hij was bezig tuberculose op te lopen, waaraan hij in 1959 tijdens een longoperatie bijna bezweek. Had ik maar een krakende, flakkerende filmopname waarop Willem nog steeds zijn preek houdt, een in het Troje van mijn zus opgegraven object vol wit geschitter en met een boven de afgrond zwevende stem, nog in de retoriek geschoold toen het geschreeuw in Duitsland al aanzwol! Hij was als jonge puber bang dat het oorlog zou worden, maar het werd geen oorlog, hield hij zichzelf in bed voor, en als het toch oorlog werd, was hij te jong om te moeten vechten.
Ik stuur de preek naar Washington, of althans naar de telefoon van Christopher, want hij en Zippora zijn bij haar ouders in Colorado. Morgen zullen we zoomen. Of whatsappen. Ik onderdruk mijn hang naar rooksignalen of desnoods een bakelieten telefoon.

‘Ik vind het uitermate briljant!’ schrijft Christopher per kerende post terug (ook ‘kerende post’ haal ik uit een schoenendoos met archeologische vondsten, waar ouwe woorden tussen obsolete technologie verspreid liggen, een vulpen, een wekker, een adresboekje). ‘Het doet me wel iets, om zo’n preek van mijn drie jaar jongere grootvader te lezen.’

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.

Meer van Benno Barnard

Zondag 12 april Het is de sterfdag van mijn moeder. Ze ging op bed liggen – ‘Ik ben een beetje moe’, zei ze tegen mijn zus – en haar ogen braken. Dat is 31 jaar geleden. Ik was op bezoek bij Peter, die even buiten Lausanne in een zonnige kliniek lag te herstellen van zijn eerste hartoperatie. Het Meer van Genève …

Commentaren en reacties