fbpx


Binnenland, Geschiedenis
stemrecht

Slechts drie activistische burgemeesters ontslagen na WO I




Burgemeesters konden na de bevrijding in 1918 op twee manieren gestraft worden voor hun houding tijdens de bezetting. Enerzijds was er de strafrechtelijke procedure: de repressie. Die bracht burgemeesters voor de bevoegde krijgsraden en later voor de rechtbanken, wanneer zij inbreuken hadden gepleegd tegen de besluitwetten zoals die waren uitgevaardigd door de regering in Le Havre. Anderzijds was er, net zoals bij de magistratuur en de centrale overheid, een administratieve tuchtprocedure: de epuratie. Daarmee sanctioneerde en onderzocht het ministerie van…

Plus artikel - gratis maandabonnement

U heeft een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U heeft reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement



Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Burgemeesters konden na de bevrijding in 1918 op twee manieren gestraft worden voor hun houding tijdens de bezetting. Enerzijds was er de strafrechtelijke procedure: de repressie. Die bracht burgemeesters voor de bevoegde krijgsraden en later voor de rechtbanken, wanneer zij inbreuken hadden gepleegd tegen de besluitwetten zoals die waren uitgevaardigd door de regering in Le Havre.

Anderzijds was er, net zoals bij de magistratuur en de centrale overheid, een administratieve tuchtprocedure: de epuratie. Daarmee sanctioneerde en onderzocht het ministerie van Binnenlandse Zaken tussen november 1918 en april 1921, de eerste naoorlogse lokale verkiezingen, het gedrag van burgemeesters en kandidaat-burgemeesters. Op die manier kon het ministerie van Binnenlandse Zaken overal controleren wie benoemd werd.

Waardigheid van het ambt

Na 11 november 1918 werd er nagegaan of een burgemeester door zijn houding tijdens de bezetting de waardigheid van zijn positie of zijn ambt al dan niet in gevaar had gebracht. Zo’n onderzoek ging niet alleen over al dan niet vermeend activisme. Andere thema’s die aan bod kwamen waren ‘handel met de Duitsers, persoonlijke verrijking, verklikking, het verlaten van de post…

Het ministerie werkte nauw samen met de provinciegouverneurs en arrondissementscommissarissen. Deze laatste kenden de lokale verhoudingen het best en schreven dus de meeste rapporten. Er werd ook samengewerkt met de gerechtelijke instanties. Sommige van de klachten werden strafrechtelijk onderzocht, maar zelfs als deze niets hadden opgeleverd kon het dossier nog altijd leiden tot administratieve sancties.

26 ontslagen

Daarnaast kwamen er ook klachten vanuit de bevolking. De meeste ervan werden echt onderzocht. Ook de eerste naoorlogse gemeentelijke verkiezingen van 1921 zorgden voor een reeks nieuwe klachten. Ongeveer 10% van de 2262 burgemeesters moest een onderzoek ondergaan. Dat leidde tot 26 ontslagen.  Verklikking was ‘goed’ voor zes ontslagen, persoonlijke verrijking en postverlating voor drie. De Vlaamse burgemeesters van Nieuwenhove, Strijtem, Liedekerke, Bonheiden, Attenhoven, Opgrimbie, Neerharen, Elingen en Balegem, viel deze bedenkelijke eer te beurt.

Het onderzoek naar de rol die burgemeesters speelden bij de gedwongen deportatie van arbeiders naar Duitsland maakte duidelijk dat de hogere autoriteiten vaak begrip opbrachten voor de moeilijke situatie waarmee zij geconfronteerd waren. In Henegouwen kregen 13 burgemeesters een onderzoek omdat ze namen van arbeiders aan de bezetter zouden overhandigd hebben. Niet één werd hierom gesanctioneerd.

Wanneer men aanvoelde dat de burgemeester gedwongen was, of onder druk gezet, volgde er geen straf. Vooral het argument van schrik voor Duitse collectieve represailles en geweld tegen de bevolking was een valabel argument.

Lokale elites

Opvallend is dat het vooral burgemeesters van relatief kleine gemeenten, ja zelfs van het platteland waren die oorzaak waren van onderzoek. In de steden stonden zij in hun ambt sterker om zich af te zetten tegen de bezetter. Die vreesde daar immers meer voor instabiliteit of oproer en wist dat de burgemeester een serieuze impact had op zijn bevolking om dit te voorkomen. Op het platteland was die vrees stukken kleiner, de samenwerking beter.

Maar kon de bezetter zijn heerschappij wel handhaven zonder samenwerking met de lokale elites? En wat was bijvoorbeeld de impact van de burgemeesters rond voedselvoorziening en ordehandhaving? Wat was hun verzoenende rol bij sociale tegenstellingen, spanningen en strubbelingen? In een klein dorp was de rol van de burgemeester zichtbaar voor iedereen, zowel voor zijn politieke vrienden als tegenstanders. Rond deze dunne lijn van al dan niet gedwongen samenwerking, konden klachten makkelijker naar boven komen.

Drie activisten ontslagen

Om activistische redenen kregen amper drie burgemeesters ontslag, die van Sint-Joris-Winge, Duffel en Sinaai.

In Sint-Joris-Winge verloor Eugeen De Ruyter zijn sjerp op 20 januari 1919. Hij was toen al op de vlucht  en naar het buitenland vertrokken. Zijn collega uit Sinaai, Jozef Verstraeten, deed net hetzelfde. Zo ontsnapten zij aan het oordeel van de militaire rechtbanken die niet de bevoegdheid hadden om te (ver)oordelen bij verstek.

Jozef Verberck

De derde van het trio was Jozef Verberck van Duffel. Hij was de enige die de confrontatie aanging met de Belgische autoriteiten. Hij zou niet alleen gedweept hebben met vooraanstaande activisten, maar ook mensen overtuigd hebben om voor de Duitsers te gaan werken in Mechelen. De lokale vertegenwoordigers van het ‘Nationaal Comité voor Hulp en Voeding (NCHV)’ getuigden dat zij van hem heel wat tegenwerking hadden ervaren. Hij zou ook verklaard hebben dat hij voor de republiek en tegen de monarchie was.

Verberck ontkende deze laatste beschuldiging met klem en verdedigde zich door te stellen dat zijn engagementen vooral tot doel hadden de liefdadigheid te bevorderen. De klachten, zo zei hij, waren louter en alleen te verklaren door een politieke afrekening. Maar dat viel in dovemansoren: op 7 maart 1919 kreeg hij definitief zijn ontslag.

Nauwelijks aanwezig

Strikt genomen vervolledigt burgemeester Willem-Jan de Roy van Merchtem het rijtje. Hij was de enige activist die de Duitsers in 1918 daadwerkelijk hadden benoemd. Maar in een besluitwet van 8 april 1917 had de regering in Le Havre gesteld dat alle benoemingen door Duitse bezetter zouden vervallen vanaf het ogenblik dat het land bevrijd was. Daarom hoefde hij niet afgezet te worden. Ook de Roy was naar het buitenland gevlucht, net op tijd om aan de lokale volksrepressie te ontsnappen. Op 17 november werden zijn ruiten ingeslagen en zijn meubelen vernield.

Het klein aantal burgemeesters ontslagen wegens activistische activiteiten bewijst nog eens dat de activisten nauwelijks aanwezig waren in de lokale besturen.

Klachten en politieke strijd

De klachten rond activistische sympathieën bleven na de oorlog komen, maar ze waren niet zelden ingegeven door lokale politieke strijd.

Jozef Nolf was in 1920 kandidaat-burgemeester in Merksem. La Metropole, een uitgesproken patriottische krant, was daar vierkant tegen en iedereen mocht dat weten. De krant had de regering verschillende keren gewaarschuwd en ingelicht over de activistische activiteiten van deze man. ‘Dit is zo schandalig dat alle gemeenteraadsleden zouden gedreigd hebben ontslag te nemen indien de benoeming doorging’, beweerde de krant. Los van deze dreiging benoemde minister Jules Renkin Jozef Nolf toch.

Dat gebeurde niet met de mensen die in 1921 opkwamen voor de Frontpartij en op basis van de verkiezingsuitslagen de sjerp konden opeisen. Vooral in het Pajottenland scoorde de Frontpartij heel sterk. Minister van Binnenlandse Zaken Henri Carton De Wiart weigerde evenwel hun leden te benoemen. In het Kester van Staf De Clercq, haalde de partij 7 van de 9 zetels, maar het was iemand van de katholieke lijst die burgemeester werd. Ook in Gooik, Oudenaken en Oetingen konden de Vlaams-nationalisten hun meerderheid niet verzilveren.

Ondanks een goed rapport

Ook andere plaatselijke politici dan leden van de Frontpartij grepen naast een benoeming. Gustaaf Waterschoot was kandidaat-burgemeester in Oud-Turnhout, maar de arrondissementscommissaris weigerde dit te bevestigen aan de gouverneur wegens vermeende activistische activiteiten.

Auguste Carlens, in Neerlanden, verloor de sjerp ondanks een goed rapport van de arrondissementscommissaris over zijn bestuur tijdens de oorlog. Hij zou deelgenomen hebben aan een activistische manifestatie in Hasselt.

Over Richard Torbeyns in Molenbeek-Wersbeek deed het gerucht de ronde dat hij de vijand politiek had geholpen. Hij was bijvoorbeeld lid geweest van een activistische organisatie als de Vlaamsch-katholieke arrrondissementsbond.

Compleet ongeschikt

Theophile Laermans in Kraainem had tijdens de oorlog vergeefs geprobeerd zich te laten benoemen.  Zijn lijst haalde in 1921 de meerderheid en hij was stemmenkampioen. Toch moest hij zich tevredenstellen met de post van eerste schepen. Charles Verhaegen van de oppositie werd in zijn plaats benoemd. Laermans was ‘compleet ongeschikt om burgemeester te worden, maar er is werkelijk niemand anders binnen de meerderheidslijst om de functie uit te oefenen’, kreeg de Brabantse gouverneur Emil de Béco te lezen.

Niet elke klacht zorgde voor een niet-benoeming. Hubert Gelade uit Sint-Lambrechts-Herk kreeg zijn benoeming wel. De klachten tegen hem werden nietig verklaard.

Karel Caluwaerts kreeg het in Wommelgem aan de stok met de lokale voorzitter van het NCHV. Caluwaerts had deze beschuldigd van persoonlijke verrijking op kap van het comiteit, waarop deze de burgemeester beschuldigde activistische vrienden te hebben. De klachten tegen hem bleken niet gegrond.

Geen separatist

Ook Frans Dekelver uit Diem kreeg klachten aan zijn been. Niet gefundeerd zei de arrondissementscommissaris. ‘Hij was wel Vlaming maar zeker geen separatist.’

Adriaan De Jong uit het Antwerpse Halle greep dan weer naast de sjerp, omdat hij te veel onder activistische invloed gestaan had. Hier was het vermoeden van beïnvloeding dus wel groot genoeg.

 

Johan Van Duyse

Johan Van Duyse (1953) is erkend gids voor en in de Westhoek en gefascineerd door WO I. Hij publiceerde het boek '1919: Een jaar van (on)vrede'.