Cultuur, Politiek

Subsidies en verslavingssyndromen

Het succes van subsidiologen

Het subsidiesyndroom bestaat erin dat men voor elk maatschappelijk, economisch of sociaal probleem de invoering van een subsidie als enige redmiddel ziet. Zo komen kabinetten na intensief denkwerk en dure analyses – vaak uitgevoerd door een bevriend studiebureau – steeds weer tot de conclusie dat subsidies de oplossing zijn. Vroeger zag men dit syndroom hoofdzakelijk in linkse ideologische hoek, maar nu merk ik dat ook rechts stilaan besmet raakt.

Het invoeren en uitbetalen van deze geldstromen moet uiteraard gefinancierd worden en dat moet dan maar met het invoeren of verhogen van belastingen. Daarvoor viseren ze steeds weer de grootste maatschappelijke groep uit onze samenleving, de middenklasse. Want ook de overheid weet dat het belasten van deze groep het efficiëntst is, en op korte termijn de staatskas vult. Hardwerkende burgers die net genoeg verdienen om hun belastingen te betalen, maar te veel om van sociale voordelen te genieten, zijn het kind van de rekening. In deze middenklasse zit eigenaardig genoeg ook de ambtenarij die mee verantwoordelijk is voor dit vreemde denkwerk.

Frappant is ook dat steden en gemeenten die als overheid zelf een resem subsidies aanbieden, subsidiologen in dienst nemen om alle beschikbare subsidies van bovenlokale overheden binnen te halen. Belastinggeld van het ene niveau moet dienen om belastinggeld van het andere niveau binnen te halen, met als doel de belastingbetaler op het ene niveau minder te doen betalen, en meer op het andere niveau. Neen, dat is geen passage uit Kafka, maar de dagelijkse realiteit in Vlaanderen.

Economische subsidies

Ook ondernemingen nemen steeds vaker subsidiologen in dienst. Subsidies binnenhalen is een vak op zich, en tegenwoordig zijn er tal van bedrijven die tegen betaling subsidies napluizen en ze in naam van hun klanten aanvragen. Maar net zoals creatief boekhouden, is ook dit in grote mate weggelegd voor grote ondernemingen. Kleine bedrijven vallen meestal uit de boot, want hoe groter de subsidiebedragen, hoe hoger de vergoedingen.

Niet dat alle subsidies aan bedrijven per definitie verkeerd zijn: voor onderzoek en innovatie kan in sommige gevallen een tijdelijke subsidie een belangrijk maatschappelijk nut dienen. Maar elk bedrijf dat substantieel op subsidies drijft, leeft in een coma. De coma van de pseudo-staatsinstelling. Niets is gratis en ook voor subsidies betaal je een prijs, en deze heet vrijheid.
Ontsporingen komen het vaakst voor bij politiek-ideologisch geïnspireerde subsidies.
Het duidelijkste voorbeeld van zo’n aberratie is de subsidiëring via groenestroomcertificaten (GSC). Deze subsidies aan ‘groene’ bedrijven zijn zó hoog dat het jackpots zijn, en de bevolking blijft in de kou.

Als voorbeeld nemen we twee offshore windmolenbedrijven voor de Vlaamse kust. C-power (Deme/Nuhma) haalde tussen 2009 en 2016 een omzet van 700 miljoen euro. Deze omzet kwam voor 480 miljoen euro uit subsidies, en voor 220 miljoen uit de verkoop van elektriciteit. Belwind (Colruyt/Sumitomo) haalde tussen 2011 en 2016 een omzet van 450 miljoen euro. Deze omzet werd gerealiseerd door de ontvangst van 320 miljoen euro subsidies, en door 130 miljoen uit de verkoop van elektriciteit. Mochten cafébazen op dezelfde manier gesubsidieerd worden, dan kregen ze 5 euro subsidie per pint van 2 euro die ze verkopen. Vanaf 2013 betaalde Belwind 20 miljoen euro dividenden uit aan zijn aandeelhouders. Dank je wel belastingbetaler! Zo weet die meteen waarom Colruyt naast supermarkten ook windmolens uitbaat.

Cultuursubsidies

Ik ben een cultuurminnende mens, schrijf poëzie en ben een gepassioneerd toneel- en musicalspeler. Maar wie dacht in mij een fan van grenzeloze cultuursubsidies te vinden, vergist zich. Elke overheid moet op haar niveau een bijdrage leveren aan cultuur, maar de manier waarop dat nu gebeurt vind ik storend. Het is voor mij onbegrijpelijk hoe steden en gemeenten cultuurtempels – ik gebruik bewust de term ‘tempel’ – bouwen op een steenworp van elkaar. Het overaanbod aan cultuurzalen heeft als gevolg dat de lokale verenigingen amper 10% van de bezetting leveren. De rest moet dan maar gerealiseerd worden door de lokale cultuurdienst, uiteraard met belastinggeld. Daardoor ontstaat er een concurrentiestrijd tussen naburige steden en gemeenten. Een dure strijd om het aantrekken van bezoekers van hun tempel, met meer en meer belastinggeld dat naar reclame en marketing gaat.

Het geld voor de bouw van overtollige cultuurzalen en het voeren van intergemeentelijke concurrentie zou beter besteed worden aan de werking van lokale cultuurverenigingen, die doorgaans op vrijwilligers draaien. Daarenboven is er het spijtige neveneffect dat kleine, pittoreske, privé uitgebate theaterzaaltjes verzuipen en failliet gaan, of de onzinnige strijd tegen het belastinggeld opgeven.

Wat mij ook stoort is dat alles tegenwoordig groots tot bombastisch moet zijn, wil het subsidies binnenrijven. Een toneelstuk of musical moet imponeren door zijn omvang en technische hoogstandjes. Het moet paarden hebben die op een draaiend podium galopperen, of vuurwerk, lasers, 3D-videoprojectie … om massaal subsidies toegestopt te krijgen. Ik hou van het kleine theater met een beperkt decor. Een bescheiden theaterstuk met de ziel van Vlaanderen dat de nadruk legt op de acteer-, zang- of dansprestatie eerder dan de miljoenen euro’s aan prullaria die de aandacht van de echte podiumkunst wegtrekken. Geef minder subsidie, maar subsidieer meer het hart van de cultuur.

Ik erger mij ook aan de verkwisting van belastinggeld voor filmfestivals. Vlaanderen kent drie grote filmfestivals: Gent, Brussel en Oostende.  Nu is er ook wel een groei van de Vlaamse filmindustrie, maar moeten we echt drie festivals organiseren in een straal van 100 km? Gaat het hier om het prestige van de lokale politiek, of is er echt nood aan drie bekroningen van nationale en internationale films? Ik denk het eerste. Een electoraal geïnspireerde rode-loper-parade is het, betaald met belastinggeld.

Voetbal

In mijn boek De illegale Ghelamco Arena omschreef ik de overdreven en vaak illegale staatsteun aan professionele voetbalploegen. De subsidies via fiscale uitzonderingsregimes zijn niet minder dan hallucinant. Sinds 1981 al geniet het Belgische profvoetbal van kortingen op sociale lasten, en sinds 2008 mogen ze maar liefst 80% van de bedrijfsvoorheffing op de riante spelerslonen houden. De voorkeursbehandeling voor voetbalclubs in de sociale zekerheid is niet gering. Een gewone werknemer en een normaal bedrijf betalen samen minstens 46% sociale bijdragen op het volledig brutoloon. Niet zo voor de soms zeer hoge lonen bij voetbalclubs. De clubs betalen slechts sociale bijdragen op het minimumloon. Al het loon dat daarboven ligt, is vrijgesteld van sociale bijdragen. De winst is navenant, en des te groter naarmate het loon hoger is.

Bij een brutoloon van 50.000 euro per maand, wordt met dit systeem bijvoorbeeld maar een sociale bijdrage betaald op 3% van het loon, en wordt 97% vrijgesteld van sociale bijdragen. Vanaf 2008 genieten de voetbalclubs (ook basketbal en volleybal) een vrijstelling van 80% van de bedrijfsvoorheffing voor jongeren onder de 26 jaar. Dat voordeel geldt ook voor oudere sportbeoefenaars, op voorwaarde dat de club minstens de helft van het bedrag besteedt aan de opleiding van jongeren tussen 12 en 23 jaar. De staatssteun aan koning voetbal loopt zo op tot in de miljarden euro’s.

Politici en voetbalbond zijn hypocriet. Ze willen een professionele voetbalcompetitie tussen professionele voetbalbedrijven, maar dan wel een die via uitzonderingswetten, subsidies en illegale staatssteun gerund wordt, en onder curatele van de politiek leeft.

Verslaving

Het overaanbod aan subsidies genereert een verlies aan inzet en kracht om uit eigen beweging te presteren. Een pamperende subsidiecultuur heeft meer asociale effecten dan positieve resultaten. Sommige politieke partijen installeren in bepaalde steden en gemeenten een paternalistische subsidiecultuur. Politieke alfabavianen die subsidies uitdelen en zo verenigingen en bedrijven hun recht op een waardig, zelf bevochten bestaan ontnemen. Deze gepolitiseerde subsidiecultuur zorgt ervoor dat het electoraat afhankelijk blijft van de politici en hun systeem. Verenigingen en bedrijven worden opgesloten in de gevangenis van hun eigen verslaving. Politici houden hen onder controle, zoals pooiers met gratis drugs hun heroïnehoertjes in het lijntje laten lopen.

Ignace Vandewalle

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Ignace Vandewalle?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbraak.

Ik help Doorbraak groeien.
Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans