Communautair, Economie

Tien miljard: koopkracht jaarlijkse transfer van Vlaanderen naar de andere Gewesten

De realiteit achter de transfers

Over de financiële transfers tussen de Belgische gewesten wordt er al jaren gebakkeleid. Herman Deweerdt becijferde voor Doorbraak de hoogte van de huidige transfers op 10 miljard euro in 2017. In onderstaande analyse doet hij uit de doeken hoe hij aan dit indrukwekkende bedrag komt.

Zoek het verschil

Transfers zijn geen mysterieuze verschijnselen die zich afspelen in het luchtledige of ver van ons bed. Een transfer is het verschil tussen twee bedragen. Transfers kunnen berekend worden tussen de leden van een gezin, tussen deelgemeenten. Ook tussen de gemeenten, de arrondissementen, de provincies en de gewesten of tussen de landen van Europa. In België gebeuren de meeste transferberekeningen tussen de gewesten; omdat dit de politiek relevante niveaus  zijn en omdat er op die niveaus veel officiële gegevens beschikbaar zijn. Transfergegevens liggen echter niet voor het rapen. Ze moeten berekend worden. Hoe doet men dat?

In wat volgt plaatsen we ons op het standpunt van ‘Entiteit I’: de Federale Overheid geconsolideerd met de sociale zekerheid. Er moeten twee vragen beantwoord worden:

  1. Hoeveel besteedt Entiteit I aan de inwoners van elk gewest, inbegrepen de bedragen ter financiering van de gewesten en de gemeenschappen als politieke entiteiten?
  2. Hoeveel ontvangt Entiteit I van de inwoners en de vennootschappen van ieder gewest, in de vorm van belastingen en bijdragen aan de sociale zekerheid, om de uitgaven van vraag 1 te financieren.

De Universiteit van Namen berekende dat er in het jaar 2012 een bedrag  van 7,8 miljard (inclusief nul euro op de rentelasten) wegvloeide van Vlaanderen naar de andere gewesten. Mijn berekening leverde toen de som op van 8,3 miljard euro, zonder de transfer op de rentelasten. Een verschil van 500 miljoen euro met een Waalse universiteit mag beschouwd worden als ‘bijna geen verschil’. Er bleef wel een groot principieel meningsverschil over de transfer op de rentelasten. De Universiteit van Namen erkende de noodzaak om de transfer op de rentelasten te berekenen, maar in hun opvatting bedroeg die altijd nul euro. Hoezo nul euro…?

De reden is vrij eenvoudig. Zij verdeelden de rentelasten van een bepaald jaar, zijnde een uitgave van Entiteit I, over de gewesten in dezelfde verhouding als de verdeling van de gewestelijke ontvangsten in hetzelfde jaar. De zo verdeelde uitgave van de rentelasten werd dan vergeleken met de op dezelfde manier verdeelde bijdrage. Vanzelfsprekend is het verschil per gewest dan altijd nul. Aldus, volgens hun redenering zijn de schulden – en als gevolg hiervan de rentelasten – ontstaan omdat het gewest dat het meest bijdroeg (Vlaanderen) in 2012 (en ook al tientallen jaren voordien) niet genoeg had bijgedragen. Van die boer geen eieren…

Ik verdeel de jaarlijkse interestlast over de Gewesten in dezelfde verhouding als de gecumuleerde uitgaven per Gewest vanaf 1990. Niet perfect maar in afwachting van een historische reconstructie vanaf 1830 van het ontstaan van de Belgische overheidsschuld per gewest, inbegrepen van de gedane terugbetalingen, de best denkbare aanpak. Wie doet een beter voorstel?  Zo berekende ik toen, op dezelfde manier als op alle andere gewestelijk verdeelde uitgaven, voor de rentelasten een transfer van 0,7 miljard euro wegvloeiend uit Vlaanderen. Voor 2012 bedroeg de totale transfer volgens mijn analyse dus 9 miljard[1].

Op deze gewestelijk verdeelde uitgave van de rentelasten wordt dan de transfer berekend op dezelfde manier als op alle andere gewestelijk verdeelde uitgaven. Niet perfect maar in afwachting van een historische reconstructie vanaf 1830 van het ontstaan van de Belgische overheidsschuld per gewest, inbegrepen van de gedane terugbetalingen, de best denkbare aanpak. Wie doet een beter voorstel?

Voor het jaar 2017 kom ik nu op een totaal bedrag van 10 miljard, wegvloeiend uit het Vlaams Gewest. (Waarvan 0,7 miljard op de rentelasten.)

C’est la solidarité

Een transfer van 10 miljard, is dit veel? Dit is relatief. Groen drukt de kosten voor het klimaat uit als een percentage van het bruto binnenland product van België en van de EU. Dan is 10 miljard maar 2,27763 % van het bbp van België en slechts 0,06501 % van het bbp van de EU 28. Volgens Groen te verwaarlozen. Maar is dat zo?

Laten we eens nagaan wat dit alles betekent voor de betrokken gezinnen. Van de 10 miljard euro die wegvloeit uit het Vlaams Gewest gaat er 8,3 miljard naar Wallonië en 1,7 miljard naar Brussel. In Wallonië betekent dit jaarlijks een ontvangst van 2.310 euro per inwoner of gemiddeld 5.100 euro per gezin. In Brussel betekent dit jaarlijks een ontvangst van 1.470 euro per inwoner of gemiddeld 3.100 euro per gezin. Let op echter voor gemiddelden. De minst bemiddelden in Wallonië krijgen veel meer dan het gemiddelde en de meest rijken  krijgen niets. Integendeel, zij moeten betalen. Maar voor alle Walen beteken de transfers een voordeel: ofwel krijgen zij meer (de ‘armsten’), ofwel moeten zij minder betalen (de ‘rijken’). (In de veronderstelling dat de Walen hun eigen huishouding in evenwicht willen brengen of geen extra schulden willen maken.)

Dezelfde redenering geldt voor het Brussels Gewest. Voor het Vlaams Gewest is de overdracht van 10 miljard euro een verlies aan koopkracht van 1.550 euro per inwoner of gemiddeld 3.600 euro per gezin. Is dit veel? In ieder geval hebben de Franstaligen hier geen enkele moeite mee. Zij vinden dit normaal. C’est la solidarité. Wat dat laatst betreft, hebben ze alleszins gelijk…

Hoe ontstaan transfers?

Aangezien een transfer het verschil is tussen de uitgaven en de ontvangsten moeten we ons afvragen: welke factoren bepalen de inkomsten en uitgaven van Entiteit I?  Dit alles ligt vast in wetten. De meeste wetgeving is van toepassing op individuen en verschilt van geval tot geval: de uitkeringen aan werklozen, de terugbetaling van kosten voor geneeskundige verzorging, de uitbetalingen voor pensioenen. Sommige uitgaven zoals voor de ambtenaren in de federale administratie worden vastgelegd in de begroting, in aantallen en barema’s. De uitgaven aan de gewesten en de gemeenschappen worden nauwkeurig bepaald op basis van een aantal parameters zoals vastgelegd in de Bijzondere Financieringswet. De rentelasten zijn gelijk aan de som van de interesten die jaarlijks moeten betaald worden op de openstaande schulden van Entiteit I zoals vastgelegd in de leningsovereenkomsten.

De ontvangsten bestaan uit allerlei federale belastingen (personenbelasting, vennootschapsbelasting, BTW en accijnzen, en de bijdragen van werknemers, werkgevers en zelfstandigen aan de sociale zekerheid). Dit alles is haarfijn vastgelegd in wetten en reglementen.

Tot zover geen probleem. De problemen ontstaan pas bij de verdeling van de diverse uitgaven en de diverse ontvangsten per gewest. Toch valt dit nogal mee. De uitgaven voor werkloosheid, pensioenen voor werknemers en zelfstandigen, geneeskundige verzorging, ziekte en invaliditeit, leefloon, zijn per gewest tot op de euro nauwkeurig gekend. De wedden van de federale administratie evenals hun pensioenen kunnen op basis van de taalrol vrij goed verdeeld worden per gewest.

Aan de ontvangstzijde zijn de personenbelasting en de bijdragen aan de sociale zekerheid tot op één euro nauwkeurig gekend per gewest. Voor de btw en de accijnzen gebruiken we het beschikbaar inkomen uit de regionale rekeningen als basis voor de verdeling. De verdeling van de vennootschapsbelasting is het moeilijkst en daardoor altijd betwistbaar. Moeilijk wegens de grote concentratie van vennootschappen in Brussel, inbegrepen hoofdzetels van nationale en multinationale maatschappijen met activiteiten in verschillende gewesten en landen. Het is fout om de vennootschapsbelasting volgens de plaats van inning te verdelen over de gewesten. Verdeling op basis van het bruto binnenlands product volgens de regionale rekeningen is ook fout omdat bijna de helft van de productie op het grondgebied van het Brussels Gewest gepresteerd wordt door de Vlaamse en Waalse pendelaars. We hebben als basis voor de verdeling van de vennootschapsbelasting het bruto regionaal product genomen gecorrigeerd voor de netto pendelarbeid. Dit blijft onbevredigend. Maar aangezien de vennootschapsbelasting nog geen 20 % bedraagt van de som van de personenbelasting en de sociale bijdragen, kan de foutenmarge in de totale financiering dus niet groot zijn. Ik weet in ieder geval niet in welke richting er een fout zou zijn.

Op zich is de toepassing van de wetgevingen op de uitgaven en de ontvangsten, en de verdeling ervan per gewest geen oorzaak van transfers. Indien de economische, sociale en demografische verhoudingen in de drie gewesten gelijk of ongeveer gelijk zouden zijn, dan zouden de transfers nul of ongeveer nul euro bedragen. Dit is nu niet het geval en ook niet vanaf 1970. Toen zijn ze ook niet op één dag ontstaan. Hoewel er zeer veel factoren zijn die de omvang van de transfers veroorzaken, kunnen we ons beperken tot enkele geaggregeerde cijfers op het gebied van de uitgaven en van de ontvangsten.

De uitgaven  van Entiteit I

  1. Werkloosheidsgraad. Ten opzichte van Vlaanderen is de werkloosheidsgraad in Wallonië tweemaal en in Brussel driemaal zo groot. Deze structurele verschillen bestaan al sedert 1995 in deze verhouding. Deze factor heeft een grote invloed op de verschillende vormen van armoede. Het armoederisico in het Vlaams Gewest bedraagt 9,8 %, in Wallonië 21,2 % en in Brussel 33,3 % (nog veel slechter dan Bulgarije en Roemenië !). Vlaanderen heeft het laagste armoederisico in Europa na Tsjechië. (Vroeger was het lange tijd na Nederland.)
  2. Volgens het Planbureau zal de afhankelijkheidsgraad (het aantal 67-plussers ten opzichte van de bevolkingsgroep (18-66) zowel in Vlaanderen als in Wallonië met de helft stijgen naar 42 % en 38 % in 2040. Vanaf dan zal het percentage in Vlaanderen stabiel blijven en verder stijgen in Wallonië naar 42%  in 2070. Op dat ogenblik zal dit percentage in Brussel nog maar 26 % bedragen. Niettegenstaande de opwarming van de aarde (of misschien juist daardoor), zal de levensverwachting in de drie gewesten verder stijgen tot tenminste in 2070. In Vlaanderen met 8,8 jaar bij de mannen en 6,1 jaar bij de vrouwen. In Vlaanderen zullen de mannen en de vrouwen dan drie jaar langer leven dan in Wallonië. (En ook langer leven dan in Brussel.)
  3. Geneeskundige verzorging. De laatste publicatie van het RIZIV over deze uitgaven ‘in geografisch perspectief’ dateert van 2013. De vergrijzing is de bepalende factor bij deze kosten. Sedert 2006 is het Vlaamse aandeel heel lichtjes gestegen, maar deze trend zal zich in de komende jaren wegens de stijgende afhankelijkheidsgraad zowel in Vlaanderen als in Wallonië versneld doorzetten. Van de in Vlaanderen uitgegeven kosten gaat ruim meer dan de helft naar de 65-plussers; in Wallonië iets meer dan de helft en in Brussel iets minder dan de helft.
  4. Pensioenen voor werknemers en zelfstandigen. In het kader van transferberekeningen is dit de enige uitgave in het Vlaams Gewest die beduidend boven het bevolkingsaandeel ligt. Dit is het logisch gevolg van het feit dat vooral de werkzaamheidsgraad, en dus ook de inkomens en dus de pensioenrechten in het Vlaams Gewest al meer dan 35 jaar boven het bevolkingsaandeel liggen.
  5. Federale overheid.
    1. De personeelskosten (beloning van het personeel en de aanverwante kosten) zijn verdeeld over de gewesten op basis van hun taalrol waarbij het aantal ambtenaren toegewezen aan het Brussel berekend is op basis van 85 % Franstaligen en 15 % Nederlandstaligen ten dienste van de inwoners in het Brussels Gewest.
    2. De pensioenen ten laste van de staatskas zijn deze van:
      1. het personeel van de Federale overheid verdeeld over de gewesten zoals in punt a.
      2. de gewesten zoals gekend per gewest
      3. de gemeenschappen en de onderwijsnetten (Nl, Fr, D) waarvan een deel toegewezen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op basis van 80 % Franstaligen en 20 % Nederlandstaligen.
    3. Meest bepalend bij de verdeling van de personeelskosten en de pensioenen is dat slechts 53,2 % van de Federale ambtenaren tot de Nederlandse taalrol behoren en 46,8 % tot de Franse taalrol (inbegrepen enkele honderden Duitstaligen).
  1. Gewesten en Gemeenschappen. Verdeeld volgens de Bijzondere Financieringswet. Van de financiering van de Gemeenschappen is een deel toegewezen aan het Brussels Gewest rekening houdend met 80 % Franstaligen en 20 % Nederlandstaligen te Brussel. Bij iedere staatshervorming werden bevoegdheden overgedragen samen met de financiële middelen die de federale overheid er voordien per gewest aan besteedde. Het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap hebben dus nooit hun rechtmatig aandeel van hun bijdragen gekregen. Het Waals Gewest en het Brusselse hebben altijd meer dan hun aandeel in de bijdragen gekregen. De enige uitzondering was de Lambermont- turbo met een bescheiden gunstig effect voor Vlaanderen; maar dit werd bij de laatste staatshervorming afgeschaft.

De ontvangsten van Entiteit I

  1. De werkzaamheidsgraad. Dit is het aantal werkenden in de bevolkingsgroep van 20-64- jarigen. Dit is de belangrijkste bepalende factor op het gebied van de ontvangsten van Entiteit I. Met 73 % ligt het Vlaams Gewest bijna één procent boven het EU-gemiddelde, maar blijft 5 % onder Nederland, Duitsland, Denemarken en Noorwegen. En ver onder Zweden en Zwitserland die zelfs een werkzaamheidsgraad van 82 % kennen. Waarom kunnen die landen dat?
  2. Werkenden exclusief de overheidssector. Deze maatstaf geeft aan hoe het aantal werkenden in het geheel van de primaire sector (landbouw en visserij), de secundaire sector (industrie) en de tertiaire sector (de commerciële dienstensector) gewestelijk verdeeld is. Dus zonder de overheidssector (overheid, defensie, gezondheidszorg, onderwijs, cultuur…) die bijna volledig gesubsidieerd is. Het zijn dus vooral de eerste drie sectoren die op de markt actief zijn en de bron zijn van de inkomsten. Bijna 64 % van dit ‘markt’-aandeel ligt in het Vlaams Gewest. Let wel: dit zegt zeer veel over de oorsprong van de financiële middelen,  maar zeer weinig over het maatschappelijk nut. Werken in het onderwijs of de gezondheidssector is veel nuttiger dan het produceren van wapens, bijvoorbeeld.
  3. De Gewestelijke verdeling van de personenbelasting, van de bijdragen aan de sociale zekerheid, van de BTW en de Accijnzen, en van de vennootschapsbelasting stemt in zeer grote mate overeen met de Gewestelijke verdeling van het aantal werkenden zonder de quartaire sector. Deze laatste factor is dus de krachtbron voor de financiële ontvangsten.

Het totaal van de financiële middelen die gewestelijk kunnen verdeeld worden, bedraagt: 164,8 miljard euro. De procentuele verdeling hiervan (zie 8.) wordt gebruikt bij iedere uitgave waarvan men de transfer wil berekenen. Het procentuele verschil tussen een uitgave per gewest (zie tabel 1) en de ontvangst per gewest voor diezelfde uitgave (zie tabel 2 op lijn 8)  is de transfer. Met deze 164,8 miljard zouden we transfers kunnen berekenen op maximum dit bedrag aan gewestelijk verdeelde uitgaven.

In feite hebben we  voor 149,6 miljard euro de uitgaven gewestelijk kunnen verdelen. We kunnen dus slechts op dit bedrag transfers berekenen.

De overdracht van koopkracht: concreet

Na de berekening van de transfers zoals hiervoor beschreven kunnen we het volgende besluiten:

Besluiten:

  1. Het aantal werkenden in de economische sector, dus zonder de zwaar gesubsidieerde overheidssector is sterk bepalend voor het deel van de financiële middelen dat Entiteit I ontvangt vanuit ieder gewest.
  2. Voor de 85,2 miljard euro die Entiteit I uitgeeft in het Vlaams Gewest (zie tabel 1.), betalen de inwoners en de bedrijven van dit gewest 95,4 miljard euro. Dus 10,2 miljard meer dan nodig. Dit is de overdracht van koopkracht naar de andere gewesten of ‘de transfer’.
  3. Dezelfde redenering toegepast op het Waals en Brussels Gewest laat zien dat deze gewesten respectievelijk 8,4 miljard en 1,8 miljard te weinig betalen voor wat Entiteit I aan hen uitgeeft. Geen probleem: Entiteit I zorgt voor de extra koopkracht in deze gewesten, via de transfers, ter hoogte van het bedrag dat het Vlaams Gewest te veel betaald heeft.
  4. In het Waals Gewest bestaan er voor alle uitgaven tekorten.
  5. In het Brussels gewest is de toestand op enkele punten minder erg of zelfs beter dan in Wallonië. De hoofdreden hiervan is dat het Brussels Gewest nog relatief jong is en hierdoor minder kosten kent voor geneeskundige verzorging en voor pensioenen aan werknemers en zelfstandigen.
  6. Als we meer in detail kijken, blijkt dat de inwoners en bedrijven van het Vlaams Gewest:
    1. 26 % betalen van de werkloosheid in Wallonië (29 % in Brussel);
    2. 36 % betalen van het leefloon in Wallonië (70 % in Brussel);
    3. 16 % betalen van de geneeskundige verzorging in Wallonië;
    4. 25 % betalen van ziekte en invaliditeit in Wallonië;
    5. 23 % betalen van de pensioenen t.l.v. de staatskas (19 % in Brussel);
    6. 15 % betalen van het budget dat ze in Wallonië krijgen (22 % in Brussel) voor de overgedragen bevoegdheden aan gewesten en gemeenschappen. Dat het Waals Gewest binnen 15 jaar uitgerookt zal worden (aldus de Vlaamse kranten) raakt kant noch wal. Dat het Vlaams Gewest sedert 1989 uitgemolken wordt (met de medewerking van de Vlaamse partijen) is wel een feit. (En dit schrijven de Vlaamse kranten niet.)

Er is niets mis met solidariteit. Maar de intergewestelijke solidariteit in België is niet van het type ‘11.11.11-steun’. Het gaat hier over een massale overdracht van koopkracht van het ene gewest naar de twee anderen. Die bestaat al meer dan vijftig jaar en geef niet aan beduidend te zullen verminderen, laat staan dat die geldstroom ooit zou omkeren. Bovendien zal de vergrijzing in Vlaanderen en Wallonië in de komende 20 jaar aanzienlijk toenemen. Dan zullen vele extra miljarden nodig zijn voor pensioenen, geneeskundige zorg en bejaardenhulp. Is het niet tergend, onverantwoordelijk, zelfs misdadig, dat wij in Vlaanderen zullen werken en het nodige geld verdienen maar een belangrijk deel ervan niet voor onze eigen noden zullen kunnen gebruiken? Dan hebben we het nog niet gehad over het financieren van de kosten die verbonden zijn aan de klimaatverandering. Meer belastingen betalen en/of meer besparen is dan de oplossing.


[1] Mijn redenering voor het bepalen van de transfer op de rentelasten is de volgende. De  leningen zijn aangegaan om de uitgaven van Entiteit I te betalen. Dit kost interesten. De jaarlijkse interestlast is dus de som van de in het betrokken jaar vervallen interesten op de nog openstaande leningen. Ik verdeel de jaarlijkse interestlast over de Gewesten in dezelfde verhouding als de gecumuleerde uitgaven per Gewest vanaf 1990.

Herman Deweerdt

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans