JavaScript is required for this website to work.

Bibliotherapie: what’s in a word?

Jürgen Pieters8/4/2026Leestijd 4 minuten
Illustratiebeeld

Illustratiebeeld

foto © Unsplash

Trouwe lezers van deze rubriek zullen het zich mogelijk herinneren: om de twee weken gaat de Leesneus op dinsdagochtend naar het plaatselijke rusthuis om daar met een groep bewoners samen een kortverhaal en een gedicht te lezen. Ik lees voor, zij luisteren en volgen mee op de kopieën die ik hen van de tekst geef. Met een letter die groot genoeg is: het oude oog wil ook wat.

Dat Samen Lezen (de hoofdletters zijn gewettigd) doe ik intussen al bijna twee jaar, met toenemend plezier. Aan de universiteit doe ik tegelijk onderzoek naar bibliotherapie, waar dat Samen Lezen mogelijk toe behoort. Dat onderzoek draait om de vraag of het lezen van boeken (literatuur, in mijn geval) het welbevinden van mensen bevordert. Of dat lezen ervoor zorgt dat de mensen zich tijdens of na het lezen beter gaan voelen.

Om de veertien dagen zie ik op dinsdag dat het antwoord op die vraag ‘ja’ kan zijn – ‘ja’ moet zijn. De deelnemers aan de sessies komen met plezier terug. Ze amuseren zich tijdens onze bijeenkomsten. Ze kijken bij het afscheid uit naar de volgende lectuur.

Dienstverlening

‘Bibliotherapie’ is nochtans een lastig woord. Het tweede deel van de samenstelling roept associaties op die tegengesteld lijken aan de gezelligheid en het plezier die onze leesbijeenkomsten kenmerken. Is een therapie niet iets wat moeite moet kosten, lastig moet zijn, pijn moet doen?

In onze hedendaagse oren heeft het woord ‘therapie’ een medische connotatie. In de taal van de oude Grieken was dat nog niet het geval: ‘therapeia’ betekende in de eerste plaats ‘dienstverlening’. Een ‘therapon’ was iemand die iemand anders een dienst verleende, niet meer of minder.

Moravia

Bij Samen Lezen draait het in wezen om de tekst. Sinds een paar sessies lees ik met de deelnemers een kortverhaal van de Italiaanse schrijver Alberto Moravia. Bij toeval had iemand in het boekenkastje in mijn voortuin diens Romeinse verhalen achtergelaten. Die blijken wonderlijk goed te werken in het rusthuis.

Vaak zijn de vertellers van Moravia’s verhalen ietwat aan lager wal geraakte mannen, die bijzonder onhandig zijn in de omgang met vrouwen. Ze hebben baantjes die niets voorstellen, vinden niet altijd een goede plek om te overnachten en ze stonden doorgaans niet vooraan toen het verstand werd rondgedeeld. Om al die redenen roepen ze sympathie op bij de dames van erg hoge leeftijd die in mijn leesgroep in de meerderheid zijn.

Vaak zijn die dames erg kritisch voor de vrouwelijke personages in de verhalen die we lezen. Niet zelden twijfelen ze aan de goede bedoelingen van de vrouwen die Moravia in zijn verhalen opvoert. Toegegeven, vaak zijn de mannelijke vertellers in zijn verhalen het echt zwakkere geslacht. En wie zwak is, krijgt bij het lezen niet zelden de sympathie.

Chinese hond

Een paar weken geleden lazen we het verhaal van een werkloze klaploper die om wat geld te verdienen een nieuwe baan had uitgevonden. Hij ontvoerde honden van rijke mensen en bracht de dieren een paar dagen later terug naar hun baasjes in de hoop een beloning op te strijken.

Op een dag steelt hij een hond waarvan de beschrijving doet vermoeden dat het om een chowchow gaat – paarse tong, dikke vacht. Wanneer de verteller na een paar dagen de hond terugbrengt, blijken de eigenaars (een Amerikaans gezin) voorgoed te zijn vertrokken. Dag beloning, hallo hond.

Eerst doet de verteller zijn stinkende best om van het beest af te raken, maar na verloop van tijd raakt hij bijzonder verknocht aan de viervoeter. Zeker wanneer hij zwaar ziek wordt: dan houdt de hond hem warm en begeleidt hij hem op zijn koortsnachten. Hij zweert het dier eeuwige trouw.

Bij een toevallige ontmoeting met een Chinees laat de goedige verteller zich evenwel vermurwen. De hond doet de man aan zijn geboorteland denken en de verteller ziet zijn kans schoon om toch een zaakje te doen. Hij ruilt de hond in voor een avond in natura betaalde liefde met de partner van de Chinees, een graatmagere prostituee.

Rustpauze

De methodiek van Samen Lezen houdt in dat er tijdens de lectuur van het verhaal op wel gekozen momenten wordt gestopt. De rustpauze in het lezen opent de mogelijkheid voor een gesprek. Hoe stellen de deelnemers zich de personages voor? Wat denken ze van wat ze voorlopig gelezen hebben? Wat verwachten ze dat er nog gaat gebeuren?

De gesprekken gaan verschillende kanten op. We spreken over de liefde die een huisdier ons kan geven. We spreken onze voorkeuren uit voor deze of gene hond. We halen herinneringen op aan cocker spaniels en golden retrievers. Er worden namen genoemd, de ene al hondser dan de andere.

Soldaat

De deelnemers geven allen aan dat ze het verhaal naar een happy ending zien evolueren. Honden brengen het beste in de mens naar boven, ook wanneer ze niet echt zijn. Van de ziekte van de verteller moet het naar de mogelijkheid van een nieuwe baan gaan. En wat goed dat de Chinees nu een hond heeft die hem aan zijn geboorteland doet denken!

Groot is de verbazing van de deelnemers als de verteller op het einde van het verhaal de Chinees opnieuw tegen het lijf loopt en ontdekt dat de man de hond intussen soldaat heeft gemaakt. Een bloedige poot steekt uit de vuilnisbak. De verteller kan zijn gruwel nauwelijks onder woorden brengen. Als de Chinees niet zo sterk was, zou hij hem zeker hebben vermoord.

Vooroordelen

Bij het afrondende gesprek kunnen de deelnemers aanvankelijk hun verbazing over het verloop van het verhaal niet verbergen. Al voelt een iet of wat wantrouwige lezer de afloop aankomen – het verhaal heet ‘De Chinese hond’ – maar mijn lezers doen dat  duidelijk niet.

Maar al snel verschuift het gesprek van de gruwel van de verteller naar een vorm van begrip voor de nieuwe eigenaar van de hond. Als het in China een gewoonte is om hond te eten, waarom zouden wij daar iets tegen moeten hebben? Wij eten toch ook konijnen en konijnen zijn toch ook huisdieren? Het gesprek gaat verder over paardenbiefstuk en hoe lekker iemand dat vindt.

Ik moet denken aan de gevleugelde woorden van Proust: elke lezer is in de eerste plaats een lezer van zichzelf. Door boeken te lezen, ontdekken we nieuwe werelden, maar ook de grenzen in ons eigen denken. En tijdens dat proces slagen we er nu en dan in de grenzen van ons denken te verleggen, onze vooroordelen bij te stellen en met een iets ruimer vizier de werkelijkheid tegemoet te treden. Is dat therapeutisch? Ach, what’s in word?

Jürgen Pieters doceert literatuurwetenschap en 'Creative criticism' aan de Universiteit Gent. In 2021 verschenen 'Literature and Consolation' (Edinburgh University Press) en 'Een boekje troost' (Borgerhoff & Lamberigts). Hij werkt aan een nieuw boek over lezen in contexten van zorg.

Commentaren en reacties